Vrijdag 27/11/2020

Zot van elektriciteit

erst een Stella”, zegt ze. “Dat praat wat makkelijker.” De Stella heeft geen lang leven. Tweede openingszin: “Zou het kunnen dat gij ook een hekel hebt aan faux-semblants en mediocriteit? Ik wel, kan ik u zeggen. Ik ga voor echte mensen, niet voor de ‘à peu près’, die niets afmaken. Wat niet af is, bestaat niet. In mijn hutsepot zitten rapen, wortels, patatten, een stuk bouilli en een varkenspoot, alles erop en eraan. Mijn paling in ’t groen is met zeven soorten groen, niet met zes.”

Er loopt staaldraad door de woorden. Sophie Dutordoir is niet van de koffieklets. “Ik slaap vier uur per nacht, anders kan ik werk en liefde voor man en kind niet combineren.” De directeur-generaal van Electrabel wil nadrukkelijk gewoon zijn, en is dat ook. Soms bij het achterdochtige af. “Als ik u verveel, moet je het zeggen, hé.”

Gêne voor het persoonlijke is er ook. Sprekend over de liefde vlucht ze weg in een prachtig gedicht van Martinus Nijhoff. En later in een lied van Georges Brassens dat ze uit het hoofd kent: “Pauvre amour, tiens bon la barre/ Le temps va passer par là/ Et le temps est un barbare/ Dans le genre d’Atilla.” Ze declameert de zinnen zachtjes voor zich uit met een literair timbre. In het mooiste Frans.

Niet alle gevoelens voor schoonheid zijn zo hoogdravend. “Ik ben zot van elektriciteit. Mede door de complexheid van het hele energiegebeuren. Heb je al eens goed naar een hoogspanningsleiding gekeken? Pure schoonheid, met hier een vossenkop, daar een kattenkop. Daar zit leven in, hoor. De parabool van een koeltoren: ook zo mooi. Om eerlijk te zijn, ik vind windmolens ook wel iets hebben.

“Ik kom zo nu en dan in een kerncentrale. Dan trek ik mijn laarzen aan en loop naar de mannen op de chantier. Dat zijn momenten van geluk. Die mannen zijn zo trots op hun werk en hun omgeving. Zij geven hun ziel en zaligheid om de boel te laten draaien. Terwijl ze ook geraakt moeten zijn door de snijdende verdachtmakingen van de buitenwacht. Als ik ze bezig zie, ben ik stiekem ontroerd.”

Weinig vrouwen kunnen zeggen dat ze aan het hoofd van een bedrijf met tienduizend werknemers staan. Ook nog een bedrijf dat gecontesteerd is in de publieke opinie. Electrabel als politiek gecultiveerd vijandbeeld, als scheldwoord soms. Sophie Dutordoir heeft er een pantser voor. Althans, ze hangt er niet bij als de brug der zuchten. Rechtop, de kin vooruit, niets van een geloken blik: “We worden de laatste tijd door het slijk gesleurd, en dat is zeer onterecht. Niet zozeer voor mezelf - ik word er à la limite voor betaald. Het is wel pijnlijk voor onze klanten en meer nog voor de medewerkers van Electrabel. Iedere keer als ze buiten komen is er een beschuldigende blik. Of wordt ergens wel geroepen dat ze voor monopolisten werken, voor fraudeurs en woekeraars. De verdachtmakingen zijn vrijblijvend. Ik zeg altijd: ‘Ga maar naar het gerecht’, maar daar beginnen de sluipschutters die ons zo graag in het vizier hebben meestal niet aan.

“Het metier van een energieonderneming is van groot strategisch belang. Daar hoor ik de vijanden van Electrabel zelden over. Parallel aan het strategische belang is er de dimensie van nabijheid. Eigenlijk moeten we verschillende contradicties beheren en verzoenen: bevoorradingszekerheid, prijzen, leefmilieu, veiligheid. Dat doen we van oudsher, en dat doen we goed. Met dank aan Sophie Dutordoir? Ik ben omringd door specialisten die honderd keer slimmer zijn dan ik. De beste nuclearist, de beste klassieke producent, de beste verkoper, de beste financiële experts en juristen. Mijn job is ervoor te zorgen dat de mensen ‘goesting’ krijgen om samen te werken. Goesting: schitterend woord, niet? Iedereen komt graag naar mijn directiecomité. Niemand durft daar weg te blijven. Omdat ze bang zijn voor mij? Nee, omdat ze zich uitgedaagd voelen als in een intellectuele arena.”

Poeder noch lippenstift

Haar moeder dreigde haar naar de militaire school te sturen omdat ze te weinig discipline had. Altijd knoopte ze haar schoenen met de voeten op tafel. Nu zoveel jaren later, slim en belezen en gewassen in vele geheimen van staat en economie is de nonchalance nog steeds niet gebannen. “Het liefst eet ik met mijn handen. Laat mij de langoustinepootjes maar uitzuigen.” De burgemeestersdochter uit Sint-Denijs-Westrem is niet gesneden naar een mantelpakje. “Tien jaar geleden ging ik nog in jeans werken.”

Ook vanavond is er niets van opsmuk, kaal als stroom bijna zit ze daar. Niks toeters en bellen. Wel oprecht en sprakerig. En soms zo betogend dat ze in haar enthousiasme bijna over tafel waait. No nonsense madam, dat zeker. Maar toch fragieler dan ze zichzelf voordoet. Er hangen ook zilverdraden van verdriet in de boom.

“Als ik in de spiegel kijk, is het enige wat ik weleens denk: er mogen twee kilootjes af. Maar verder kijk ik niet naar mezelf. Ik loop in blouses die me laten ademen. In heel mijn leven heb ik niet één keer make-up gebruikt. Geen eyeliner, nul mascara, poedertje noch lippenstift. Nagellak? Zie mijn handen: Drefthanden!”

“Drie keer per jaar ga ik naar de kapper. Er zijn da- gen dat ik mijn haren droog voor de ‘chauffage’ van de auto. Als ik op vakantie ben, loop ik veertien da- gen in dezelfde kleren. Wel een bus deodorant bij de hand, vanzelfsprekend. Ik kan mijn geld uitgeven voor gelijk wie, maar niet voor mezelf. Het is mijn zus die twee keer per jaar nieuwe kleren uitzoekt.”

Thuis in de keuken is ze als een Italiaanse mama. “Er is nog nooit iets uit blik op tafel gekomen, en ik kook elke dag. In het weekend maak ik soep voor mijn broers en zus. Lekkere preisoep. Een keer in de week komt in onze straat een viskraam langs. Dan koop ik een kilo garnalen in. Die pel ik zelf. Al mijn kroketten zijn handgedraaid. Op dinsdagavond rijd ik naar mijn moeder in Gent met een portie lekkere vers gepelde garnalen. Zij is daar zot van.

“Luxe staat me niet tegen, maar ik heb het niet nodig. Voor mij is luxe een mooi boeket, een harde kaft en een bic van BIC. In al mijn CEO-jaren ben ik welgeteld één keer in de Comme chez Soi gaan eten. Ik houd niet van zakenlunches en uitgebreide diners. Als er iets te bespreken valt, vraag ik een paar sushi’s of een carpaccio voor op kantoor. Eigenlijk kom ik nauwelijks buiten. Wat is de zin van het leven? Toch geen tiengangenmenu? Gewoon je best doen alsof je leven ervan afhangt. Gedreven zijn, arbeidsmoraal. Mijn vader, die overleed toen ik tien was, was een enorm populaire dorpsdokter. Hij werkte dag en nacht en liet zich betalen met prei en een biljart. Hij genas de mensen met een druppel en biefstuk-friet.

Regelmatig gaat ze nog naar het kerkhof, zogezegd om les mauvaises herbes te verwijderen en de steen onder de treurwilg schoon te maken. Maar er is meer: “Het kerkhof van mijn grootouders, vader en neefje is een van de weinige plekken waar ik echt sereen ben. Het is een zalig kerkhof omdat het nooit de deuren sluit. Ik kan niet tegen gesloten hekken en verplichte bezoekuren. Meestal ga ik ’s avonds, en altijd alleen. Ik zet me dan neer en heb het gevoel dat hij mij advies geeft. Over het leven, over gemaakte keuzes, over wat nog moet. Dan daalt rust in mij.

“Ik heb God niet nodig om me goed te voelen. Veel mensen geloven uit angst. Ik begrijp dat wel. Als ik op vakantie een kerk binnenloop, steek ik altijd een kaars aan. Een kaars betekent: tijd om te denken. En dan niet aan de Heilige Kerk of ook niet ‘God is het Licht’, nee, gewoon denken over de wirwar van het leven en de verplichtingen die je daar in hebt te vervullen.”

In het schijnsel van de kaars op de tafel in het verder schraal verlichte restaurant valt soms een nevel over het gezicht van Sophie Dutordoir. Een clair-obscur dat haar mooi en warm maakt. Een schemering van weemoed, misschien wel een delta van verdriet in een split second.

“Ik ben tot mijn 33ste thuis blijven slapen, bij mijn moeder. Een ruimdenkende, genereuze vrouw. Ze is er altijd geweest voor haar zes kinderen. Met de jaren - ze is nu 86 - wil je toch iets terugdoen. Zeker voor een dame die de sociale piramide graag omdraaide. Zij zei tegen de kuisvrouw: ‘Hou jij maar even de ladder vast terwijl ik de gordijnen ophang’.

“Een madame, dat wil je niet weten. Eigenzinnig en krachtig, nooit heeft iemand van de kinderen haar zien wenen. Nee, we hebben elkaar nooit een kus ge- geven, mijn moeder en ik. De Dutordoirs zijn niet van plakkerige intimiteiten. Pas op, ik heb haar natuurlijk weleens vastgenomen. Dat is ook innigheid.”

Voor het eerst op deze avond met afgewende blik. Langzaam valt een sluier vocht over de ogen. Ik reik haar gauw een sigaret aan, maar ze rookt niet, zegt ze.

“Goed twee jaar geleden dus. Ik had mijn moeder opgehaald om een spaghetti te gaan eten in Aalter. We reden de snelweg af en ineens zei ze: ‘Wat doet dat hotel hier? Het kan niet anders of dat is een hoerenkot.’ Je hoort het haar zeggen en denkt: een late schicht van onderdrukte verbeelding. De volgende dag bel ik haar en zegt ze: ‘Alsjeblieft Sophie, wanneer kom je me nu uit dat hotel halen? Kom gauw de rekening vereffenen, ik wil nu wel naar huis.’ Ik zei nog: ‘Ach mama, je bent al thuis’. Dat wou ze niet weten. Dus ben ik met haar een rondje gaan rijden opdat ze weer het gevoel van thuiskomen kon oproepen.

“Alzheimer: ge schreit als een kind. Ik wil het niet meemaken, wil niemand tot last zijn. Dan maar het licht uit.”

Drie keer in de week rijdt ze van Overijse naar Gent voor een bezoekje aan haar moeder. “Hoe ik het doe, kan ik u niet zeggen. Ik heb geen tijd, maar als ik het niet doe, zou ik niet kunnen functioneren. Laatst zei mama vanuit haar zetel: ‘Sophie, zorg dat we op tijd van de trein stappen’. En dan ga je daar toch in mee: ‘Ja, mama, bij de volgende halte zijn we thuis’. Wat moet je anders? Altijd die witte sneeuw in het hoofd die alles onzegbaar maakt. En toch is ze niet helemaal van de wereld: iedere keer als ik binnenkom, beginnen haar ogen te schitteren.”

Geconfronteerd met de oneindigheid van alzheimer komen de existentiële vragen vanzelf. “Ik word mottig van het begrip oneindigheid. Ik kan het niet hebben dat het heelal geen kader heeft. Het mag voor mijn part oneindig groot zijn, maar er moet wel iets rond staan. Een kader, een grens. Ik ben niet bang om dood te gaan, maar ik wil wel de oneindigheid vatten. En ik wil ook graag weten wat er de dag nadien te gebeuren staat, als ik dood ben. Ik vind wolken prachtig, maar ze hebben wel een limiet nodig waar ze tegenaan moeten lopen. Om te sterven.

“Nee, ik zit niet zwaarmoedig te piekeren in mijn vrije tijd. Ik ben een rationeel mens. Ik zoek de schoonheid van de mensen en de dingen. U kent toch Antigone van Jean Anouilh, mag ik hopen. Wat is dat magistraal, niet? Zo’n meisje dat tegen alle gezag ingaat. En voor het sterven zegt: ‘Als ik doodga, spreek je dan tegen mijn hond zoals je tegen een mens spreekt’. Proef die zin: dieper kan kippenvel niet gaan.”

Het is weer tijd voor een Stella. Haar idiote gsm uit ‘14-18’ heeft al een keer of vijftien gepiept als een ro-chel. Soms kijkt ze naar het bericht, soms niet. Ik vraag of er geen geld af kon voor een eigentijdser mo- bieltje. Je bent tenslotte CEO. Met een fors wegwerpgebaar: “Waarom zou ik aan de Blackberry, de iPod of de iPad moeten? Wie schrijft dat voor? Ik heb niet eens een hypermoderne laptop. Mijn zoontje ja, die heeft modern spul. Weet je wat voor mij essentieel is? Elke maandagochtend een boeket verse bloemen op mijn bureau. Dat is genot van vooruitgang.

“Ik heb geen hobby’s, verlies geen tijd met technologische snufjes. En ook niet met golfen, tennissen, wandelen en zwemmen. Mijn hobby is: mensen ontvangen. Met het dedain waarover jij nu over mijn gsm spreekt, lijkt het wel of ik achterlijk ben. Ik zit liever met vrienden aan tafel dan achter een computer of een gsm. Al zeg ik er meteen bij: thuis werd niet over gevoelens gesproken. Bij mijn ouders ging het nooit over het leven, en toch verstonden we elkaar. Samen, met een hele bende eten, gelukkiger kun je mij niet maken. Ik zal altijd van een ander sociaal weefsel blijven dan dat van Google.”

Er ligt een rotsige kern in de topvrouw van Electrabel. Iets onherbergzaams voor wie haar niet kent. Het kan ook pudeur zijn. “Ik ben vrij atypisch, lichtjes anarchistisch en rebels, dat kan ik niet ontkennen. Ik ben rigoureus en recht door zee, altijd zeer direct in de omgang. Mensen weten onmiddellijk waar ze aan toe zijn. Nadeel is dat het soms hard kan aankomen. Maar het laat me toe veel tijd te winnen. Ik moet ’s anderendaags niet zitten nadenken over wat ik wel en niet heb gezegd. Er is maar één versie.

“U noemt het nu zelfredzaamheid. Zou kunnen. Toen ik aan de universiteit in Gent Romaanse filologie studeerde, zorgde ik ook al voor mezelf. Vanaf mijn vijftiende hield ik het weekend een bloemenwinkel open op de Kouter. In de week diende ik op aan rouwtafels. In het dorp hoorde je na een begrafenis toen nog met zijn allen een pistolet met kaas te eten. Dat was de sociale code. Eigenlijk een verschrikking. Op zo’n moment heb je toch zin om alleen te zijn en te wenen achter een zonnebril. Wie wil dan eten?”

Begin jaren tachtig kwam ze terecht op het kabinet van premier Wilfried Martens. Miss Bistel. Ze mocht ministers en kabinetsleden inwijden in de eerste computerdienst van de federale regering. Op een dag moest ze halsoverkop naar het vakantieadres van de premier om hem vertrouwd te maken met het abc van Bistel. Ze leek wel de nerd van de Zestien.

Vijf jaar zou ze in het hart van de politiek wonen. Maar was zij er ook met haar hart bij? “Het was wel een formidabele leerschool. Ik heb er de mechanismen van politiek en administraties van binnenuit leren kennen. Ik heb het landschap van relationele privileges kunnen overschouwen. Boeiend, maar ook niet meer dan dat. Wat me uit die tijd vooral is bijgebleven, zijn de aberraties van de macht. Ik heb gezien hoe moeilijk het was om afstand te kunnen nemen van macht. De kwelling niet verkozen te zijn of anderszins weggeduwd te worden door een leeftijdgrens. Voor mij was het toen al duidelijk: als je macht niet inruilt voor verantwoordelijkheid heb je er niets aan. Daarom word ik altijd een beetje lacherig als iemand mij de machtigste vrouw van het land noemt. Dat staat dan in Trends, maar wat wil dat zeggen? Naar wat hebben ze gekeken? Naar het zakencijfer, naar de winst, naar de personeelsbezetting? Zegt het ook iets over mij? Als machtstype ben ik gevoelloos.”

Oude moeder

Het leven volgt ook nog andere wegen dan een organigram. “Ik ben een oude moeder. De natuur heeft beslist dat ik tot mijn 40ste moest wachten om zwanger te worden van Lucas. Nu, negen jaar later, ben ik aan het leren om hem zachtjes los te laten. Terwijl ik in de cruciale jaren van de biologische klok weleens wanhopig werd bij de gedachte dat er geen kind meer zou komen.

“Ik ben soms bang dat de tijd iets zal vernietigen van wat er nu is. In de boekskes lees je altijd dat tijd harmonie brengt. Was het maar zo, want we weten allemaal dat tijd een vijand kan zijn. Nu zie ik nog hoe het hoofd van mijn zoon zich als een spons beetje bij beetje vult. Dat is mooi. En ook hoe hij langzaam autonoom wordt, steeds meer van zichzelf. Dat hij als kind in Overijse woorden uit mijn Gentse vocabulaire meeneemt, geeft mij een warm gevoel. Moedertaal is een geweldig goed. Niemand heeft het daar nog over.”

Industriële en financiële elites worden gemakzuchtig buiten de bloedsomloop van de samenleving geplaatst. Fremdkörper van het gemeen. Soms is het terecht, vaak is het demagogisch. Sophie Dutordoir heeft zich ooit in de jaren tachtig aan de rechtstreekse toets van de democratie onderworpen. Eerder per ongeluk dan weloverwogen.

“Als lid van Martens’ kabinet werd me gevraagd of ik op de CVP-lijst wou staan bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gent. Omdat mijn vader nog voor de fusie burgemeester van Sint-Denijs-Westrem was geweest had ik in de regio wel enige naamsbekendheid. Als 46ste op de lijst van 51 kandidaten werd ik geheel onverwachts verkozen, na een vrolijke campagne in dorpscafés met jonge vrienden. Nog op de avond van de verkiezingen werd mij een papier ter ondertekening voorgelegd waarbij ik afstand deed van mijn raadszetel. Het argument van de partij was dat ik standenloos was en derhalve niet op sympathie kon rekenen van de Boerenbond of het ACW. Dus: wegwezen.

“Ook daarom heb ik met overtuiging de politiek uitgezwaaid ten faveure van een toekomst in de privésector. Ik had geen zin om me te committeren aan een systeem of een partij, laat staan aan trivialiteiten van obstructie. Waarmee niet gezegd is dat geen respect heb voor politici. Alleen vraag ik aan de politieke klasse: ontgoochel me niet. Ik ben altijd onder de indruk van sprekers met retorisch talent - Herman Van Rompuy is er zo een.”

Persoonlijk ontbreekt het haar aan politieke drive. Maar: “We leven in een ongelooflijk mooi land. Ik vind het de moeite om te bewijzen dat we er nog iets van kunnen maken. In de verschillende milieus waar ik vertoef, met inbegrip van het werkgeversmilieu, kom ik vlagen van verachting tegen voor de politiek. Dat heb ik niet. De bewegingsruimte van onze huidige politici is in tegenstelling tot vroeger veel krapper geworden. Niet alleen in België, ook in Europa. Het vak van besturen is complex. Ik ben vrij en ongebonden, en ik val alleen voor politici met passie.

“De politiek moet uitgaan van de basis, van een gemeenschapsgevoel. Dat staat bijna haaks op de trend naar een doorgedreven individualisme zoals we dat vandaag overal zien. Het is precies dat individualisme dat de collectieve ordening van de samenleving hindert, zo niet blokkeert. Het collectieve denken is te veel op de achtergrond geraakt. Ik betreur dat. In de plaats zie ik veel kortzichtigheid en demagogie.

“Zien wij als bedrijf af door het feit dat er geen volwaardige regering is? Ja, voor een aantal dossiers. Maar we gaan er ook niet van dood, hé. Alles blijft draaien. Voor het imago van het land is het politieke vacuüm bijzonder kwalijk. Vreselijk!”

Energie is per definitie geopolitiek die geen rekening houdt met de regionalitis en gehuchtenromantiek. Toch voelt een reus als Electrabel ook dat er zich in België twee publieke opinies aftekenen. “In de aanloop naar de laatste verkiezingen is in Vlaanderen, en meer bepaald vanuit socialistische hoek, zwaar ingezet op Electrabel als verkiezingsthema. In Franstalig België was dat minder het geval. Kennelijk hebben de Vlaamse socialisten en de groenen in Electrabel een ideologisch speerpunt gevonden bij gebrek aan andere thema’s. Met een kritische benadering van mijn onderneming heb ik geen moeite, maar de sp.a gaat wel heel sloganesk te keer. Misschien komt het ook omdat de energiemarkt in Vlaanderen sneller geliberaliseerd is dan in Wallonië. We hebben destijds met twee snelheden gewerkt.

“Electrabel neemt een aparte positie in in het industriële landschap, alleen al door de aard van het product. Energie is een goed met talloze dimensies. Een goed waarvan de prijs zeer bepalend is voor de competitiviteit van de bedrijven en de koopkracht van de mensen. En het moet ook nog allemaal proper en duurzaam zijn. Zelf kijk ik ook elke maand anders naar een factuur van Electrabel dan naar de factuur van bijvoorbeeld een nieuwe televisie.

“U moet niet denken dat Electrabel zich van de kritiek niets zou aantrekken. Alleen, het energiegebeuren is uitermate ingewikkeld. De politiek heeft het nog eens extra complex gemaakt. Ik durf de liberalisering van de markt geen succes te noemen. Ze heeft alleen maar prijsverhogend gewerkt. Liberalisering tot op het niveau van de residentiële eindklant is niet noodzakelijk een goede zaak voor de klant. Het heeft wel zijn nut op het vlak van productie en levering aan grote klanten. Maar laten we nooit vergeten dat de kost van het product in de eerste plaats afhangt van de evolutie van de brandstofkosten.”

Electrabel voelt zich nooit slachtoffer, zegt ze. Maar er is wel sprake van enige intellectuele oplichterij, al laat ze die kwalificatie voor rekening van de verslaggever. “Of het boosaardig is weet ik niet, maar er zitten veel denkfouten in de kritiek op mijn bedrijf. Electrabel wordt altijd gezien op Belgische schaal. Dat strookt totaal niet met de fysieke en economische realiteit. Vandaag zijn België, Nederland, Duitsland, Frankrijk één fysieke markt geworden. Het aandeel van Electrabel op die markt bedraagt acht procent. Hoezo, duivelse monopolisten?

“Ik vraag niet dat men ons graag ziet. Maar men moet ons wel beoordelen aan de hand van juiste gegevens en reële cijfers. Ik hoorde sommige politici zeggen dat de energieprijzen in België hoger zijn dan in de buurlanden. Foute informatie: de energieprijzen zijn hier lager dan in Nederland en Duitsland. Ze zijn hoger dan in Frankrijk omdat je daar te maken hebt met een gecontroleerde markt. Ik mis vaak objectiviteit in het debat. En er wordt aan ideologisch opbod gedaan. Natuurlijk moeten alle centrales in Europa na de kernramp van Fukushima aan stresstests worden onderworpen. Veiligheid van de burgers gaat voor alles. Maar dan moet men ook de moed hebben om te zeggen dat de toestand vandaag zo is er geen ecologische of economische redenen zijn om kerncentrales te gaan sluiten. Nogmaals, mits ze beantwoorden aan strikte veiligheidsvoorwaarden. In de energieproblematiek moet je rationele krachtlijnen volgen, dit is geen sector voor gevoelsmatige benaderingen. Het is een kunstig metier: het aanbod moet op de seconde de vraag volgen. Stockeren is er niet bij.”

Er vliegen cijfers in de rondte. En communiquétaal. Het oorlogje met de Creg komt ter sprake, zij het niet van harte. Er volgt nu een cursus Chinees over nucleaire winsten, operationele winsten, notionele interest, and all that jazz. Voor mij zit een spugende zakjapanner.

“Als ik de Creg en sommige politieke partijen moet geloven zijn wij onverbeterlijke fraudeurs. U weet dat de regering de Nationale Bank verzocht heeft een studie te maken over de nucleaire rente. Wel, ik ben er altijd vrij gerust in geweest dat die studie ons verhaal zou bevestigen. Het heeft Electrabel nooit aan transparantie ontbroken. En kan men het mij kwalijk nemen dat de regering onze winsten blijft afromen voor andere doeleinden? Er zijn ook de groenestroomverplichtingen en zonnepanelensubsidies. Het enige wat ik vraag is dat onze cijfers door alle betrokken spelers, inclusief de overheid, worden geobjectiveerd.

“Maken we mooie winsten: ja! Betalen we belastingen in België: ja, en niet zo’n klein beetje. Daarnaast investeren we ook nog eens honderden miljoenen. Electrabel is een volle dochter van het Franse GDF Suez, maar niet met de status van vazal. Alleen, als blijkt dat plechtig afgesloten akkoorden van regeringswege niet worden nagekomen, begrijp ik de animositeit bij onze aandeelhouder. Een gegeven woord is zeker in het zakenleven heilig, om van contracten nog te zwijgen.

“Nee, ik ben niet haatdragend. Ik ben realistisch. En ik wijk niet voor populisme en demagogie. Natuurlijk twijfel ik ook weleens over het wel en wee van mijn bedrijf, maar ik zeg er meteen bij: Electrabel heeft geen gewetensprobleem.”

Niet alleen op de wereld

Een laatste glas, andermaal een Stella. “Spreek me niet over quota’s, ook niet voor vrouwen. Ik heb een hekel aan quota omdat ze het inherente gevaar inhouden dat men voorbijgaat aan de intrinsieke kwaliteiten van mensen. De hele discussie boeit me niet. Er wordt toch altijd geroepen dat we multiple identiteiten zijn. Wel, als ik thuiskom, zet ik ook mijn verstand op nul bij het schillen van de aardappelen en het kuisen van de spruiten. En dan ben ik nog steeds dezelfde Sophie Dutordoir, hoor

“Ik heb een man, ja: mijn lieve Martin. De rust zelve. Hij is het liefst thuis, bij een goed glas wijn en mooie klassieke en jazzy muziek. Ik en Lucas in de buurt. We hebben elkaar leren kennen in Antwerpse kroegen. Hij werkt ook voor GDF Suez, als patron van het callcenterfiliaal N-Allo. Ons huwelijk hangt niet van exuberante litanieën aan elkaar. Maar er is wel altijd stroom.”

Om het met een cliché te zeggen: kent Sophie Dutordoir de eenzaamheid van de top? De schouders hoog, gefronste wenkbrauwen: “O gaan we nu die kant op. De Freudiaanse diepte in? Ik moet u andermaal ontgoochelen. Ik sta niet alleen op de wereld. Naast mijn man zijn er mijn broers en zus. Wij vormen een leger. De clan des Siciliens, als je wil. Wij zijn er altijd voor elkaar. Pas gelukkig als we kunnen geven. Met plezier rijd ik op een vrijdagavond met een emmer vers gemaakte erwtensoep naar Gent, voor de familie. Ja, een straatmuzikant krijgt ook altijd een fooi. Ik zou me geen houding weten te geven als ik hem achteloos voorbij was gelopen.”

Nu staat ze op, de chauffeur wacht. We omhelzen elkaar, lichtelijk onhandig als halve stoethaspels. Al blijft ze hoffelijk, lief en aanrakerig. Maar kussen kan ze niet: haar zoen is een schampschot uit een rolstoel. Voor ze in de auto stapt, zegt ze: “Mijn broer, de veearts, wacht met het beste deel van een geslachte koe. Kom gerust mee, dan heb je later ook nog iets aan dit gesprek gehad.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234