Zondag 25/10/2020

Zonder die essentiële functie van voorlaatste man is de trein niet meer dan een tram

En zeggen dat de rit tot de laatste rechte lijn zo voorspoedig verlopen was. Tot voorbij het rode vod van de laatste kilometer viel de elfde rit in de Tour de France in één zin samen te vatten: een saaie rit voor het publiek, een perfecte etappe voor de sprinters. Na de doortocht van de Alpen ging het van Sisteron naar Bourg-les-Valence: een rit naar het noorden door de Rhônevallei, een vlakke rit in dalende lijn, een rit om het vermoeide peloton wat rust te gunnen, een etappe waarvan je voor de start rustig enkele duizenden euro’s had kunnen inzetten op de vraag: wordt het een massasprint ja of neen? De bookmakers wagen zich natuurlijk niet aan zo’n gok, maar misschien hadden ze toch een schijntje kunnen verdienen als ze langsgegaan waren bij Cofidis, La Française des Jeux en Fotoon, drie ploegen waarvan toch een renner in de aanval ging: José Benitez (Fotoon), Stéphane Augé (Cofidis) en Anthony Geslin (Française des Jeux). De drie bleven ongeveer de hele rit op minder dan twee minuten hangen, en maar rijden rijden rijden. Tot groot genoegen van de ploegen van de sprinters, die geen trap te veel moesten doen om de drie in het vizier te houden, en niet eenmaal één andere renner tot de orde moesten roepen of een tegenaanval neutraliseren. Na de aankomst - toen hij nog geen wetenschap had van de draagwijdte van de incidentrijke sprint - was de Oostenrijker Bernhard Eisel, ‘nummer drie’ in de trein van Mark Cavendish, één en al lof voor de vluchters: “Met grote dank aan die Fransen. Zo mogen ze elke dag rijden! Ze maakten het werk wel érg gemakkelijk.”

Maar toen Eisel zijn uitleg gaf, was De Sprint al verlopen. Die gebeurt, sinds Mark Cavendish terug ‘tot de levenden’ behoort, volgens hetzelfde stramien. Er zijn een aantal ploegen die een ‘trein’ vormen voor hun sprinter: een aantal ploegmaats in een (vast) rijtje: om de sprinter naar voren te loodsen, hem daar te houden, en om hem zo ideaal mogelijk te gangmaken en af te zetten. Twee ploegen werken met een klassieke trein: de ploeg van Mark Cavendish, dus Columbia (officieel heet het team HTC-Columbia, maar de naam zou mogen veranderen in HST-Columbia, zo’n hoge snelheid houdt die trein aan), alsook Garmin, de ploeg van de gehandicapte Tyler Farrar. Ploegen als Lampre (Petacchi), Garmin (Hushovd), Katusha (McEwen) of, als ze meedoen, Rabobank (Freire) werken intuïtiever: ze brengen hun sprinter naar voor en die zet zich dan in het wiel van een trein, of ze desorganiseren zelf de trein van een ander - Danilo Hondo (Lampre) toonde dat kunstje in de rit Cambrai-Reims, waar Petacchi op die manier Cavendish ringeloorde.

Cruciaal in die trein is de voorlaatste man. Voor Mark Cavendish is dat zijn bloedbroeder Mark Renshaw, een bijna 28-jarige Australiër. Bij Garmin is dat Julian Dean, een 35-jarige Nieuw-Zeelander. Misschien dat hun nationaliteit enige relevantie heeft: het aantrekken van sprints is een van de ‘dirty jobs’ in het peloton. Elke ploeg is op zoek naar zo’n ruige rouwdouwers, mannen met een helm op het hoofd en eelt op hun ziel. Want zeker, sprinten is gevaarlijk. En toch gebeuren er weinig ongelukken, zelfs niet als Tom Steels in volle sprint met een drinkbus gooit, zoals in Marennes in 1997 - waarvoor hij terecht werd uitgesloten. Sprinters zijn met de helm geboren - ze hebben haast van nature het geluk aan hun kant. En dus wagen ze oneindig meer dan u of ik. Uit ervaring weten ze dat ze het wel overleven.

Tegelijk zijn moderne sprinters echte vedetten (geworden), met alles wat daar vandaag bij hoort: ze moeten weliswaar snel en explosief zijn, maar liefst ook clean en sportief en welgebekt, misschien niet sexy maar toch sympathiek en fotogeniek - sprinters worden immers geacht het podium te halen. Dus moet het vuile werk vandaag opgeknapt worden door de krachtigste knecht, een persoonlijke lijfwacht die zich met gevaar op eigen leven naar voren vecht en daar De Sprinter in ideale omstandigheden lanceert. Idealiter is de moderne sprinter De Schone, de voorlaatste man Het Beest.

Er valt wat voor te zeggen dat de foeilelijke en bijzonder smerig sprintende Oezbeek Djamolidine Abdoesjaparov de laatste sprinter van de vorige eeuw was, van de uitgestorven generatie: de mannen die zichzelf een weg banen voor, naast, en als het moest over en door alle concurrenten heen. Abdoesjaparov was de laatste sprinter die niet alleen respect afdwong, maar vooral angst opwekte: hij duwde en kwakte en stootte tot hij won. En hij won ritten en puntenklassement in Tour, Giro en Vuelta. Abdoesjaparov combineerde het lijf van een Oezbeekse worstelaar met de gebroken neus van een bokser. Geen statige, atletische bokser zoals Joe Louis, Mohammed Ali of Sugar Ray Leonard, maar een potige handlanger van Al Capone of een Oost-Europese uitbater van cabardouzes.

Abdoe was de laatste topper van die school (Robbie McEwen misschien uitgezonderd), maar niet de enige. De Italiaan Marino Basso, een sprinter uit de jaren zeventig die in 1972 zelfs wereldkampioen werd. Basso klopte in de sprint van het WK Gap 1972 onder meer Cyrille Guimard - ook een man met boksersneus - en Eddy Merckx. In zijn indrukwekkende zwart-witte Scic-trui terroriseerde hij menige sprint in de Giro. Het was een tijd dat de valhelm nog lang niet verplicht was. Af en toe liet Basso zich dan ostentatief uitzakken tot bij de volgwagen, om opzichtig mét valhelm (toen nog zo’n riempjesmodel) op vooraan in het peloton terug plaats te vatten. De concurrentie wist dan: vandaag gaat Basso als het moet over lijken. Als antwoord op deze fysieke intimidatie, kwam er ‘de aantrekker’: een kolossale man met snelle benen die de echte sprinter moest lanceren. Roger De Vlaeminck bediende zich van een reus genaamd Ercole Gualazzini - de voornaam (Italiaans voor Hercules) verraadt al hoe gigantisch die kerel als pasgeboren baby moet geweest zijn - en Freddy Maertens had in zijn glorieperiode Marc Demeyer. Demeyer hield ervan te poseren terwijl hij Flandriaploegmaats Freddy Maertens en Michel Pollentier tegelijk omhoog stak: een vrolijke variant van Jerom op de achterflap van de Suske en Wiske-albums. Zij moesten hun kopman naar voren brengen, de sprint lanceren en terugduwen als Basso zijn ellebogen, lijf, kont, hoofd, vuisten en tanden gebruikte in plaats van alleen zijn benen.

In die zin is de hele ‘trein’ van de sprinter dus een evolutie-verhaal: het begon bij de aantrekker, de ‘nummer twee’, en het keert daar uiteindelijk ook naar terug: zonder die essentiële functie van voorlaatste man is de trein niet meer dan een tram. De Columbia-trein staat afgesteld op Renshaw, en Renshaw lanceert dan Cavendish. Dat is zo met super-korte treinen, zoals Gert Steegmans, voorlaatste man, die in de Tour van 2006 in Saint-Quentin Robbie McEwen zo spectaculair lanceerde dat de Lotto-sprinter in de laatste honderd meter leek te ontsnappen uit het peloton, in plaats van gewoon de sprint te winnen. En hoe Renshaw vorig jaar op de Champs Elysées eerst zichzelf en dan, in tweetrapsraket, Mark Cavendish lanceerde, zo majestatisch, zo autoritair, zo onwerelds: dat beeld geldt sindsdien als een van de meest klassieke eindsprints uit de Tourgeschiedenis: de waardigste afsluiter van de Ronde van Frankrijk waarvan de Champs Elysées tot nu toe getuige mocht zijn. Dat was vorig jaar. Dit jaar is er geen Parijs voor Mark Renshaw. En zit Mark Cavendish, ondanks zijn drie ritoverwinningen, met een probleem.

Maar had de jury wel een andere keuze dan uitsluiting? Veel renners vrezen dat de grens van wat (niet) kan echt wel is bereikt. Thor Hushovd, nochtans een Noor van stevig gabarit: “Er gebeurden beangstigende zaken in de sprint. Ik had echt schrik om me voluit in dat gevecht te mengen.” Met slechte afloop trouwens, want Hushovd is zijn groene trui, die een paar ritten terug nog bijna zeker rond zijn lijf zat, met een paar punten kwijt aan Alessandro Petacchi. Tyler Farrar: “Het was zo gevaarlijk om te sprinten.” Maar klacht wordt niet ingediend: “Dat doen we niet: Mark Cavendish zelf spurtte wel correct.”

“Een sprint is geen kindergarten”, schokschouderde Columbiasportdirecteur Rolf Aldag na de aankomst. “De tandem Renshaw-Cavendish is onklopbaar. Blijkbaar stoort dat. We vinden de jury-beslissing dus niet juist, zeker omdat Julian Dean helemaal vrijuit ging en geen straf krijgt.”

Pescheux: “Team Columbia moet eens leren dat ook andere teams recht hebben om te sprinten. De weg is breed genoeg voor iedereen. Voor mij is de beslissing tot schorsing excellent. Rien à dire.”

En de autocar van Columbia vertrok. Deuren dicht, renners stil. Niets meer te zeggen. Tenzij straks in Bordeaux of Parijs, of wie weet nog eerder, als er een antwoord komt van Mark Cavendish himself. Met de benen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234