Woensdag 08/02/2023

InterviewDirk De Wachter

‘Zolang ik bijwerkingen voel, leef ik nog’: psychiater Dirk De Wachter

null Beeld Bob Van Mol
Beeld Bob Van Mol

Psychiater Dirk De Wachter (62) vond in zijn hellejaar waarin kanker regeerde veel troost. Het overschot ervan wil hij nu delen met zijn nieuwe boek Vertroostingen. ‘Statistisch gezien is de kans dat ik over vijf jaar nog leef 40 procent. Daar ga ik ten volle voor.’

Lotte Beckers

In de gang is het laveren tussen potten verf, de keuken is afgedekt met plastic zeilen. Dirk De Wachter laat zijn statige herenhuis opnieuw schilderen en behangen. Een onderneming die getuigt van hoop in de toekomst, grapt hij. “Ik hoop nog lang te leven, en anders is het huis ook in orde.” Want, zoals u vast al weet, werd bij ’s lands bekendste psychiater ruim een jaar geleden darmkanker met uitzaaiingen vastgesteld, een zeer ongunstige diagnose.

Inmiddels is De Wachter enkele zware operaties en chemokuren verder en stelt hij het wel. “Zo goed als mogelijk, gezien de omstandigheden.” Hij geeft weer les, behandelt weer patiënten in het psychiatrisch ziekenhuis in Kortenberg en ook zijn privépraktijk is weer open, zij het op een lager pitje. “Ik denk niet constant aan mijn ziekte maar ik voel mij wel erg vermoeid, wat nogal tegen mijn natuur is. Ik werk niet meer, zoals vroeger, tot diep in de nacht maar kruip nu tijdig mijn bed in. Mijn vrouw zegt vaak dat ik nog normaal ga worden.”

U hebt een boek geschreven over het afgelopen jaar. U hebt al interviews gegeven sinds u ziek bent maar dit is de eerste keer dat u zo expliciet over de kanker schrijft.

“Ik heb lang getwijfeld, maar mijn gemediatiseerde status maakte het nogal onvermijdelijk. Ik heb nooit expliciet gezegd aan welke kanker ik leed, en dan komen de mails: mensen die ik niet ken en die vragen wat ik dan precies heb. Kom, dacht ik toen, laat ik ineens echt zeggen waar het over gaat.

“Maar het boek is vooral ontstaan door de vele reacties die ik kreeg toen ik voor het eerst over mijn ziekte sprak. Veel mensen herkenden zich daarin en voelden zich getroost. Door te schrijven over wat mij het afgelopen jaar heeft getroost, kan ik met al mijn miserie toch nog iets goeds doen en iets betekenen voor de mensen.”

Tegenwoordig voelen veel mensen die iets dramatisch hebben meegemaakt de nood om daar een boek over te schrijven.

“In de literatuur is autofictie ook zeer populair. Voor mij was dat een belangrijke reden om het boek niet te schrijven. Ik heb altijd veel kritiek geuit op de emocultuur en nu sta ik daar zelf middenin. Maar blijkbaar werkt het zo. Het grote publiek heeft zeer veel nood aan persoonlijke getuigenissen, ze hebben daar iets aan. Ik heb geprobeerd om mijn verhaal niet te dramatisch op te schrijven en ik hoop dat het een zekere universele betekenis kan hebben zodat het niet alleen over mij gaat, al is mijn individuele ervaring wel de toegangspoort.

“Want ik heb eigenlijk een heel goed jaar gehad. Raar hé, want ik heb natuurlijk ook een vreselijk jaar gehad. Ik heb lang in het ziekenhuis gelegen na een zeer zware operatie en daarna kreeg ik chemo. Dat is echt afschuwelijk. Die misselijkheid, dat zou ik echt niet meer willen meemaken. Maar tegelijk ben ik zo liefdevol omringd, in de eerste plaats door mijn vrouw, mijn kinderen en mijn goede vrienden. Maar ook door de vele mensen die me lieten weten dat ze aan me dachten. Dat is iets waar je enorm gevoelig aan bent, op zo’n moment.”

U werd het voorbije jaar overspoeld door reacties.

“Het is crazy, potsierlijk, oneerlijk en beschamend ook. Want er zijn zoveel mensen met kanker die het slechter stellen dan mij en niets krijgen. Maar aan de andere kant heb ik er ook heel veel deugd van gehad. Mensen die ik niet ken maar die me een foto van een kaars sturen, in een kerk in Parijs, met het bericht dat ze aan me denken. Iemand die een zakje thee voor me achterliet aan de voordeur. Ik krijg 200 mails per dag, maar ook veel handgeschreven brieven.

“Meestal zijn het mensen die zelf van alles voorhebben, vaak kanker. Vroeger kreeg ik ook veel berichten van mensen die me hun verhaal deden en vroegen of ik kon helpen, maar nu ik vanuit mijn eigen kwetsbaarheid spreek, wensen ze me goede moed. Of ze vertellen dat ze zelf kanker hebben maar dat ze nog leven, of over hun vrouw die eraan is gestorven.”

Kan u daar mee om?

“Statistisch gezien is de kans dat ik over vijf jaar nog leef 40 procent. Mijn vrouw en ik zijn artsen, wij weten heel goed wat dat betekent. De kans dat ik zal sterven is groter dan dat ik zal leven. Maar ik ga ten volle voor die 40 procent. Ze gaan mij niet hebben, denk ik dan. Daar leef ik van, dat is mijn drive. Ik ben altijd een gedreven mens geweest. Op dit moment kan ik nogal stoïcijns omgaan met de situatie. Of dat zo zal blijven, dat weet ik niet. Mocht ik een nieuwe uitzaaiing krijgen, wat de prognose zeer ongunstig zou maken, dan weet ik niet of ik rustig kan blijven. En net als iedereen heb ik schrik om af te takelen. Veel mensen vragen me naar de aha-erlebnis, maar die is er niet. Ik heb geen andere inzichten opgedaan over het leven of de dood, evenmin heb ik plots een bucketlist.

“Maar de meeste mensen sturen me bemoedigende, troostende verhalen. Heel zeldzaam zijn de kwaadaardige verhalen, iemand die schrijft: onnozelaar, met je interessantdoenerij. Ik zit alleen in de miserie en niemand kijkt naar mij.”

Dirk De Wachter. Beeld Bob Van Mol
Dirk De Wachter.Beeld Bob Van Mol

Antwoordt u daarop?

“Ja, meestal wel. Dan zeg ik: excuseer, het is inderdaad niet eerlijk. Het voorbije jaar heeft bevestigd wat ik al zo lang zeg: de nabijheid van een ander is essentieel in ons bestaan, zeker op kwetsbare momenten. Maar er zijn zeer veel mensen die dat niet hebben. Ik dacht: als ik de troost die ik heb gekregen met dit boek kan doorgeven aan anderen, dan geef ik tenminste iets terug.”

U staat bekend als een celebraal man. Hoe is het om plots zo geconfronteerd te worden met uw lichaam?

“Een psychiater is toch ook iemand die vanuit het hart werkt. Mijn vak is zeer gevoelsmatig en intuïtief.”

Maar dat is toch nog iets anders. Laten we zeggen dat u geen sportman bent.

“Dat is een eufemisme (lacht). Ik was als kind niet goed in sport en dan doe je dat niet. Nu voel ik mijn lijf wel, in de slechte zin, en dat is lastig. Maar zolang ik mijn lijf voel, leef ik natuurlijk nog. Ik wil heel lang bijwerkingen hebben. Door de chemo heb ik geen gevoel meer in mijn voeten en vingers. Dat is vervelend maar daar valt mee te leven. Mijn non-sportiviteit komt me nu eigenlijk goed uit. Mocht ik sportief zijn, dan zou mijn fysieke toestand heel beperkend zijn. Maar ik kan nog steeds doen wat ik altijd heb gedaan.”

In uw boek beschrijft u hoe belangrijk een warm contact met de dokters en verpleegkundigen is. Dat is heel herkenbaar voor iemand met veel ziekenhuiservaring. Ik herinner me nog heel goed de lieve verpleegsters, en ook die ene die heel bot was.

“Ik ben normaal een topslaper, de beste van het land. Maar in het ziekenhuis sliep ik niet. Ik lag daar, en ik had zoveel nood om met iemand te spreken. De verpleegkundigen doen fantastisch werk, maar die hebben daar geen tijd voor. Ze kwamen binnen om een spuitje te geven of een verband te wisselen, en dan waren ze weer weg. ’s ochtends kwam de poetsvrouw binnen en ik vroeg haar: mag ik even met u spreken. Die vrouw vond dat een beetje raar, en of ik Engels sprak?

“Ze heeft mij haar verhaal verteld. Ze kwam uit Tibet, waar ze gevlucht was voor de Chinese onderdrukking. Ze is eerst naar India gereisd en is dan via Duitsland in België terechtgekomen. Een boeiend verhaal, prachtig. En ik werd weer mens. Het vlees dat daar lag te liggen, werd weer bemenst. Zo zeg ik dat: wij mensen niet vanzelf, wij worden bemenst door de blik van de ander. Daar, in de ziekenhuiskamer, was dat heel letterlijk zo. Na tien minuten zei die dame dat de kamer niet gepoetst was. Dat vond ik niet erg, het was er heel proper. Die blik, dat verhaal, dat was veel belangrijker.”

U kent de medische wereld goed. Is er nog voldoende aandacht voor dat menselijk contact?

“Ik heb binnenkort een lunch met de CEO van het UZ Antwerpen en ik ga hem dat verhaal vertellen. Ik kan maar gebruikmaken van mijn status om dingen aan te kaarten waar wellicht veel mensen die in het ziekenhuis liggen mee worstelen, en de verpleegkundigen en artsen wellicht ook.

“De eerste keer dat ik chemo kreeg, liep er een arts in de zaal die ik toevallig nog kende van tijdens mijn studies. ‘Dirk, amai, wat doe jij hier?’ Daarna is ze elke chemobeurt bij mij komen zitten om wat te babbelen, want dat was volgens haar de beste afleiding. Dat heeft mij ook ongelooflijk deugd gedaan, maar ik vroeg me wel af hoe ze dat deed, want artsen hebben nooit tijd. Ze vertelde mij dat ze halftijds werkt, daardoor heeft ze tijd om wat langer bij haar patiënten te blijven. En de managers kunnen daar niets van zeggen, want ze doet dat in haar vrije tijd. Dat is toch ongelooflijk?

“Dat heeft me erg doen nadenken over het tijdsgebrek in de medische wereld. Zeker het universitair systeem is een heel opgejaagd systeem waarin je moet presteren en cijfers halen en economisch denken. Het is moeilijk om dan nog voldoende aandacht te hebben voor je patiënten.”

Valt het u op dat er tegelijk ook meer dan ooit aandacht is voor dood en rouw? Er worden podcasts en boeken over gemaakt, er zijn steeds meer rouwconsultenten.

“Ik citeer vaak Heidegger: Das Sein zum Tode. Of leven met het besef dat het leven eindig is. Veel mensen zijn daarmee bezig en dat is begrijpelijk, ook omdat de kerkelijke structuren die vroeger de rouw een stukje stuurden, verdwenen zijn. De kerk nam dat van je over - de begrafenis had een bepaalde structuur, er was een rouwperiode... Ik spreek nu over twee generaties geleden maar die praktijk heeft toch lang doorgewerkt in dit Vlaamse land. Dat had zijn voor- en zijn nadelen: je kon je daar een beetje in laten meevoeren, maar het afscheid was niet echt persoonlijk.

“Nu moet iedereen zijn eigen weg daarin vinden en zijn eigen rituelen bedenken. Je ziet dan uitvaarten met powerpoints of muziek van Rammstein of André Rieu. Maar de nood aan rituelen is zeer groot. Zelf ben ik daar nog niet zo mee bezig geweest. Ik wil niet zo ver gaan als mijn uitvaart regelen.”

Het toont ook aan dat de nood aan gedeelde verhalen over de dood en rouw zeer groot is.

“Dat was altijd al de essentie van mijn verhaal: de verkruimeling van de samenleving. Dat het belangrijk is dat we niet alleen bij een hooggeschoolde psychiater terechtkunnen, maar ook bij elkaar. Ga eens iets drinken met een vriendin en vraag hoe het is. Je hoeft dan niet de therapeut uit te hangen, maar luister en maak tijd. Helaas hebben wij vaak, net zoals verplegers en dokters, weinig tijd voor onze vriendenkring, tenzij voor plezantigheid.”

Dirk De Wachter. Beeld Bob Van Mol
Dirk De Wachter.Beeld Bob Van Mol

Wat me trof in uw boek, was een terminale patiënt van u die zeer boos was over zijn nakende dood.

“Ik mag daar niet te veel over praten omdat mijn vrouw en kinderen daar triestig van worden, maar ik hoop dat als ik niet goed evolueer, dat ik een ziekenhuisbed kan zetten in mijn woonkamer. Ik heb een mooi huis met veel kunst, boeken en muziek. Een soort Wunderkammer van herinneringen van het leven. Als het niet meer gaat, hoop ik dat ik daar op een serene en contentige manier afscheid kan nemen, omringd door mijn geliefden. Maar ik weet dat niet, ik ken mezelf ook niet in die situatie. En ik kan dat nu rustig vertellen, maar soms word ik ook overmand door gevoelens. Dat mag ook, zeker?”

U schrijft dat de dingen die u het afgelopen jaar getroost hebben, net de dingen zijn die we misten tijdens corona: nabijheid, aanrakingen, het samen beleven van schoonheid.

“Ik hoop dat we nu goed beseffen hoe belangrijk het is om elkaar liefdevol aan te raken - elkaar vastpakken, een hand geven. Ook in mijn consultaties vind ik het zo belangrijk om mensen een hand te geven en zo nabij te zijn. Ik had alle begrip voor de maatregelen, maar die mondmaskers waren een enorme handicap voor mijn vak omdat de gelaatsexpressie zo belangrijk is.”

De lockdowns zijn voorbij en toch lijkt het alsof er een mentale nasleep is die moeilijk te omschrijven is. Voelt u dat ook?

“Geestelijke gezondheid sluimert onderhuids, is subtiel en moeilijk meetbaar. Ik heb een tijdje alle publicaties over covid en geestelijke gezondheid laten bijhouden, maar het zijn er inmiddels duizenden en ze zijn niet allemaal van goede kwaliteit. Ze spreken elkaar ook tegen.

“Maar er zijn vast gevolgen die we nog niet kunnen inschatten. Het aantal echtscheidingen en gezinsgeweld zijn tijdens corona gestegen. Die cijfers zijn inmiddels genormaliseerd maar die effecten zijn langdurig. Sommige mensen zijn niet meer uit het isolement geraakt. Je ziet bijvoorbeeld een significante toename van eetproblemen bij jonge meisjes. Steeds meer mensen vallen uit met een burn-out. Wie al wat op die rand van mentale kwetsbaarheid zat, is erover geduwd. Maar corona heeft op zich niets nieuws gebracht, het heeft wel bestaande problemen in een versnelling gezet.”

Ik hoor vaak dat de theaters moeite hebben om volk te lokken, terwijl we tijdens corona niet liever wilden dan naar buiten gaan.

“Ik hoor dat ook. De digitalisering is enorm toegenomen. Mensen kijken op hun eentje thuis naar een serie, ze eten een maaltijd die ze online hebben besteld en bezoeken hun vrienden via Instagram. Maar ik denk dat de mens nood heeft aan fysieke nabijheid, aanrakingen, elkaar in de ogen zien. In het echt, niet via een scherm. We moeten daar echt meer oog voor hebben. Als psychiater kan ik niet iedereen ontvangen, we moeten elkaar meer ontvangen. Daarmee zeg ik toch niets raars?”

Vertroostingen, Dirk De Wachter, Lannoo Campus, 240 p., 24.99 euro.

null Beeld RV
Beeld RV

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234