Woensdag 08/12/2021

Zondagsdichters

Leent échte poëzie zich voor een begrafenis?

Het is in de relatief gesloten kringen van de poëzie zelf al langer bekend: er zijn veel meer mensen die poëzie schrijven dan mensen die het lezen. In diezelfde kringen wordt daar vaak over geklaagd: miljoenen verzenplegers tegenover - als je op de gemiddelde oplage van een dichtbundel afgaat - nog geen vijfhonderd verzenlezers. Er is veel onrechtvaardigheid in de wereld.

Analyses volgen: het onderwijs heeft schuld, de televisie treft alle blaam, de poëzie zelf is verantwoordelijk. In Medellín, in het gevreesde Colombia, is er ieder jaar een poëziefestival waar bij de opening tegen de tienduizend bezoekers blijken op te dagen - en dat is dan nog maar het begin. Wild enthousiaste poëzielezers, als je mag afgaan op het verslag dat Arjen Duinker recentelijk in De Groene Amsterdammer schreef naar aanleiding van zijn bezoek dit jaar. Dat zal te maken hebben met de mate van geëngageerdheid, die zelf weer verband houdt met de context waarin poëzie wordt gepresenteerd.

Ramsey Nasr vertelde ooit hoe, ik meen 'De geliefden', een gedicht waarin de ene geliefde de andere uit liefde vilt, in de Palestijnse gebieden onmiddellijk werd gelezen als een gedicht over Israël en de Palestijnen. In de schoot van de Nederlandstalige poëzie alleen zou een soortgelijke 'politieke' lezing onmogelijk zijn geweest. We zijn hier als de dood voor context, voor de ontvreemding van het gedicht aan zichzelf.

"Misbruik", noemde Kees Fens dat ooit in een prachtig stukje over zondagsdichters. Hij had het dan alleen over de manier waarop de eigenheid van een gedicht zich laat gebruiken voor bruiloften, partijen, begrafenissen en jubilea, voor de zogeheten 'grote gevoelens'. J.C. Bloem, Rutger Kopland en Slauerhoff noemde hij. De Coninck, kun je eraan toevoegen. Elsschot, al is die natuurlijk zijn eigen misbruik. En nog anderen.

Dichters die zich voor politieke standpunten laten 'gebruiken' vind je in onze lage landen toch veel minder (popmuziek is daarvoor beter geschikt). Het Westen heeft daarvoor trouwens altijd al leentjebuur gespeeld bij het toenmalige Oostblok (Herbert, Milosz, een handvol Russen) of het Zuid-Afrika van de apartheid (Breytenbach) - bij de Dissident, kortom. Die had niet eens het recht om het enkel over 'grote gevoelens' te hebben. Of over kleine. Vallende herfstbladeren, dat stond volgens ons bij zulke dichters niet voor het voorbijvlietende leven (een cliché van jewelste), maar bijvoorbeeld voor het individu dat aan ideologische dictaten ten onder ging. Of zoiets.

Die miljoenen verzenschrijvers intussen, associëren poëzie vrijwel uitsluitend met de 'grote gevoelens'. Voor een poëziekenner is een gemiddelde begrafenis niet te doen. Zelfs de Bijbel is door de nieuwe vertaling hopeloos verpest en van een goudmijn van taalrijkdom verworden tot Jip & Janneke voor Beginners. Het verdriet om de overledene gaat hand in hand met plaatsvervangende schaamte over de nabestaanden.

Het is een mooie paradox: dat de echtheid van het diepste, hoogste gevoel blijkbaar noopt tot het gebruik van woorden en taalvormen die door hun veelvuldig misbruik in het verleden volkomen leeg zijn geworden en daardoor vals klinken. Voeg daarbij de typisch Nederlandse traditie van het Sinterklaasgedicht (a-metrische, hotsende, botsende rijmelarij, soms op het ridicule af) - en men heeft alle ingrediënten waarmee Grote Gebeurtenissen vaak tot een niet-aflatende kwelling worden.

Maar toch (een andere paradox), échte poëzie op een begrafenis? Van die teksten waarin de onmacht tegenover het grote en diepe in het leven zozeer is gethematiseerd en doorgedacht, zozeer is losgemaakt van de directe aanleiding ook, dat de dichter de macht over de taal heeft teruggewonnen? Geen mooiere regel over die onmacht dan die van Hans Faverey: "ik zit met mijn gezicht naar de muur waaruit ik bloed" - maar voor de begrafenis zelf komt zo'n regel eigenlijk nog te vroeg. Achteraf verwoordt ze precies wat het is: dat onbegrijpelijke staren naar wat er niet meer is, dat tot bloedens toe met je kop tegen die muur lopen. Maar op het moment zelf denkt men, zo men al denkt: help! En niets anders. Laat staan dat men op een gedicht van Faverey zit te wachten.

"Poëzie begint daar waar er voorlopig niets te delen lijkt en ook niet bij voorbaat op een delen van het bekende gerekend wordt", schreef Fens in zijn stukje. Dat is tot op vrij grote hoogte waar, al klopt het dan niet helemaal. Maar Het Poëtische, dat wat mensen in een opperste staat van ontroering naar de pen doet grijpen om, ongeoefend als ze zijn, cliché na nietszeggend cliché te produceren, begint al veel eerder: bij het verlangen te delen. En uiteindelijk hoort men in de woorden van de rouwenden, van de oude trouwe collega van de jubilaris, van de beste vriend(in) van de bruid(egom) niet eens zozeer wát ze zeggen, maar wat ze wíllen zeggen: dat onzegbaar grote waarbij de echte poëzie bestaat.

Marc Reugebrink

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234