Maandag 06/07/2020

Zomercolumn Griet Op de Beeck

Doe mij maar onzekerheid, dan is er tenminste nog hoop. Dat zegt ze, Sonja. Het meisje dat beter kan dromen dan leven. Dat zoekt en niet durft te vinden. Dat er maar niet in slaagt om van zichzelf te houden, ook niet een heel klein beetje. En dat zo ongewild haar eigen lot bepaalt.

Ik geloof dat ik Tsjechov misschien wel de sterkste klassieke toneelauteur vind van allemaal. Verbazingwekkend hoe hij portretten maakt van de Russische samenleving in de negentiende eeuw die evengoed over vandaag lijken te gaan. Of misschien is dat ook niet vreemd. Want hij was een echte schrijver. Iemand die met juist gekozen woorden de werkelijkheid zo weet te vatten dat die elke anekdotiek overstijgt. En het was waarschijnlijk altijd al moeilijk om voluit te leven. En angst is vast van alle tijden. En voelen iets van alle mensen. En mekaar verstaan in alle talen een opdracht. En het geluk vinden nooit en voor niemand simpel.

En ook al zijn er veel geweldige toneelteksten geschreven, door Tsjechov en anderen, Oom Wanja blijft voor mij een van de allermooiste stukken. Omdat er zoveel in verlangd wordt. En verloren gelopen. En slecht geluisterd en te weinig gekeken. En doodgezwegen. En uit de weg gegaan. En evengoed dapper geprobeerd en keihard volhard, ondanks alles. Zoals wij allemaal doen, of toch velen onder ons.

Het verhaaltje is simpel. Sonja en haar nonkel, Wanja, overleven op een landgoed, ver weg van alles, met een meid, Wanja's moeder en Sonja's peter in één huis. Af en toe krijgen ze bezoek van Astrow, een dokter die in zijn vrije uren ook milieuactivist avant-la-lettre speelt, maar verder gebeurt er weinig. En dan komt Serebrjakow, de vader-slash-schoonbroer op bezoek met zijn nieuwe, ravissante vrouw: Jelena. Op dat moment verdwijnen zekerheden en wordt orde lichte chaos. Opeens zien mensen spiegels passeren en overwegen ze zelfs om er in te kijken. Hoe gevaarlijk dat ook is. Wat lezers en toeschouwers zien, blijft voor hen onduidelijk: allemaal staan ze bovenal zichzelf in de weg. Het recept voor grote tragiek. En tragiek, dat is bijna altijd mooi om naar te kijken. Misschien omdat het prettiger is om dat te zien in de kunsten dan mee te maken in het echte leven.

Ik heb al heel wat opvoeringen van Oom Wanja geweten, maar het was die van Luk Perceval, bijna tien jaar geleden, die mij echt tot tranen toe wist te ontroeren. Omdat hij met zijn acteurs deze Tsjechov terugbracht tot zijn blootste essentie. Ik herinner mij de openingsscène. Alle figuren zitten op een rij. Zichzelf te zijn. Ze zeggen niks. Wij mogen hen bekijken. Perceval kiest ervoor om zijn acteurs op en over de rand van de karikatuur te laten spelen. Sonja, een heerlijke Ariane van Vliet, met bril, tuttige kleren en eindeloos verkrampte springerigheid, Astrow met baard, hoed, bril en de knieën stevig tegen mekaar, Gilda De Bal als een dramatisch, zeurderig meubelstuk van een moeder, Vic De Wachter als Wanja keurig in het dichtgeknoopte pak: een blok beton waar geen beweging in te krijgen valt, toch niet op het eerste gezicht. Een mens zou denken dat uitvergroting nuances weg gumt, gevoelens ondersneeuwt, inleving moeilijker maakt, en het tegenovergestelde bleek waar. Hoe deze ploeg dat geflikt heeft, blijft mij tot op vandaag een raadsel. Maar het werkte. Eindeloos bleven ze op die stoelen zitten. Een gouden regievondst, maar ook een symbool voor al hun onvermogen, hun getrappel ter plaatste. Hoe meer ze daar toch van loskwamen, hoe heftiger deze enscenering werd, hoe dichterbij de dingen kwamen. Daar in dat rode pluche van de Bourla. Al hun eenzaamheid. Hun vergeefse veel willen en verwachten. Hun verdriet. Hun stilte. Hun schreeuwen. Ik herinner mij hoe het zich opstapelde, al die gedachten en emoties, bij mij vanbinnen. Hoe ik voelde dat ze zouden komen, die tranen. Hoe de mijnheer die naast mij zat - hij rook naar het frietvet waar hij zijn avondmaal in had bereid - al vijf keer op zijn horloge had gekeken en zes keer anders was gaan zitten, en er dus duidelijk geen hol aan vond, dat hij geen zaken had met mijn kijken, dat ik dat vond, en dat ik dus probeerde om ze niet te laten rollen, maar ze vast te houden in die ooghoeken waar ze veilig zaten, maar dat dat dus niet wou lukken. En dat de vriend die naast mij zat, keek en glimlachte, alsof hij wou laten voelen dat hij het ook kon voelen. Huilen in theater kan helpen, heb ik toen gemerkt. Om los te laten. Om niet die verstikkende hopeloosheid vast te houden, maar de blijheid om een mooie voorstelling. En hoe ik nadien vrolijk werd van de vrolijkheid van de spelers en de regisseur die hoorden dat het goed was.

Ik huil niet vaak in theaters. Misschien in al die jaren een keer of vijf. Maar als het gebeurt, zit zo'n productie wel voor eeuwig in het geheugen. In flarden, sferen en herinnerde emotie. Mooier kan toneel niet worden. Voor één keer echt gered van de vergankelijkheid die onontkoombaar in deze kunstvorm vervat zit.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234