Maandag 14/10/2019

ZOMERVERHAAL

De vrouw kwam me vaag bekend voor. Hoe haar ogen waren opgemaakt, de pronkerige, Afrikaanse juwelen uit ergens een winkelcentrum. Thomas zocht mijn blik. Ik zag dat ook hij geen flauw idee had wie deze vrouw was. De man die haar op de voet volgde was ons al even onbekend. Maar het koppel kende ons, ze gebruikten onze namen met een grote vanzelfsprekendheid: Thomas en Julie. Ze zeiden dat het lang geleden was, veel te lang, en ik meende in de stembuiging van de vrouw te horen dat wij daarvoor verantwoordelijk werden geacht.

Ze kuste me op de wang, een beetje veraf, maar dat kon te maken hebben met mijn eigen reserve. Toen boog ook de man zich naar me toe, en wel voor een ouderwetse smakkerd die te horen was boven de drukte in de gigantische vertrekhal van de luchthaven en waar de man erg om moest lachen. In één beweging door greep hij de hand van Thomas en trok hem dichterbij voor net zo'n smakkerd. De vrouw sloot de begroeting af. Ze legde daarbij een hand op de schouder van mijn man en kuste hem naar mijn gevoel een fractie te traag, behoedzaam bijna, bang om het contact met zijn wang abrupt weer te verbreken.

Ze gingen naast ons staan, buiten de lange rij wachtenden. Hun bagage stond verderop. Ze hadden ons van ver herkend. De man zei dat het niet zo moeilijk was geweest. Ik ging ervan uit dat hij zinspeelde op de donkergekleurde mensen in de rij. Ik keek voortdurend naar Thomas om te zien of hem iets daagde. Was dit een vriendin van Sofie? Kende hij de man ergens van? Ik bladerde als een gek door mijn herinneringen aan partijtjes bij Sofie thuis. Zij was de enige onder ons met vrienden uit het verre verleden, kinderen van buren, vriendjes van de muziekles, klasgenoten in de lagere school, contacten die ze nauwgezet in ere hield uit een misplaatst gevoel van trouw of schuld, mensen met wie ze uiteindelijk niets gemeen had buiten een handvol verbleekte anekdotes, en die de rest van de feestelijke avond in een hoekje een glas dronken, het eerst weer naar huis vertrokken. Hoe stonden wij op vertrouwde voet met dat soort vrienden van vrienden? Thomas had een bloedhekel aan het kniebroek-type met ringbaardje, dat hem net joviaal gekust had.

Het bleek dat we dezelfde vakantiebestemming hadden. De vluchten naar deze uithoek van de wereld waren schaars. Hoe lang bleven wij? En zij? Een vrolijk gevoel van opluchting dat we alvast niet ook op de terugreis met die mensen geconfronteerd zouden worden. Misschien waren Thomas en ik daardoor bereid om het spel even mee te spelen. Het was als op een drukke nieuwjaarsreceptie, iedereen opgewekt, straks zouden we andere mensen spreken. We hadden het over het weer. Over wat we konden verwachten van het tropische klimaat waar we over een uurtje of zeven in zouden landen.

Dertigduizend voet boven de Indische Oceaan hurkten ze naast ons in het gangpad. Hij hield een flesje Jack Daniel's in zijn hand, knipoogde toen hij het naar zijn mond bracht. Zij hield een glas wijn naast haar oor als was het een accessoire bij haar jurk. We hadden onbelemmerd zicht op haar samengedrukte, slappe borstjes. Thomas had er kennelijk genoeg van en vroeg met zijn hand aan zijn hoofd, gravend in zijn geheugen, waar we elkaar toch het laatst hadden getroffen, het was zo lang geleden. Toen viel de naam. Het bleek dat we elkaar hadden ontmoet bij Alexandra. De naam viel als een steen in een rimpelloze vijver. We waren op een dramatische manier gebrouilleerd geraakt met zijn ex-vriendin. Het besef dat de schuld bij ons lag, en dat iedereen dat wist - de schaamte maakte dat we nooit meer over Alexandra of het voorval hadden gepraat. Thomas veranderde van onderwerp. Toen bleek dat de man en de vrouw in hetzelfde resort verbleven als wij.

Voor de landing keek Thomas mij aan en zei dat de twee logen. Hij had een beter geheugen dan ik. Hij kon niet geloven dat we die mensen al eens hadden ontmoet, laat staan meerdere keren.

We keken in stilte door het raam, naar de dichte, uitbundige begroeiing onder ons. Er was alleen maar dat gesloten groen, zo ver we konden kijken, nergens een teken van beschaving. We leken langzaam uit een blauwe hemel neer te storten in de wildernis.

"Maar we moeten hen toch kennen", zei ik. "Ze wisten onze namen, ze kennen Alexandra."

"Nee", zei hij. "We kennen die mensen niet."

We beschikten over een kamer met airco in het hoofdgebouw en over een hut met bediening in de baai.

Ik ving een glimp op van de man bij het ontbijt. Wij waren laat, hij zat met een laatste kop koffie de International Herald Tribune te lezen, terwijl het personeel de tafel afruimde. Hij zag er anders uit als je hem niet hoorde praten of lachen, als je niet zijn behaarde sportkuiten zag, als hij aan een tafeltje in zichzelf gekeerd zat te lezen. Strenger. Slimmer. Hij keek niet één keer op. Hij zat niet op de uitkijk. Hij was een man op vakantie.

De vorige nacht hadden Thomas en ik liggen woelen. We hadden niets gezegd, we zaten verstrikt in onze gedachtekronkels. Thomas raakte altijd erg opgewonden als we een nieuwe hotelkamer betrokken, de deur was nauwelijks op slot of hij rukte me de kleren van het lijf. Ik hield ervan om hem zo te zien. Hoe hij ons in elke spiegel zocht, hoe hij me onbeschaamd bekeek, tikken uitdeelde. Maar gisteren had ik alle tijd gekregen om onze spullen uit de koffers te halen en een plekje te geven in de kleerkast en de badkamer. Daarna was hij met een boek naar de bar getrokken. We hadden gegeten, gedronken, de hitte van onze huid gespoeld en we waren op bed gaan liggen om te slapen.

In de hut keken we uit op de branding en de smaragdgroene zee. Ik weet niet of het met opzet was gedaan om tegemoet te komen aan een zekere koloniale weemoed, maar op het rieten tafeltje stond een bel om de bediende te roepen. We lagen op zachte kussens, we lazen de bestsellers van het ogenblik, we tuurden door onze zonnebrillen en dronken kleurige drankjes die in grote glazen met veel ijs en parasolletjes en flinke stukken fruit gepresenteerd werden.

De derde dag trok een deel van de gasten op uitstap. We gingen vissen met de inboorlingen. We hadden de man en de vrouw sedert onze aankomst niet meer gesproken en maar sporadisch van een afstand zien lopen, zij altijd een paar passen voor hem uit. Toen de deur met een zucht dichtklapte, zaten ze niet in het busje. Thomas keek lang over zijn schouder naar de ingang van het hotel. De chauffeur schakelde en de bus kwam in beweging. We keken door de grote voorruit en zeiden tegen elkaar dat we blij waren. We zeiden dat we opgelucht waren dat we niet met hen hoefden te praten. We klonken als kinderen zo nadrukkelijk.

We waren man en vrouw, we zochten steun bij elkaar.

In de boot omklemde ik zijn middel en vlijde mijn hoofd tegen zijn borst. We waren de enigen die zo zaten. De frisse wind speelde in ons haar, de visser voor op de boot was gespierd en zwarter dan de bedienden in het resort. Het water dat schuimend opwaaide van de boeg pletste op zijn blote borst, drupte langs zijn benen. De rand van zijn voetzolen was meisjesachtig roze.

Thomas was het eerst aan de beurt. Ik keek hoe de zwarte man hem snel enkele knepen van het vak leerde. Hij stond achter Thomas, die moeilijk zijn evenwicht vond, klaar om te helpen als dat nodig was. 's Avonds werd de vis die Thomas gevangen had boven een houtvuur bereid aan onze tafel. We zaten buiten, de vissers onder de gasten aten op het terras, elk met hun trofee boven een houtvuur. Thomas had niet de grootste gevangen maar ook niet de kleinste. Het vlees kwam in glanzende parten van de graat. We stelden ons de vraag of we ooit zo lekker hadden gegeten en aten in stilte verder.

"Hier zijn jullie", zei de vrouw.

"De tortelduifjes", zei de man.

"Wat een beest", zei de vrouw, met spitse vingers een partje uit de vis plukkend.

Ze droeg een witte rok en een witte blouse. Dit en de snel vallende avond gaven haar huid een chocoladebruine kleur. De split van haar rok reikte hoog op haar dijbeen, het bleke lijntje van haar bikinislip was zichtbaar. Ik bedacht dat ze geen ondergoed kon dragen; een verzoek van hem. Hij leek me geduldig en slim.

We praten wat, over het eten, het vissen, de hitte.

We nodigden hen niet uit om aan te schuiven, en na een tijd vertrokken ze hand in hand naar hun kamer, na ons goedenacht te hebben gekust.

Voor het slapengaan ging ik onder koud water staan. Ik waste me en bleef vervolgens minuten staan. Het water was niet helemaal koud. Midden in de nacht schrok ik wakker van een schreeuw uit het oerwoud. Thomas sliep. Een dier, hier was het natuurlijk een dier, hier klonken dieren als mensen. Ik ging weer liggen. Als ik traag de lucht over mijn tong en verhemelte haalde, kon ik licht de geur van de man onderscheiden, die nog op mijn wang zat.

Wat me het meest aan de bestsellers stoorde, was hun eindeloosheid. Hoe konden deze boeken spannend worden genoemd? Honderden pagina's aan het lijntje worden gehouden over wie het nu gedaan had, af en toe maar een hapje worden gevoerd op het eind van een hoofdstuk, als was je een hond op training. Ik vond het denigrerend. Ik maakte me druk en tegelijk kon het me allemaal geen barst schelen. Ik lag voornamelijk naar de zee te kijken. Ik had genoeg aan de branding; de onophoudelijke brul sloot me af van de wereld. Thomas zei dat ik gewoon de verkeerde titels had gekozen. Zijn boek was spannend. Hij zei dat ik misschien te veel verwachtte van zo'n boek. Hij zei dat de mensen erin die ik ongeloofwaardig vond vast ergens in het echt bestonden. De wereld was een vreemde plek. Hij keek me aan.

We luierden de dag door. We dronken parelende kelken cocktail. Het was tegen een uur of drie dat Thomas zei even uit de hitte te willen verdwijnen en naar de kamer vertrok. Hij gaf me zijn boek, ik zou het merken, het was meteen spannend.

Een uurtje later hield ik het niet meer vol.

Ik liep terug langs het zwembad.

Het was hoe zijn handen langzaam over die slappe borstjes gingen. Heen en weer. Eerst zag je alleen maar zijn handen en toen floepten de twee glinsterende huidzakjes tevoorschijn. Thomas zat wijdbeens aan het hoofd van haar ligstoel, zijn kruis tegen haar kruin. Hij masseerde de zonnebrandolie in haar huid. Het was een beeld dat me helemaal tot stilstand bracht. Mijn lichaam stopte, mijn geest sloeg af, werd uitgezet als een radio.

De man was er in mijn beleving bijna meteen, achter me, zijn handen op mijn heupen. Hij zei: "Laat die twee maar."

De eerste meters besefte ik nauwelijks dat ik aan de hand van een andere man liep. Daarna was het te laat. Over de verblindend witte stenen liepen we tussen palmbomen in de richting van het hotel, een plechtig gebouw dat met een dozijn ramen gelaten naar de zee staarde.

Peter Terrin

► Geboren in Tielt in 1968.
► Schrijver van romans en korte verhalen.
► Maakte zijn romandebuut met Kras in 2001.
► Won in 2012 de AKO Literatuurprijs voor zijn roman Post Mortem.
► Laatste roman: Monte Carlo (2014), waarmee hij de shortlist van de Libris Literatuur Prijs haalde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234