Donderdag 24/09/2020

Zoektocht naar de bloem in de woestijn

Met Adem maakte Hans Van Nuffel (29) een film over jonge mensen die hun dagen willen opeten. Het zijn mucoviscidosepatiënten op het einde van de adolescentie, en ze hebben geen tijd te verliezen. Terwijl u dit rustig leest, loopt Hans met cast en crew over de rode loper van het Montréal World Film Festival. Op 3 september zijn ze terug, want dan opent Adem het Filmfestival van Oostende. Ook voor Hans moet het vooruit gaan. ‘Ik was twee jaar geleden al klaar voor het grote debuut.’

Hans Van Nuffelmaakt met ‘Adem’ een film over mucopatiënten

door Stijn Dierckx / foto tim dirven

Hans Van Nuffel heeft een aura van uiterlijke rust, maar als hij praat voel je de vaart van zijn dagen. Hij wikt en weegt in een oogopslag, formuleert zijn antwoorden nauwkeurig. Hier zit een wakkere denker, een snelle beslisser. Hij lijdt zelf aan mucoviscidose in een lichte vorm, maar daar gaat het niet over. Het gaat wel over de film die over mucopatiënten gaat. Over het ziekenhuis en de zee. Over dokters en over Darth Vader, het donkere personage uit de Star Wars-films dat vanuit een zuurstoftank lijkt te praten en nu dus logischerwijs ook een rolletje in Adem kreeg. Maar we beginnen bij het begin.

Hans Van Nuffel: “Toen ik mijn opleiding aan het Rits in Brussel begon, werd ik meteen met de neus op de feiten gedrukt. Op de eerste dag van het eerste jaar zei een van de leraars: je moet niet denken dat je ooit een film zult maken. Wij waren als klas collectief verontwaardigd. Een trieste toon leek gezet. En toch, nog tijdens die studieperiode priemden de eerste tekentjes van hoop al door het pessimisme van vroegere generaties. Het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds) werd opgericht en al gauw werd duidelijk dat er een nieuwe wind waaide in de Vlaamse filmindustrie. Het Kortfilmfestival won aan belang en aanzien, en het systeem van wildcards werd op poten gezet. Zo’n wildcard geeft je een werkbudget van 60.000 euro om een project te realiseren. Dat was een prachtig excuus om na de studies niet meteen een job te moeten zoeken. Tegelijk was dat naar de buitenwereld een mooie verantwoording. Je kon zeggen: ‘Kijk, er zijn mensen die in mij geloven.’”

Jij krijgt een wildcard en levert als dank meteen een prijsbeestje af. Denk je op zulke momenten aan die ene leerkracht terug?

“Die wildcard won ik met mijn afstudeerproject Einde van de rit, een kortfilm met Dolores Bouckaert, Gunther Lesage en Matthias Schoenaerts. De eindwerken zijn eigenlijk het enige nuttige van de opleiding. Alle andere tussenstappen doen er wat mij betreft niet echt toe. Er liepen wel enkele echt goeie en gemotiveerde docenten rond, maar toch heb ik het gevoel dat ik op die school voornamelijk geleerd heb om mijn plan te trekken. Met het gewonnen budget maakte ik mijn tweede kortfilm, FAL, en won ik de juryprijs in Montréal en Leuven.”

En twee jaar later staat je grote regiedebuut op de affiche van datzelfde festival in Montréal. Het gaat hard.

“Het is wel mooi. Op de uitnodiging voor Montréal stond geschreven: ‘Wij zijn blij dat we u opnieuw mogen verwelkomen.’ Maar in vergelijking met het buitenland gaat het in België toch relatief traag. Dat heeft te maken met de kleine markt. Er is veel talent en elke jonge regisseur moet zijn kans krijgen. Ik voelde mij al klaar voor het grote werk op mijn zevenentwintigste. Maar ik klaag niet, ik heb met Adem echt de kans gekregen om mijn goesting te doen.”

Adem vertelt het levensverhaal van mucopatiënt Tom (Stef Aerts). Drie vierde van de film speelt zich af in een ziekenhuis. Denk je met een zwaar onderwerp als mucoviscidose toch een breed publiek naar de bioscopen te kunnen lokken?

“Adem is voor mij de uitvergroting van de dagelijkse strijd van het leven. Deze film gaat over veel meer dan muco alleen. De interessantste films spelen zich vaak af in heel specifieke settings. Zo’n verkleinde wereld levert dikwijls een scherpere kijk op een ruimer geheel. Bovendien stapt iedereen vroeg of laat wel eens een ziekenhuis binnen. Voor een appendicitis, bij de geboorte of het overlijden van een familielid. Voor een filmmaker ligt daar een boeiende opdracht: hoe introduceer je menselijke warmte in die klinische ruimtes? De zoektocht naar de bloem in de woestijn: het lijkt er misschien heel doods en dor, maar in alle spleten loert het leven. Microscopisch kleine plantjes, een heel ecosysteem op zich. Zo wemelt het ook in ziekenhuizen van de onverwachte, hoopvolle verhaaltjes.”

Het blijft in mijn beleving toch eerder een plek die je associeert met verdriet, pijn, onzekerheid. De onprettige randjes van het leven.

“Ik bekijk een ziekenhuis als een arena. Je komt daar binnen en je hebt absoluut geen idee van wat er gaat gebeuren. Je weet één ding heel zeker: ik moet het halen en ik wil hier zo snel mogelijk weer buiten. Die individuele strijd is op zich een dankbaar onderwerp. Het gevecht speelt zich ook af in een uitgepuurde context. Voor een filmmaker is het bijna zoals sciencefiction: je hebt een wereld, eentje met volslagen unieke regels en wetmatigheden, en die vallen allemaal te gebruiken om je verhaal uit te diepen en te stofferen.”

Hoe dan ook blijft mucoviscidose een ziekte met een lage levensverwachting. Kun je daar überhaupt een optimistische prent over maken?

“Deze film is een en al op de spits gedreven overlevingsinstinct. Jonge mensen worden doorgaans niet geconfronteerd met hun eigen sterfelijkheid. In Adem is er voor de personages geen ontkomen aan. De film wil niet zozeer een antwoord formuleren op vragen rond sterfelijkheid, maar probeert inzicht te geven in de wereld van Tom, Xavier (Wouter Hendrickx) en Anneleen (Marie Vinck). Zij leiden geen vanzelfsprekend bestaan. Weinig mensen staan daar bij stil, maar voor iemand als Tom betekent leven hard werken. Moeite doen om ’s morgens op te staan, elke nieuwe dag een heel gedoe. Tegelijk blijft hij evenzeer een mens met gevoelens en verlangens en verwachtingen. De beslommeringen van zijn ziekte neemt hij erbij. Het is voor mucopatiënten geen kwestie van kiezen. Enerzijds moeten zij muco voor zichzelf minimaliseren om te vermijden dat de ziekte hun hele doen en laten zou domineren. Anderzijds moeten ze nadrukkelijk met hun gezondheid bezig zijn, want nonchalance zou hun potentiële ondergang betekenen. Dat is de permanente tweestrijd van Tom en Xavier.”

Met Adem geef je mucoviscidose een gezicht voor het ruime publiek. Voel je een verantwoordelijkheid ten opzichte van andere mucopatiënten?

“Neen, niet specifiek. Ik ben voornamelijk begaan met de hogere, meer universele boodschap van de film: maak iets van het leven, doe iets met je dagen. Zo’n thematiek wordt vanzelf nog concreter als dat leven geen evident gegeven blijkt. Wat mij dan bijzonder interesseert, is hoe mensen daar mentaal mee omgaan. Dat stukje is eigenlijk het moeilijkste om uit te leggen. Je kunt een ziektebeeld tonen en de symptomen definiëren, maar hoe maak je de psychologische impact zichtbaar? De medische wetenschappen zijn gewend om te werken met het lichaam en veel minder met de geest. Ik ben ervan overtuigd dat mensen dubbel zo snel zouden revalideren als ze zich goed zouden voelen op de plek waar ze zijn.”

Gasthuisberg is de plek die jij in beeld hebt gebracht. Jij en je ploeg kregen er naar verluidt carte blanche?

“Dat is wat overdreven. De samenwerking met Gasthuisberg is heel vlot verlopen, maar een filmploeg volledig vrij laten in een ziekenhuis is voor een efficiënte werking ook gewoon niet haalbaar. Zo hebben we bijvoorbeeld niet op de afdeling van de longpatiënten gedraaid, simpelweg omdat die helemaal vol lag. Ik wist vooraf ook heel goed welke locaties ik wilde gebruiken: de pneumologie-meettoestellen vertellen bijvoorbeeld een verhaal op zichzelf, net zoals de rare anachronistische jaren zestig-wachtzaaltjes.”

In de openingsscène van Adem staat een kind in zijn onderbroekje in

een aula te bibberen. Te midden van discussiërende professoren probeert het zich staande te houden als mens. Dat soort van situaties is toch niet meer van deze tijd?

“Dokters hielden een paar decennia geleden niet zoveel rekening met het potentieel traumatische effect van dergelijke ervaringen. Alles gebeurde boven de hoofden van de kinderen heen. Mucopatiënten leven toch niet lang, dus, who gives a shit... De patiënt werd te vaak, net zoals kleine Tom, herleid tot een nuttig studieobject. Specialisten zijn heel intelligent en toegewijd, maar, het klinkt misschien cru, ze zijn te vaak geobsedeerd door hun vak en gebruiken te gemakkelijk het verwijtende vingertje. Ik zeg hier absoluut niet dat het onmensen zijn. Ze proberen zich met de jaren empathischer op te stellen. Ik herinner mij evenwel een uitspraak van een professor: ‘De meeste muco’s hebben een Peter Pan-syndroom. Ze hebben nooit geleerd om verantwoordelijkheid te nemen en zelfstandig dingen te ondernemen. Ze zijn bijzonder afhankelijk en worden nooit volwassen.’ Voor een langdurige patiënt is het gebrek aan emotionele omkadering en ondersteuning frustrerend. Wanneer patiënten zoals Tom de twintig naderen, beginnen ze daar bewust tegen te rebelleren. Ik geloof veel meer in een gelijkwaardige relatie tussen patiënt en dokter. Zeker als het over mensen gaat die een heel leven lang medisch gevolgd moeten worden.

“Ik denk dat mucopatiënten met de jaren mondiger geworden zijn. Hun gemiddelde leeftijd is ook fel gestegen. Gewoon opgroeien richting zelfstandigheid en een vrije wil ontwikkelen, dat is toch cruciaal voor elke mens? Als dat proces op jonge leeftijd gefnuikt wordt, wat blijft er dan nog over?”

Wat richten jarenlange ziekte en zorg aan bij een levenslange patiënt?

“Onder mucopatiënten kom je vaak complexe en sterke karakters tegen. Zij zijn getraumatiseerd door hun ziekte, maar ze hebben ook een niet te stuiten overlevingsdrang. Die moeten ze wel hebben, anders halen ze het gewoonweg niet. Rond hun veertiende hebben de meeste mucopatiënten al veel meer meegemaakt dan de gemiddelde gezonde dertiger. Dat merk en voel je meteen, ze uiten het niet zelden in passieve agressie. Veel mucopatiënten zijn heel pragmatisch en zullen hun ziekte gebruiken als het hen goed uitkomt, maar ze willen het er vooral niet over hebben als het niet in hun kraam past. Ook dat is een overlevingsmechanisme, iedereen probeert het leven naar zijn hand te zetten. Tom wil geen medelijden en geen goedbedoeldachtige hulp. Op het einde van de rit moeten mensen zichzelf redden.”

Dat overlevingsmechanisme lijkt in hun geval wel heel pragmatisch. In Adem schijnen jongeren te kunnen kiezen tussen leven en dood. Tussen een gezonde of een zieke vader voor een kind.

“Als het op kinderen maken aankomt, denk ik dat elke vrouw, mucopatiënt of niet, heel praktisch denkt en handelt. Een aanstaande moeder neemt slechts vrede met de best haalbare omstandigheden voor haar ongeboren kind. Ze hoeft dat daarom niet uit te spreken.

“Ik denk dat iedereen al dan niet bewust op zoek gaat naar een partner die bepaalde dingen voor hem kan betekenen. Voortplanting is nu eenmaal zo fundamenteel dat de meeste relaties crashen of doorgroeien op dat punt. Dat is het seven year itch-moment. Het ogenblik waarop partners intuïtief aanvoelen dat het er nu van moet komen of anders nooit meer. En als het er niet van komt, dan is een vrouw vaak een jaar later zwanger. Van iemand die ze geen zeven jaar kent. Het enige verschil met mucopatiënten is dat zij vermoedelijk iets harder en directer in hun formuleringen zijn, al zien ze daar zelf geen graten in. Ze moeten heel hun leven dingen gedaan krijgen. Ze leren gaandeweg hun tong scherpen om toch maar hun zin te kunnen krijgen.”

Er ontstaat onder de regelmatige patiënten een kleine subwereld, met eigen vriendschappen en verliefdheden. In de film voel je een constante

spanning tussen het leven binnen en buiten het ziekenhuis.

“Je ziet mucopatiënten die de twee identiteiten loskoppelen van elkaar. Het leven binnen is van een andere orde dan het leven buiten, dat zijn niet per se communicerende vaten. Veel mucopatiënten verzwijgen hun ziekte voor de buitenwereld. Tom heeft Jimmy (Rik Verheye) als ‘contactpersoon’. Een trouwe handlanger die inzetbaar blijkt wanneer het Tom uitkomt. Hij tast via badboy Jimmy ook de grenzen van het aanvaardbare af. Hij vindt in hem een kompaan in de vlucht. Ze roken en drinken, houden van snelle wagens. Dat zijn allemaal ingrediënten uit een normale puberteit. Tom wil zichzelf niets ontzeggen. Ik vel daar zelf geen oordeel over, maar het effect van die ingrediënten is in de film wel hevig. Leven met de handrem in de vuist gekneld is voor Tom geen optie. Dat voel je ook bij Xavier. Hij is onderwaterfotograaf, een duiker dus. Dat is even ridicuul als iemand die weet dat hij blind wordt en toch beslist: ‘Ik word cameraman.’ Iedereen heeft af en toe vluchtpaden nodig, weg van de dingen die echt belangrijk zijn.”

Wat is echt belangrijk?

“Ik denk dat elke seconde telt als je onder druk leeft. De meeste levens worden ingericht vanuit de gedachte minstens zeventig tot tachtig jaar oud te worden. Op die gemiddelde levensverwachting is ook de ritmiek der dingen gebaseerd. Je loopt zes jaar lagere school en zes jaar middelbare school. Mucopatiënten zitten zich op die schoolbanken wel af te vragen: ‘Wat zit ik hier in godsnaam te doen?’ Daarom merk je mijn personages denken: ik moet hier een heel leven persen in de helft van de tijd, laat het alstublieft vooruit gaan! Ik kan mij inbeelden dat heel veel mucopatiënten een aantal beslissingen nemen waar ze zich niet helemaal klaar voor voelen. Vanuit de jachtige optiek: als ik het nu niet doe, dan doe ik het nooit meer.”

De zieke personages lijken onderling soms luchtig om te springen met die druk.

“Het contact tussen de patiënten is in de film waarschijnlijk iets geromantiseerder voorgesteld dan in de realiteit. Ik vond het spannend om personages in situaties te laten belanden die je niet standaard associeert met een ziekenhuis. Er is ook veel humor ingeslopen. Onder andere door verwijzingen naar Darth Vader, de enige actieheld met een beademingstoestel. Het oorspronkelijke scenario was veel cynischer en donkerder van toon. Mijn co-scenarist, Jean-Claude van Rijckeghem, was er lichtelijk door afgeschrikt, hij zei meteen: ‘Zo’n film wil ik niet zien.’ Hij onderkende wel de dramatische kwaliteiten van het verhaal, maar vond een tegenwicht noodzakelijk. Ik was heel blij met die input. Van de aanvankelijke versie zou iedereen na een uur heel depressief wegrennen. Humor is het glijmiddel van drama.”

Heb je voor het uittekenen van de personages gesprekken gehad

met andere mucopatiënten?

“Nee, dan weet je niet waar je eindigt. Ik had zelf een heel specifiek basisidee over wat ik wilde vertellen met deze film. Mijn visie mocht niet vertroebeld worden door andere input. Dit scenario is een mix van feiten en fictie. Voor alle duidelijkheid, geen van de personages in de film is mijn alter ego. En ik heb evenmin de gemiddelde mucopatiënt willen neerzetten, want ik betwijfel sterk of die wel bestaat. Uiteraard zijn er een aantal ontmoetingen geweest, vooral opdat de acteurs zich een beeld zouden kunnen vormen.”

Hoe verliepen die contacten?

“Mucoviscidose is geen evident onderwerp. Maar ik denk dat mucopatiënten zich niet schamen voor wie ze zijn. Ze vinden het wel belangrijk om buitenstaanders vertrouwd te maken met hun ziekte. De acteurs bezochten patiënten en kinesisten die ademhalingstherapieën doen. Het was belangrijk dat ze de verschillende stadia van de ziekte leerden kennen. Ze hebben gepraat met iemand in de eindfase, die nog maar een paar maanden te leven had, en ook met iemand die net een longtransplantatie had gekregen.”

Je werkte op Wouter Hendrickx na met piepjonge hoofdrolspelers. Het lijkt bovendien alsof je alle beschikbare namen van FC Bergman hebt opgesteld?

“Ik wist niet dat FC Bergman al zo bekend was. Ik woon ondertussen exact een week in Antwerpen en ik ontdek nu dat ze hier al een fenomeen zijn. Ik zag hun versie van De thuiskomst van Pinter en ik vond Stef Aerts en Rik Verheye heel indrukwekkend spelen. Ik heb hen gewoon uitgenodigd voor de audities. Zij overtuigden meteen.

“Je komt niet zoveel twintigers tegen die in staat zijn om hun eigen traject te bepalen. Zij hebben nu al een zekere maturiteit en ze doen iets met het materiaal dat je hen aanreikt, hoe complex dat ook is. Je voelt dat ze in dat collectief niet alleen spelen, maar ook zichzelf regisseren. Ze maken geen evidente keuzes, en hun stukken zijn vaak heerlijk obscuur.”

In de film valt de locatiewissel van het ziekenhuis naar de zee erg op. Wat heb jij met Oostende?

“Met Oostende voel ik niet zozeer een connectie, met de zee dan weer des te meer. Het is een plek waar goeie lucht is. Het hoge zoutgehalte in de lucht schijnt een heilzaam effect te hebben. Vandaar ook de hele geschiedenis van preventoria en sanatoria aan de kust. Voorts vond ik de ironie van het openingsbeeld in Oostende ook wel werken. Drie mensen die hun godganse dagen moeten doorbrengen in een betonnen blok in Leuven trekken naar zee, en het eerste wat ze doen is in een gelijkaardig betonnen appartementsblok kruipen.

“Met de strandscènes heb ik de claustrofobische sfeer van de ziekenhuiskamers en gangen willen doorbreken. Op de duur snak je echt naar uitgestrektheid, naar een verre horizon. Weidser dan de zee kun je niet gaan, dat visueel contrast geeft adem. Ik vond het bovendien een enorme meevaller dat het toen gesneeuwd had. Ook de lucht zat helemaal dichtgepakt. Dat levert een heel onwerkelijk beeld. Wanneer de personages het ziekenhuis buitenstappen, krijg je het gevoel dat er niets meer overblijft. Alsof alles is opgehouden te bestaan. Enkel een diepe, surrealistische waas in een verstild landschap.”

Je rept met geen woord over je eigen gezondheid. Vind je het vervelend om in de eerste persoon enkelvoud over muco te praten?

“Dat is de onvermijdelijke vraag en ik ga die bewust uit de weg. Ik probeer in de eerste plaats de regisseur en maker te zijn van een film en niet het onderwerp. Ik ben slechts het kanaal waarlangs dat onderwerp passeert. Ik heb geen zin om mijn privéleven te grabbel te gooien. Ik heb totaal geen moeite om toe te geven dat dit verhaal iets heel persoonlijks vertelt. Maar ik voel geen enkele behoefte om de inhoud van de film te koppelen aan mensen en gebeurtenissen uit mijn leven. Want dat leven is van mij. In interviews probeer ik daar over te waken. Voor je het weet, ligt heel je privé gestript en ben je niet meer dan een Story-verhaal geworden. Wat ik te zeggen heb over muco en over mezelf heb ik gezegd met Adem. Ik geef interviews om mijn werk te promoten. Ik haat de gedachte dat er overal stukken verschijnen onder de kop ‘zieke jongen maakt film’.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234