Woensdag 08/12/2021

Zoals de symbiose van twee geliefden

Twee dichtbundels van twee dichtersduo's

Hoe verwant kunnen dichterszielen zijn? Er bestaat geen dichter, of je kunt hem of haar situeren in een grotere familie, qua verwantschap in thematiek, toon of stijl. Intens wordt de band wanneer dichters het resultaat van hun samenwerking de wereld insturen.

Door Paul Demets

Helemaal nieuw in ons taalgebied is het niet, wat Huub Beurskens en Wiel Kusters met In duizend kamers en Arjen Duinker en Karine Martel met En dat? Oneindig doen. Zo deden Paul Snoek en Hugues Pernath het hen al voor met de bundel Soldatenbrieven (1961), al gaat het hier eerder om brieven in de vorm van gedichten, waarin Snoek zijn afkeer uit over de militaire dienstplicht, waarop beroepsmilitair Pernath met een toon van ingehouden verzet bewondering en begrip toont voor Snoeks houding. De taal is hun gezamenlijke wapen. De soldatenbrieven zijn telkens ondertekend met hun initialen, wat het voor de lezer eenvoudig maakt om stem en tegenstem te onderscheiden.

Beurskens en Kusters en ook Duinker en Martel maken het ingewikkelder en tegelijk intrigerender, want zij maken niet duidelijk wie er wat heeft geschreven. Is er geen sprake van een symbiose, dan toch van eenheid in verscheidenheid. Voorwaarde is natuurlijk dat de duo's affiniteit hebben met elkaar. Huub Beurskens en Stefan Hertmans schreven hun fascinatie voor de erotiek van het niet-ingevulde uit in de bibliofiele bundel Een kus in Ter Kameren (1988), een verwijzing naar het magistrale gedicht van Jos de Haes. Beurskens en Kusters hebben met elkaar gemeen dat ze waarnemers van het grote én het kleine zijn en genot lijken te puren uit de werkelijkheidservaring. Bovendien delen ze een sterk gevoel voor de bewegingsmogelijkheden van de taal. Beurskens is in dat opzicht beïnvloed door Gerard Manley Hopkins, Kusters door Pierre Kemp. In de verzamelbundel Velerhande gedichten gebruikte Kusters trouwens een citaat van Kemp: "Al dat Andere, dat wat niemand hier ziet". Deze regel had ook het motto van de bundel In duizend kamers kunnen zijn. Met Kempiaanse speelse ernst gaan zij de ongrijpbare werkelijkheid en de vergankelijkheid te lijf. Ze doen dat grotendeels in de traditionele versvormen van het sonnet en het kwatrijn. In de eerste cyclus, 'Woongenot', zijn we getuige van een reis door gedachten, want "Ik woon in duizend kamers tegelijk./ Het is tegen alle regels van de huur./ Zodra ik ergens niet te wonen lijk,/ ben ik mijn eigen rechterlinkerbuur.// Ik ga nooit op reis, mijn koffers liggen dwars./ Ze vullen zich bij voorbaat met gemis/ en maken elke uitstap tot een farce./ Mijn kamers bieden alles wat er is." Gedachten gaan natuurlijk toch naar buiten, trekken de natuur in. Dankzij de taal, denken we dan, maar we vergeten dat de zinsbouw zich niet om ons bekommert: "Daarbij deert het de zinsbouw allerminst/ dat wij ontworden." Taal is make-belief, de waan waarin we voor de duur van een gedicht verkeren dat we er samenhang tussen taal en leven door tot stand kunnen brengen. Poëzie is ook een manier om jezelf te verliezen. En de dichters weten dat heel goed te relativeren: "Geen wonder dat ik mezelf aldoor verlies zonder maar/ even helemaal los te raken, zodat als ik me verliezen wil/ ik toevlucht nemen moet tot fantasie en pil, geestrijk// vocht of - pff! - poëzie." In de tweede afdeling, 'Reisplezier', gaat het dan ook om onvervuld verlangen, een Eden dat nooit meer kan zijn dan een moment. "Elk woord beweegt een ding, waar hoe het ook liegt." Zinsbegoocheling bepaalt ook de dialoog tussen Tobias en de vis in de gelijknamige afdeling, gebaseerd op Tobit, een apocrief Bijbelboek waarin Tobias met de gal van een vis de blindheid van zijn vader weet te genezen, net zoals in het langere gedicht 'De faunfontein', waarin een faun de schuld lijkt te krijgen voor de dood van een vrouw: "Een vrouw is een wijf, je buit of bruid,/ wat maakt het uit, bedenken we/ dat faunen vinden, alsof die slechts/ geilen kunnen en verslinden terwijl wij/ getroffen onszelf opofferend verheven/ beminden verheffen tot onstoffelijkheden./ Geen wonder, dichtersmietje, dat onverrichter/ zake bosdames met stokken, stenen, akkertuig/ hun woede verscheurend op je koelden."

Dit gedicht is, door de speelse omgang met het mythologische verhaal van de dood van Procris en door de klankrijkdom, zonder meer het hoogtepunt van deze bundel. De cyclus 'Herendubbel', waarin de dichters elkaar ter gelegenheid van nieuwjaar een "vetrand gunnen aan het verstand" is veel minder subtiel en niet meer dan aangenaam divertissement. De bundel wordt afgesloten met de afdeling 'Tot honderd', het resultaat van een intense correspondentie, waarbij de dichters elkaar, volgens de toelichting, in korte tijd honderd kwatrijnen toeschoven. Ze nemen elkaars onderwerp en soms ook het beeldmateriaal over, maar geven er telkens een originele draai aan. Over de schijnvertoning die het bestaan is, levert dat de volgende fraaie gedachte op: "Die ene rode boei daar in de Maas/ heeft niks met vis van doen, laat staan met aas./ Vanaf de brug zie ik het water gaan/ door wie ik wezen moet; geen haken, geen helaas." De zoektocht naar wie nu precies welke gedichten heeft geschreven - uit defascinatie voor mythologie, paradoxen en neologismen van Beurskens valt dat vaak af te leiden - is minder interessant dan de vaststelling dat beide dichters elkaar aangevuld en inhoudelijk aangestoten hebben om een speelse, maar daarom niet gratuit grijpbare bundel af te leveren.

Ook de bundel En dat? Oneindig is behoorlijk ongrijpbaar, net zoals de symbiose van twee geliefden voor buitenstaanders vaak moeilijk te vatten is. In die zin is de lectuur van deze bundel vooral een lichamelijke ervaring. Je hebt er al je zintuigen voor nodig. De poëzie van Arjen Duinker reikt mogelijkheden aan om tegen het bestaan aan te kijken. Hij probeert het in zijn totaliteit weer te geven. Daarom bekijkt hij het vanuit veel verschillende, mogelijke invalshoeken, alsof hij wil reageren tegen de gedachte dat er geen centraal ethisch of esthetisch ordeningsprincipe meer zou zijn. En dus liet hij ons in zijn vorige bundels, zoals in de met de VSB-prijs bekroonde bundel De zon en de wereld, mogelijkheden in de vorm van opsommingen zien. "Aan de ene kant staat het ding./ Aan de andere kant het mysterie", luiden bekende regels van Duinker. Dat lijkt te wijzen op een transcendente interpretatie van het mysterie, maar dat blijkt niet uit zijn poëzie. Hij lijkt eerder te vertrekken van een immanente zienswijze: het mysterie gaat schuil in de wereld. Alleen gaat de dichter er niet middenin staan: hij kijkt er, met een verwonderde blik, van buitenaf naar. We kunnen een Heideggeriaanse visie in Duinkers werk herkennen: Heidegger zoekt naar het 'Zijn' dat buiten het bereik van ons denken ligt. En dat kunnen we via de Dichtung, het dichterlijke spreken, bereiken. Poëzie en bij uitbreiding alle kunst, wordt een 'het-in-het-werk-stellen van de waarheid'. Als voorbeeld haalt Heidegger de Griekse tempel aan. Die beeldt niets af, maar maakt door zijn oprijzen de hele wereld zichtbaar: leven en dood. De tempel geeft reliëf aan de omgeving: de bomen, de planten, de vogels en de rots waarop hij gebouwd werd. Zo geeft de tempel de dingen een gezicht en biedt hij de mensen een kijk op zichzelf. Niets minder dan dat gebeurt in de poëzie van Arjen Duinker. Precies door die poging om de werkelijkheid volledig te omvatten, lijken zijn gedichten en die van Karine Martel, een Franse balletdanseres die na een ernstig ongeval filosofie studeerde en nadien een roman en enkele poëziebundels publiceerde, in elkaar op te gaan. Kan het anders als een vrouwelijke en een mannelijke dichter de handen in elkaar slaan? Dat Duinker de gedichten van Martel vertaalde, draagt daar natuurlijk toe bij. In En dat? Oneindig haalt het duo de lezer uit zijn onverschilligheid en apathie: "Gooi je veel weg?/ En wat is je wederkerige voornaamwoord?// Ik trek me niet terug in de vergetelheid,/ Ik ga op pad en begin aan de wereld/ Omdat hij onvoorstelbaar is.// Er zijn dingen,/ Dingen voor vrienden en kinderhanden,/ Dingen die van nature uitzinnig zingen,/ Dingen die stiller zijn dan de diepte,/ Dingen als dingen om je heen." Dat beginnen aan de wereld is in deze bundel vooral een fysiek, sensueel opgaan in de werkelijkheid. Veel gedichten - volgens mij vooral die van Martel - laten een verlangen naar versmelting zien ("Je tatoeëert je op mijn buik/ Omhooggehesen uit de diepte/ Naar een tafel met minerale/ Noten in schaduwrijke zon.// Ik tatoeëer me op je lippen/ Zacht glanzend door de vruchten/ Van het oneindige collier/ Los in de herwonnen aders." De gedichten die van Duinker lijken te komen, betrekken die behoefte aan versmelting meer op de taal, zoals in 'De toverbal', waarin we lezen: "De toverbal is een voorbeeld van een ding// Dat in staat is om woorden te kiezen./ (...) De toverbal kiest woorden voor zijn verlangen,/ Kiest woorden als dingen die verlangen!" Weer veel opsommingen en variaties op beelden en gedachten in deze bundel, alsof ze, zoals in muziek, het thema van de liefde, de omhelzing van de werkelijkheid, in een golfbeweging benaderen, voorbij, zoals er in het gedicht 'Laten we gaan voorbij...' staat "het leven van de woorden". Elders krijgen we de raad om de definities van de woorden te vergeten en "Open de twijfel om naar de sterren te kijken/ Open je verbanden om mijn nacht te zien." Voor het dichtersduo is poëzie geen manier om greep te krijgen op de werkelijkheid ("Er is een sterke wil in mij,/ Niet om de idiotie van de wereld te begrijpen, nee,/ Om mijn zintuigen te voelen.") En dat is precies wat deze fascinerende bundel van het duo Duinker/Martel doet: jouw manier van waarnemen en interpreteren op de helling zetten. Wat we denken te weten, is het resultaat van projecties van onszelf op de werkelijkheid en hoe we die lezen in de vorm van poëzie. We geven de dingen namen, als houvast, terwijl alles een verzinsel is: "Want de namen zijn soepel.// De wind zal ze een voor een meenemen/ En ze in dakgoten laten dwarrelen/ En ze naar de oevers van de rivier brengen/ En ze in stilte en libellen veranderen/ Opdat ze opnieuw verzonnen kunnen worden." Alleen: bij het lezen van deze bundel word je er hoopvol en vrolijk van.

Beurskens en Kusters zijn waarnemers van het grote én het kleine en lijken genot te puren uit de werkelijkheidservaring

Huub Beurskens &

Wiel Kusters

In duizend kamers

Meulenhoff, Amsterdam, 87 p., 17,95 euro.

Arjen Duinker & Karine Martel

En dat? Oneindig

Querido, Amsterdam, 103 p., 18,95 euro.

De lectuur van de bundel van Arjen Duinker & Karine Martel is vooral

een lichamelijke ervaring. Je hebt er al je zintuigen voor nodig

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234