Zaterdag 26/11/2022

Zwart gaat moeilijk af

Op vrijdag 11 juli wordt in Antwerpen het eerste boek van uitgeverij Meulenhoff/Manteau in de reeks 'De Trust der Vaderlandsliefde' voorgesteld. Hij was een zwarte bevat - naast de in 1946 geschreven gelijknamige reportage van Louis Paul Boon - teksten van literatuurwetenschapper en Boon-biograaf Kris Humbeeck, historicus Chris van der Heijden en schrijver Dimitri Verhulst. Norbert De Batselier, voorzitter van het Vlaams Parlement, schreef het nawoord. Boeken brengt u de exclusieve voorpublicatie van de reportage van Dimitri Verhulst, die een namiddag doorbracht met een gewezen aanhanger van het Verdinaso aan diens zwembad.

In de loop van deze reportage zal de lezer mij een glas whisky zien drinken met een fascist, de zon zal met volle overtuiging schijnen en ik zal met deze man gezellig aan het zwembad zitten. Er staan ook lekkere koekjes op tafel. Alsof al het kwade van de aarde op vakantie is. Het zal mei zijn, 2003. Vooral dat jaartal zal ongeloofwaardig klinken, en ook ik heb er meermaals aan getwijfeld. In mijn adresboekje staat geen enkele fascist, zeker weten, dit prachtige adres werd mij doorgespeeld door heren die de letterkunde annexeren bij de wetenschappen, en die zich toeleggen op de studie van een bepaalde schrijver. In dit geval betreft het Boon, Louis Paul, en het boek dat onder de microscoop wordt gelegd, is eigenlijk geen boek maar een krantenartikel dat de gemankeerde Nobelprijskandidaat kort na de Tweede Wereldoorlog voor De roode vaan pleegde, 'Hij was een zwarte' genaamd. Het is het verhaal van een collaborateur, nota bene begripvol geschreven door iemand die vier maanden in het concentratiekamp van Fallingbostel heeft gezeten. "Maar misschien zijn er toch ook dagblad schrijvers noodig om af en toe de verbleekte nieuwtjes eens te herkauwen", schreef Boon daar. Alles vergaat, ook onkruid, en als iemand nog een reportage over een zwarte wenste te herkauwen, moest hij zich haasten. Van de lijst te mijner beschikking gestelde nog levende Übermenschen waren er al een heel pak seniel, het tehuis waarin zij mij te woord konden staan, had geroken naar lekkende luiers. Niet ik zat daar met een fascist aan zijn zwembad aan de whisky, het was iemand in zijn hoedanigheid van herkauwende dagbladschrijver in dienst van de laboratoria der letteren. Geachte heren en dames juryleden van het volgende proces van Neurenberg: u gelieve te aanvaarden dit oprechte alibi.

Om te ontdekken dat de Tweede Wereldoorlog nog lang niet voorbij is, ben ik eerst het slachtoffer van een andere oorlog moeten worden. Een kleinere. Die tussen mijn ouders, uitgevochten met potten en pannen en keukenmessen. Boven ons koertje hing weliswaar geen paddestoelenwolk maar er droppelde toch bloed op onze keukenvloer, meer dan eens, dat kwam volgens mijn pa in de beste gezinnen voor. En ik die daar in stilte bad later nooit te zullen behoren tot een opperbest gezin. De verdragen die nadien werden getekend bepaalden dat ik geplaatst zou worden in een pleeggezin in een dorpje aan de grens met Nederland. Stekene. Het duurde geen week eer ik begreep dat het hele dorp daar was verdeeld in witte en zwarte. Ik dacht nog pensen, maar 't bleken mensen. Zwart, dat was al wat had gecollaboreerd. En wit was het weinige dat uit de concentratiekampen was weergekeerd. Veertig jaar was die smerige oorlog achter de rug, veertig jaar al lagen al die duizenden sukkelaars aan flarden in hun put, de boeken over de oorlog die naar aanleiding van deze verjaardag verschenen waren niet te tellen, maar in Stekene koeioneerden de twee kampen elkaar rustig verder. Een zwarte kon er niet zonder licht op zijn velo rijden of hij werd door een witte bij de flikken aangegeven, en omgekeerd. Kleine pesterijen bij gebrek aan kogels, en aan een V-zoveel.

Zestig jaar is die smerige oorlog achter de rug, en zestig jaar is hij links en rechts nog altijd op een lepe wijze bezig, en ik rijd naar een dorp in de Antwerpse Kempen, naar het huis van een zwarte. Zwart, en daar dan de donkere variant van. Een beetje bloedarts berekent zo het debiet van antraciet door al zijn aders. Een Dinaso-gediende die luistert naar de naam J., als zijn hoorapparaat scherpgesteld staat. Dat hoorapparaat is trouwens het enige dat zijn stevig opgerukte leeftijd verraadt, naast de ouderdomsvlekken waarmee de jaren de landkaart van een Ultiem Rijk op zijn armen hebben getatoeëerd. Hij ziet er verbazend goed uit om de oorlog te hebben verloren, en hij woont groter dan de winnaars ervan. Ik zou passen als mij werd gevraagd een sprintje rond zijn domein te trekken, en aan mijn fysiek ligt dat niet.

Het is een immens vriendelijke man die me op het eind van zijn met bomen omzoomde oprijlaan opwacht, en hij reikt mij onmiddellijk de hand die bungelt aan de arm die hij nog met het grootste enthousiasme in de lucht gestoken heeft.

We kunnen in de gastkamer zitten, maar ik heb moeite met dat woord en verkies ons gesprek liever in de tuin te houden. Tenslotte is het warm, de hete meidagen van 1940 zijn weer neergestreken, en een Belg moet ervan profiteren wanneer hij buiten kan zitten. Een Vlaming trouwens ook. En dus gaan we aan het openluchtzwembad zitten, met oogblauw water waarvan de temperatuur 26 graden bedraagt en waarin mij een duik wordt aangeboden (ik mag gerust een zwembroek van J. gebruiken maar ik kom geen dertig kilo bij in een half uur tijd en bovendien ben ik geen watergeus). Het einde van de tuin kan ik niet zien, het is dan ook veeleer een park, met eenden en fazanten die op schietafstand komen kijken naar wat er zich op het terras afspeelt. Ik ben het niet gewoon met rijke mensen te spreken, en ik ben het niet gewoon met fascisten te spreken. Deze middag zal ik twee dingen die ik niet gewoon ben moeten uitproberen. "U woont hier rustig", probeer ik, maar het eufemisme wordt overstemd door panelen die ineens heel eenentwintigste-eeuws uit het huis komen geschoven en die ons zullen beschutten tegen de wind.

"Melk? Suiker?", vraagt de vrouw des huizes boven een porseleinen kopje. De gastvrijheid gaat hier rap.

Neen merci. Hoe zwarter, hoe liever. Maar het is een doodgeboren grap, waarmee niemand lachen kan.

J. heeft nog maar goed en wel gevraagd hoe hij mij van dienst kan zijn (met uw verhaal, J., ik ben handelaar in hele en halve verhalen) of hij is al van wal gestoken. Zijn mond is bij de Zeemacht. Te beginnen bij het begin, het katholiek college, waar zoveel zwartigheid begon. Omdat zijn vader ziek was, ze met vijftien kinderen waren thuis, en ze de rokken van de moeder een beetje wensten te ontlasten, hebben ze J. in het internaat gestopt. Die vader, niet de modaalste, is een vet lemma in de Encyclopedie van de Vlaamse beweging, een vooraanstaand professor en veelschrijver die heeft bijgedragen tot de vernederlandsing van de Gentse universiteit, die zwart geklad uit de Eerste Wereldoorlog is gekropen, en die voor eeuwig en altijd als een babbelkous, een slijmbal en een zeur te boek zal staan bij een latere generatie schrijvers. Een katholiek man die de brieven aan zijn kinderen afsloot met "Een kusje en een kruisje. Je Pa". Het is met deze pa dat J. in 1930 met de Minerva naar de IJzerbedevaart reed, de legendarische anti-Belgische editie waar rijkswachtcharges aan te pas kwamen. En de ziekte waaraan vader leed, heeft vele kostelijke namen die vaak met 'neuro' beginnen, maar die wij tegenwoordig allemaal kennen onder de noemer depressiviteit - wie de moed heeft gaat het vandaag met pillen, zweethutten en modderbaden te lijf -, en die maakte dat vader in 1933 werd gevonden in de regenput van het huis. Als een schrijver zelfmoord plegen, daar haalt u een hoofdstuk in een boek van Jeroen Brouwers mee, ik kan het velen ten zeerste aanbevelen. Doch een goede katholiek zal zichzelf niet dopen tot de dood en ten tweede wordt het vraagteken bij zijn zelfmoord alleen maar groter aangezien het deksel op de regenput met de verzopene lag. Maar vóór vader zich zal inzetten voor de vervlaamsing van de hemel, zit J. dus op het internaat en hoort hij er braaf de woorden van de witte boorden aan. Als magistraal herinnert hij zich de leraar die zei dat 1830 een merkwaardig jaar was waarin God sloeg en heeft gezalfd. Sloeg, omdat het koninkrijk België een feit was. En zalfde, omdat Guido Gezelle werd geboren, de priester-dichter van het Vlaamse ideaal. J. werd begeesterd door dit onderricht, won ondertussen als zoon van een verdronken icoon de interscolaire opstelwedstrijden Nederlands en werd door het schoolhoofd aangemoedigd zich kandidaat te stellen als voorzitter van de Vlaamse en katholieke jeugdvereniging. Een korte bruine broek en enige zwaaivaardigheid met de vendelstok strekken tot aanbeveling.

De jaren dertig rukken op, gelijk de puisten op zijn kop, en als puber kijkt J. ongelofelijk op naar zijn broer P. En P. pakt in 1934 de motor en rijdt naar Duitsland om er aanwezig te zijn bij de toespraken van de Führer, hij is erbij wanneer de camera van Leni Riefenstahl draait. P. staat op het kruispunt van de geschiedenis, I was there, staat tussen de massa gestrekte armen. Vanuit de lucht lijkt het wel een doos tandenstokers, maar voorlopig heet dat 'orde'. Een van die gestrekte armen in Riefenstahls Triumph des Willens is van P., één geluchte rechteroksel van hem vormt een pixel in een monument uit de filmgeschiedenis. De oksel die een decennium later zal stinken aan het Oostfront, maar dat weten ze nog niet. J. zit nog in de cinema, onder zijn kippenvel te genieten van Leni Riefenstahl, die als geen ander een militaire mars in beeld kan brengen. Niets dan bewondering voelt hij voor die dame die rechtstreeks toegang kreeg tot de Führer, die zijn snor nog voelde kietelen tegen de knokels van haar hand, tot zelfs grote ergernis van Goebbels. Het is een lyrische J., die het over kunst heeft met een grote K, die plots weer opgewonden geraakt en vertelt en vertelt en vertelt, de babbelkousen van zijn vader passen hem perfect, over Albert Speer en hoe die liften van wel 38 meter liet bouwen zodat Riefenstahl vanuit verschillende perspectieven kon filmen. De eerste die met kikvorsperspectief werkte, een mijlpaal! Kunst met een gotische k: J. weet niet dat Eisenstein in 1925 reeds vanuit kikvorsperspectief filmde. Over Triumph des Willens wordt vandaag geschreven dat het een lor van een film is die nergens het niveau van een reclamespotje voor wasverzachter haalt. En Riefenstahl is clean verklaard: er is geen christenhond die zich vijf minuten kan wakker houden bij het zien van deze beelden, laat staan dat het mens iemand tot nazi-sympathieën heeft kunnen bekeren. Maar deze cinefielen hebben blijkbaar nooit met J. aan het zwembad in de tuin gezeten. Een zodanige adoratie voor Riefenstahl had J., dat hij zich een camera heeft aangeschaft en zelf marsen is gaan filmen. Zijn zolder ligt vol met spoelen. En hij filmt nog wekelijks, zij het dan de kleinkinderen en de barbecuefeestjes. Het is goed om een hobby te hebben.

Een puber heeft veel om te bewonderen: zijn liefde voor de film staat zijn idolatrie voor Joris Van Severen niet in de weg.

"Je weet toch wie Joris Van Severen is?"

Tenzij er een andere Joris Van Severen is dan die kleine magere man uit Wakken die vaker van politieke overtuiging dan van onderbroek veranderde, die een tijdschrift oprichtte waarin aanvankelijk nog socialisten publiceerden, uiteindelijk het Verdinaso stichtte, ontroerd raakte bij de aanblik van jonge knaapjes die met wimpeltjes en pennoentjes en trommeltjes voor hem paradeerden, wiens geluk niet opkon als hij maar even Mussoliniaans kon salueren naar pakweg een door duiven bescheten standbeeld van Willem van Oranje, en die ontgoocheld was in vele fascistische partijen omdat ze niet ondemocratisch en antisemitisch genoeg waren naar zijn gedacht, en die ze aan het begin van de grote wereldbrand in Abbeville hebben omgebracht... tenzij er nog een andere Von, pardon, di Severini is, weet ik over wie J. het heeft.

"Het is een schande dat er in het onderwijs niet meer over Van Severen wordt onderwezen. Onze kinderen kennen hun klassiekers niet meer. Ik weet verdomme toch ook wie Karl Marx is en wie Henri Spaak. Het onderwijs is zo links als het groot is..."

Ik kijk de tuin in, naar de fazanten, en vraag me af met welke saus ze vroeg of laat zullen worden opgediend. Moet ik J. dan geruststellen en zeggen dat ik in de jaren tachtig in Sint-Niklaas op een broederschool zat en dat ik daar geschiedenis kreeg van meneer C, een kerel die nog terechtstond in het grote VMO-proces, die in verband gebracht werd met jongens die het molesteren en het vervolgens in de fik steken van een migrantencafé tot hun voornaamste hobby's mochten rekenen, en die het zich, ondanks een strafblad dat moest worden schoongesopt, kon veroorloven les te geven over de Vlaamse ontvoogdingsstrijd, het IRA, én Joris Van Severen. Misschien omdat hij het neefje van een priester-leraar was? Meneer C. mocht nog eens met zijn volledige naam in de gazet nadat hij leerlingen had aangespoord de namen van progressieve leraars door te spelen aan de rangen van extreem-rechts. Onze meneer daar vooraan in de klas bezocht in de gevangenis van Merksplas zijn grote vriend en VMO-leider, die daar in de jaren tachtig voor kinderverkrachting zat. Dan kun je toch verwachten dat er nog biezonder geëngageerd over Van Severen wordt lesgegeven, nee? En denkt J. dan dat er één linkse ouder of één linkse leraar ooit tegen de vaste benoeming van meneer C. heeft geprotesteerd, dat er daar iemand zijn kind van school haalt? Tijdens de vergaderingen van de oudercomités moet er voornamelijk worden gekletst over het aan te raden aantal verse sokken dat hun kinderen op eindejaarsreis moeten meenemen, niet over de ideologie van het onderwijs. Ik zou J. gerust kunnen stellen en hem vertellen dat ook anno 2003 het krijt nog altijd om een andere geschiedenis op de borden krijst in de klaslokalen van deze broederschool. Hij zal het trouwens veel beter weten dan ik dat die meneer C. zijn initiaal ontgroeit op de rug van een boek dat hij heeft geschreven, Recht en Trouw. De geschiedenis van het Verdinaso en zijn milities, en hij zal het bovendien met een bonzend hart hebben gelezen. Non, tu n'es pas tout seul, de swastieke schoolmeesters doen hun werk uitstekend, en zonder bemoeienis van buitenaf.

Typisch J., het poneren van stellingen. "De jeugd weet niet meer wie Van Severen is!" Of: "Moesten de liberalen de gevangenen laten doen wat de collaborateurs tijdens de oorlog deden en al die misdadigers bij de Arbeidsdienst steken, we zouden geen criminelen meer moeten loslaten wegens gebrek aan plaats in de gevangenissen!" Het is een man die spreekt in uitroeptekens. Hij maakt ons niets wijs, hij maakt ons dingen Diets. En Diets is Duits voor een volk met friet als fruit. Hij kan het niet laten ons gesprek zo nu en dan met een Duitse zinsnee te larderen, aber dort steht ganz viel Haar auf. "Je verstaat toch Duits?", vraagt hij dan. Vraagt hij die nog altijd hardop droomt van een Groot-Diets Rijk waarin we met z'n allen turnoefeningen doen op de pleinen. (Jane Fonda wordt vervangen door een demagoog in maillot achter een micro. Zijn pak is strak, er zit een bult tussen zijn benen en hij 'draagt' duidelijk rechts. In sommige sporthallen doen tegenwoordig reeds vele zwetende meisjes de jaren dertig op een hometrainer na, als hem dat kan troosten.) Een rijk waarin we op klompen meiboompjes planten en wij in bad een medley van het 'Wilhelmus' en het 'Horst Wessel-lied' zingen. Na de joden komt het jodelen. Dat de windschermen volautomatisch en geheel eenentwintigste-eeuws uit zijn woning komen geschoven, is maar een magere troostprijs voor deze mens, liever zou hij zeventig jaar teruggaan in de tijd. "Ik zou opnieuw hetzelfde doen. Maar dan grondiger. En beter." Wedden voor vier rantsoeneringsbonnen dat zijn wasmasjien een Grundig is?

De oorlog breekt uit. Zoals J. het vertelt, breekt hij daadwerkelijk opnieuw uit. En J., die inmiddels van heinde en ver bekendstaat om zijn Deutschfreundlichkeit, en die geen zin heeft tegen de moffen ten strijde te trekken, vlucht naar Frankrijk. Met een Amerikaanse slee, iets waarin hij toch moet hebben verschild van de velen die op datzelfde ogenblik voor iets anders op de vlucht waren. Beducht voor de Romaanse levensstijl en uit vrees voor luizen en vlooienbeten probeert J. in chique villa's onderdak te krijgen. Maar dat lukt niet, de deur wordt telkens voor zijn neus dichtgesmeten door fransozen die vinden dat hij thuis zijn bodem maar moet gaan verdedigen tegen het fascisme. En dus slaapt J. onder die prachtige blote hemel van mei 1940 tot de Duitsers er zijn. Heilhitlerend trekt hij dan naar huis, licht de Duitsers in waar hij onderweg Franse troepen heeft gezien, wijst hen de chique villa aan waar hem een paar dagen eerder onderdak werd geweigerd als een goede stek om er hun Kommandatur in te richten, en rijdt met zijn Amerikaanse slee dwars door de frontlijn. Als dank voor zijn hulp krijgt hij 150 liter benzine met de woorden: "Hitler trakteert!" De oogjes van J. blinken. Het is een herinnering die neigt naar het nostalgische. Dertig jaar later zal hij met zijn vluchtroute naar een reisbureau stappen en zeggen: "Madammeke, stippelt mij eens een reisje uit langs deze wegen met goeie hotelletjes en heerlijke restaurantjes." Er is maar één ding waar J. over die begindagen van de Wereldoorlog spijt van heeft: dat hij in de buurt van Abbeville was op het ogenblik dat Van Severen daar de kogel kreeg, dat hij dit niet wist, want dat hij anders Van Severen wel had bevrijd. Hij mist Van Severen. Elke dag nog.

"Stel u de wereld voor als een Van Severen er nog was geweest! Stel u de wereld voor als de Führer de oorlog had gewonnen. Denk je soms dat er dan een Koude Oorlog zou zijn geweest?"

Wat bij het ophalen van een aangename gedachte altijd beter smaakt is een goed glas whisky en een ferme sigaar. Die sigaar, dat is uiteraard geen Cubaanse, maar ze heeft wel de dikte van een kruisraket. De fazanten hebben zicht op een gezellig tafereel. Hoe troostend is het voor de mensheid dat een linkse jongen en een rechtse knar samen het glas heffen en dure sigaren van twee uren paffen? Twee vijanden, twee tegenpolen, weerspiegeld in dezelfde fles. Als de waanzin ooit weer openbreekt, staan wij tegenover elkaar, en iets zegt mij hier dat ik het eerste zal sneuvelen. Want dan trekt hij een SS-dolk, en ik een stylo uit mijn binnenzak. Bijvoorbeeld. Neen, dit onderonsje is van een valse gezelligheid die ik uitsluitend aan mezelf kan verantwoorden als vorser, omdat ik, ook ik, geloof in de behoefte aan schrijvers, dagbladschrijvers en andere, die af en toe de verbleekte nieuwtjes herkauwen, die azen op de dagen die zijn verzonken in dezelfde put als die waaruit ze zijn gekropen. Dus pak ik mijn spade en steek ik die spuwend in de put die tijdens dit gesprek bleef toegedekt. Een hologram van Faust. De holocaust.

Ach, ach, die holocaust, tja. Heb ik soms gezien hoe slecht die joden eraan toe waren? Levende lijken waren het, de tyfus droop eraf. In hun toestand waren ze veel beter af na het gas.

Hij vertelt niet hoe het kwam dat de joden er zo slecht aan toe waren. Bovendien pleit hij plots wel zeer voor euthanasie, voor een fascist.

Ach, ach, die joden, tja. De mensen zijn vergeten dat Hitler die joden in 1939 op een boot heeft gezet. De St.-Louis. Het doolschip dat de hele wereld rondvoer met 900 joden, tegen mekaar geplakt zoals je vandaag zelfs geen schapen meer naar de slachtbank mag voeren. Dacht ik soms dat er één land zich bereid toonde die joden op te vangen. Niemand moest ze hebben, Hitler bleef ermee zitten... En wat die concentratiekampen betreft: J. heeft er een zien terugkeren uit de kampen, iemand van de Witte Brigade, een buurman, en het moet hem van het hart dat die man er verdomd gezond uitzag. Ik kan daar alleen maar uit concluderen dat die buur van J. op geen van de foto's stond die ik in Buchenwald, Auschwitz, Dachau en Struthof heb gezien.

De edele roker inhaleert nooit de rook van zijn sigaar. Was mijn lijf nu een stuk zalm, er zou in bepaalde restaurants echter zeer veel geld voor worden neergeteld, want gerookt en in de whisky gemarineerd.

Wat me opvalt, is dat er nauwelijks over de oorlog zelf wordt gesproken. Er is heel veel voor de oorlog, en er is heel veel erna, maar over de oorlog zelf wil een zwarte weinig kwijt. Tenzij dan misschien over de vrienden die standrechtelijk werden geëxecuteerd, die zonder sigaret laat staan met sigaar in hun kakement voor het vuurpeloton werden gebracht. "Meestal was dat een zwarte die het lief van een witte had afgepakt, men heeft aan die amoureuze vergelding gewoon een politieke draai gegeven."

Zeven maanden heeft J. na de oorlog vastgezeten, en om een sigaretje te roken, hoefde hij niet eens voor het vuurpeloton te staan. Dat hij een Duits uniform zou hebben gedragen, kon hem al niet ten laste worden gelegd; wat hij droeg was een Belgisch legerkostuum dat gewoon een beetje bruin was geverfd. (Het was een schoon kostuum, en hij zou er mij zeer graag foto's van tonen ware het niet dat hij ze aan de redactie van 't Pallieterke had gegeven en ze sindsdien niet meer heeft teruggezien.) Uiteindelijk kwam hij vrij op grond van een valse getuigenis en nam hij het bedrijf van zijn schoonvader over. Pijpleidingen en rioleringen, mollenwerk. Maar ze hebben hem geboycot en gekloot. Wanneer hij in opdracht van de NAVO ergens een paar buizen in de grond moet gaan steken, wordt hij op het matje geroepen: de NAVO heeft er problemen mee dat ze een opdracht hebben uitbesteed aan iemand die 420 man onder hem heeft staan die allemaal samen 147 jaar in de lik hebben gezeten voor collaboratie. En aan al dat geboycot en gekloot hield J. een villa over waarin wel zeker vijfhonderd joden kunnen worden verscholen. Zonder daar vlooienbeten aan over te houden.

"Gaat het nog een beetje?", vraagt zijn vrouw. "Want als hij begint te vertellen, is hij niet meer te stoppen." En ze is zelf nog niet goed uitgesproken of J. is opnieuw aan de babbel.

"Manu Ruys heeft mij zeker al tien keer gevraagd om mijn leven eens op papier te zetten. Eigenlijk zou ik mijn vrouw een week op vakantie moeten sturen, zodat ik op mijn gemak zit en ik alles kan inspreken op een bandje. Iemand anders moet zich er dan maar mee amuseren om dat allemaal uit te schrijven. Ooit hou ik mij daar nog wel eens mee bezig."

Het woord 'ooit' uit de mond van een tweeëntachtigjarige. Alleen het woord 'nooit' uit de mond van een vijfjarige is twijfelachtiger.

J. heeft weinig tijd om zich aan zijn autobiografie te zetten. Hij steekt zijn energie in de vereniging 'Abbeville'. Het winstoogmerk ervan is niet financieel. Het komt hem hierop neer dat J. ieder jaar een bedevaart naar het graf van Joris Van Severen organiseert. In mei. Meimaand, Van Severenmaand. Dan gaan ze met de Oranjejeugd naar dat graf en naar de plaats waar hij werd vermoord, vormen er een erehaag en brengen er een groet aan de Joris en aan de zeventien provinciën. Yo de Joris, bonjourkes de provinciën. "Flaminganten trekken naar Diksmuide om er pinten te drinken, maar naar Abbeville trekt men voor de kern van de zaak." Bij de Oranjejeugd moeten wij ons een jeugdvereniging voorstellen, zoals de scouts, maar dan "zonder knoopjesleggen". De kinderen zitten er rond het kampvuur net als overal, en worden daarenboven onderwezen in de politiek. Vanaf de leeftijd van negen leren ze er hun grote figuren kennen. Nee, een peutertuin is het daar niet.

Mijn kruisraket is helemaal opgerookt en er zijn geen doden gevallen. Er valt een stilte op een wijze die ik zeer goed ken maar waarmee ik mij nog steeds geen raad weet.

"Jaja", zegt J.

"Jaja", zeg ik, zodat het lijkt alsof we exact dezelfde mening zijn toegedaan.

"Het is spijtig dat Hitler de oorlog heeft verloren. Nu zitten we hier, met die rotdemocratie."

Ik geloof dat ik maar eens opstap, ten anderen kots ik liever thuis op mijn gemak.

Rotdemocratie... Dat woord valt precies op dezelfde plaats als in de reportage die Louis Paul Boon in juli 1946 maakte. Op het eind, zodat het de schijn wekt een conclusie te zijn. Ook 'zijn' zwarte vond de democratie één grote rotzooi, iets wat hem had verwaarloosd. Tussen Boon en mij is niets gebeurd: niemand is op de maan geland, Sandra Kim won niet het Eurovisiesongfestival, er werden geen genomen in kaart gebracht, het is nog onvoorstelbaar dat er morgen één iemand in onze straat een televisie zal bezitten. Ik stap op, de rit naar huis is nog zo'n zestig jaren lang.

Het laatste wat J. tegen me zegt, terwijl hij mij hartelijk uitzwaait: "Mijn deur staat altijd voor u open."

We zullen ten jongste honderdtwintig jaartjes ouder zijn als ik daar gebruik van maak.

Dimitri Verhulst

'Stel u de wereld voor als een Van Severen er nog

was geweest! Stel u de wereld voor als de Führer

de oorlog had gewonnen. Denk je soms dat er dan een Koude Oorlog zou zijn geweest?''Manu Ruys heeft mij zeker al

tien keer gevraagd om mijn leven

eens op papier te zetten' Ik ben het niet gewoon met rijke mensen te spreken, en ik ben het niet gewoon met fascisten te spreken. Deze middag zal ik twee dingen die ik niet gewoon ben moeten uitproberen

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234