Zaterdag 16/01/2021

'Zolang er nog een Afghaan leeft, gaat de oorlog door'

Zijn vriendschap met Amerika wortelt in een gezamenlijk leed. 'Toen wij ons uit Afghanistan terugtrokken, hebben de Vietnam-veteranen ons geholpen met de traumaverwerking. Zij en wij hebben precies hetzelfde doorgemaakt.' Aleksandr Kotenjov laat een foto zien van een bezoek aan zijn Amerikaanse vrienden in New York, de tweelingtorens van het World Trade Center sieren nog de skyline.

Moskou

Van onze correspondent

Suzanna Jansen

Professor doctor Kotenjov is directeur van het Moskouse Instituut voor Historische Antropologie, en universitair docent aan de Parijse Sorbonne. Maar zijn maatschappelijke status kan niet verhullen dat hij eerst en vooral een Afghanistan-veteraan is: zijn oorlogservaring heeft zijn verdere carrière bepaald. In zijn appartement in hartje Moskou serveert hij thee met een caramelsmaakje, "speciaal uit Parijs meegebracht". Een goedlachse man in een grote leren stoel. Het stapeltje boeken waarvan hij (co-)auteur is toont zijn specialisme: Etnische conflictkunde, Archetypen van macht. Zijn proefschrift gaat over de "nationale en etnische aspecten" tijdens de sovjetbezetting van Afghanistan.

Kotenjov maakt zich zorgen over de Amerikaanse plannen voor een aanval op de hoofdverdachte van de 11-septemberaanslagen, Osama bin Laden, en diens gastheren van de Taliban.

Zijn advies aan George Bush: "Laat niet de beste mannen en vrouwen van Amerika sterven in Afghanistan, want ze sterven er voor niets." Hij spreekt uit ervaring. Eind 1979 diende hij als officier van het Rode Leger in de DDR, toen zijn hele divisie werd overgeplaatst. Op kerstavond van dat jaar viel de Sovjet-Unie de zuiderbuur binnen om een marxistisch regime in het zadel te helpen. Een paar weken later rukte de colonne met Kotenjov op naar de stad Kunduz, niet ver van de sovjetgrens, en al op dag twee vielen de eerste slachtoffers.

De Russische aarzeling om mee te werken aan een Amerikaanse militaire operatie is niet alleen ingegeven door geopolitieke motieven, al heeft het Kremlin liever geen Navo-troepen in de Centraal-Aziatische 'achtertuin'. De terughoudendheid is vooral gebaseerd op hun traumatische ervaring: de Russen zijn ervan overtuigd dat een oorlog in Afghanistan niet gewonnen kan worden.

Net als het machtige Britse Rijk dat in de 19de eeuw drie keer door de Afghanen werd verslagen, zo ook moesten de Sovjets zich in 1989 na tien jaar met de staart tussen de benen uit het ruige gebied terugtrekken. Al sneuvelden er zo'n vijftienduizend sovjetsoldaten, en een nog veel hoger aantal Afghanen, geen enkel doel, politiek noch militair, werd bereikt. Integendeel: de 'zinken jongens', zoals de gedode soldaten in hun metalen doodskisten werden genoemd, wakkerden de onvrede zozeer aan dat daarmee de val van de USSR werd bespoedigd.

Veel Afghanistan-veteranen die de oorlog ingingen met een hogere opleiding, en dus niet als kanonnenvlees werden ingezet, hebben inmiddels carrière gemaakt. Onder hen zijn veel politici en (lokale) machthebbers, zoals gouverneur generaal Aleksandr Lebed. Ook zij waarschuwen de Amerikanen vrijwel unaniem voor het aangaan van een oorlog in Afghanistan.

Doema-lid kolonel Frants Klintsevitsj is het met professor Kotenjov eens dat de VS in geen geval grondtroepen moeten sturen. Zelf was hij als beroepsmilitair naar Afghanistan gegaan in de vaste overtuiging dat hij zijn vaderland diende voor een goede zaak. Bovendien: "Ik wist dat oorlogservaring gunstig was voor mijn loopbaan." In zijn met hout gelambriseerde Doema-kantoor staat op de vensterbank tussen de andere prullaria een foto van de kleikleurige Afghaanse rotsen. "Ik twijfelde er geen moment aan dat we zouden winnen." Klintsevitsj was 29 en goed voorbereid: hij sprak een van de Afghaanse talen, en zou de lokale bevolking met ideologisch onderricht naar het communisme dirigeren. Dat was in 1986, drie jaar voor de vernederende aftocht. Maar al na een paar maanden was hij een illusie armer. Overal waar hij kwam voelde hij de vijandigheid van de Afghanen. Het was oorlog, en toch was er nergens een front. De kolonel geeft een voorbeeld: "Je rijdt met een colonne over het platteland. Geen vijand te bekennen, alleen wat boeren die hun akker bewerken. Ineens pakken al die boeren een wapen. Ze vuren op de wagens. Het duurt maar drie, vier minuten, en dan zijn de aanvallers verdwenen."

Onder die omstandigheden was het zinloos om de Afghanen de zegeningen van bijvoorbeeld collectieve boerderijen uit te leggen, zoals Klintsevitsj tot taak had. "Het was waanzin", zegt ook professor Kotenjov. "Je kunt een volk niet dwingen tot het accepteren van een andere cultuur." George Bush dreigt in zijn ogen een soortgelijke fout te begaan als de Sovjets destijds. Door op de superioriteit van het vrije Westen te hameren tegenover de achterlijkheid van de Taliban trekt hij het conflict in de ideologische sfeer.

"Wat je ook van de Taliban vindt: verschillen tussen beschavingen kun je nooit met geweld slechten."

Al begrijpt Kotenjov de wraakgevoelens van de Amerikanen, hij vraagt zich af of terrorisme wel met een leger te bestrijden is. "Er zijn altijd individuen geweest die bereid waren tot een zelfmoordaanslag, en die zullen er altijd zijn." De strijd tegen deze fanatici vereist in zijn ogen een verfijndere aanpak dan het afwerpen van bommen en kruisraketten.

De professor raadt de Amerikanen aan bij het bepalen van hun strategie in elk geval rekening te houden met een paar specifieke culturele eigenschappen van de Afghanen. Om te beginnen heeft hun gastvrijheid een eeuwenlange traditie: een gast moet desnoods met het eigen leven worden verdedigd. Ook als die gast Osama bin Laden heet. En het tweede: Afghanen geven de strijd voor hun land nooit op. "Zolang er nog een Afghaan leeft, gaat de oorlog door."

Ook de kolonel twijfelt aan een militaire aanpak. Hij denkt niet dat het materiële overwicht van het Amerikaanse leger een voordeel biedt tegenover de Afghaanse guerrillastrijders. "Ik verwacht dat de VS het zelfs moeilijker gaan krijgen dan wij", zegt hij. Het verzet tegen de Sovjets bestond uit self-made partizanen. Na tien jaar oorlog tegen de USSR en nog eens jaren van burgeroorlog zijn de Afghaanse mannen goed getrainde en geharde strijders. In combinatie met de ideologie van het islamitisch fundamentalisme zijn ze volgens de kolonel onoverwinnelijk.

"Je kunt zoveel bommen op Afghanistan gooien als je wilt, dat hebben wij ook gedaan, maar in dat landschap met diepe ravijnen en talloze schuilplaatsen zul je er geen strijder mee treffen."

Wat kan president Bush volgens hem dan wel doen? "Hij moet geen leger inzetten maar de geheime dienst", zegt de kolonel met het gezag van een beroepsmilitair. "Infiltreren en de bendes van binnenuit onschadelijk maken. Besluit hij toch tot een militaire operatie, laat hem in geen geval grondtroepen inzetten, anders moet Amerika rekening houden met een oorlog van tien jaar of meer, zonder resultaat."

Wat zo'n oorlog doet met de betrokkenen, daarover praat niet iedereen even gemakkelijk. Terwijl de professor zonder problemen toegeeft dat de onverdraaglijke zoete-weeë geur van bloed hem tot zijn studieonderwerpen heeft gedreven, ontkent de zelfverzekerde kolonel dat hij aan de oorlog een trauma heeft overgehouden. "Ik heb nergens last van hoor", zegt hij stoer. Er is alleen een ding: hij durft niet meer te jagen. "Mijn vrienden lachen me uit, maar als ik een haas in het vizier krijg, kan ik de trekker niet overhalen."

'Ik verwacht dat de VS het zelfs moeilijker gaan krijgen dan wij'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234