Vrijdag 18/09/2020

Zeventig jaar Belgisch muziekleven

De Filharmonische Vereniging te boek

Lieven Bertels

Om het zeventigjarige bestaan van de FilharmonischeVereniging/ La Philharmonique luister bij te zetten, is een verzorgd en boeiend boek voorgesteld rond het Brusselse muziekleven in de 19de en 20ste eeuw en de rol die deze instelling hierin speelde. Met bijdragen van niet minder dan twintig auteurs uit de Belgische muziekkritiek, -filosofie en musicologie, wil dit werk evenveel invalshoeken vinden om de functie van de Filharmonische Vereniging, het Nationaal Orkest van België en het Paleis voor Schone Kunsten te omschrijven.

Telkens als je het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten betreedt, bekruipt je het gevoel van verwondering dat België heet. Als multidisciplinaire kunstruimte heeft het PSK sinds zijn ontstaan een politiek gevoerd die de gemeenschappen niet zomaar met elkaar wilde verzoenen, maar imaginaire tegenstellingen probeerde te overstijgen. Dankzij de in het Paleis ondergebrachte Filharmonische Vereniging, kreeg Brussel een internationale uitstraling die zich kon meten aan die van steden als pakweg Parijs of Berlijn.

Dat ook het feestboek aan de communautaire crisis voorbijgaat, bewijst de grondige, maar typisch Belgische aanpak ervan: de redactie werd netjes over de taalgroepen verdeeld, waarbij de bijdragen telkens integraal vertaald werden, zodat het werk gelijktijdig in een Nederlands- en in een Franstalige versie verschijnt. Al in de inleiding is het raak: cultuurkritisch geweten Dieter Lesage houdt een vurig pleidooi voor het behoud van de Filharmonische op federaal niveau. "Een tweetalige vereniging als de Société Philharmonique de Bruxelles/ Filharmonische vereniging van Brussel dreigt [...] voortdurend tussen twee stoelen in te vallen. Zij bekent zich niet tot deze of gene gemeenschap, maar installeert zich bewust in een tussenin, waar het in de Belgische cultuurpolitieke context steeds ongemakkelijker zitten wordt."

Behalve beschouwelijk proza krijgen we vooral een historisch overzicht van 150 jaar muziekleven in Brussel, de ondertitel van het boek. Dat de diverse auteurs geen strikte tijdsafbakening werd opgelegd, blijkt uit de veelvuldige overlappingen, al mag dit in deze caleidoscopische context geen bezwaar zijn: de waaier aan benaderingen geeft elke lezer wat wils. Zo worden leven en werk van figuren met internationale allure - Le Boeuf, Collaer, Cuvelier - grondig uitgespit.

Henri Le Boeuf herinneren we ons vooral als de man achter het groots opgezette PSK, Horta's omvangrijkste realisatie in de hoofdstad. Le Boeuf, die uit de financiële wereld kwam, was gepassioneerd door muziek: voor de eerste wereldoorlog had hij onder het pseudoniem Henry Lesbroussart muziekkritieken geschreven in L'Art Moderne, het tijdschrift van pionier Octave Maus. De concertenreeksen die hij na de oorlog organiseerde, wou hij in een kunstcomplex doen plaatsvinden dat zijn tijd ver vooruit zou zijn. Middelen vinden voor cultuur bleek echter ook anno 1920 geen sinecure. Het politieke getouwtrek en de reactie van muziekminnend Brussel bieden boeiende lectuur. Zo schrijft Le Boeuf over de weigering van de kredietaanvraag door de Senaat ('extravagante kosten'): "Dit illustreert de mentaliteit van onze parlementariërs, voor wie staatssteun aan de ontwikkeling van de Schone Kunsten slechts slappe kost is, een overbodige luxe, een immoraliteit."

Dat het project als privé-initiatief, met geld dat van de staat geleend wordt, dan toch van de grond komt, heeft alles te maken met Le Boeufs talent als manager. Zijn onwrikbaarheid bemoeilijkte weliswaar de samenwerking met Horta, zelf ook een lastig karakter. Plannen gingen over en weer, Horta werd op studiereis gestuurd om zich in zaalakoestiek te bekwamen, en technische en financiële moeilijkheden stapelden zich op. Wanneer het PSK in 1928 eindelijk de deuren opent en een van de beste concertzalen ter wereld blijkt, wordt de strijdbijl begraven en kan de Filharmonische Vereniging haar activiteiten aanvatten. Le Boeuf bleef de zaken groots zien: beroemde buitenlandse dirigenten en solisten als Bruno Walter, Arthur Rubinstein en Sergei Prokofjev mochten het eerste seizoen vullen.

Ondanks Le Boeufs goede voornemens was de positie van de hedendaagse muziek echter nogal ambigu. Het grootste verwijt dat men hem op dat vlak kan maken is de opslorping door de Filharmonische van de Pro Arte-concerten van Paul Collaer. Collaer, een begenadigd concertpianist, was de visionaire bezieler van een concertenreeks die in het interbellum zowat alle grote namen naar Brussel wist te halen. Satie, Milhaud, Hindemith, Bartok, Berg en Stravinsky werden vaak persoonlijke vrienden. Uit de reeks ontstond een strijkkwartet dat door de toenmalige internationale muziekpers tot de allergrootste werd gerekend. Collaers concertenreeks zou uiteindelijk wegkwijnen.

Dat de geschiedenis van de Filharmonische blijft nazinderen, wordt duidelijk uit de vele pagina's die er in het verjaardagsboek aan zijn gewijd, en uit de prachtige foto's van zowat het hele muziekgebeuren van dat moment. Maar als lezer krijg je ook het beklemmende gevoel dat dergelijke mythische, heroïsche proporties maar ontstaan in contrast met een latent gemis. Is het een teken aan de wand, of juist hoopgevend, dat niet minder dan vier auteurs de hedendaagse muziek en de muzikale creatie bespreken zoals ze binnen de Filharmonische Vereniging een plaats kreeg? Feit is dat in een concertzaal met tweeduizend zitjes de economische wetten gaan doorwegen. Dat vertaalt zich in een meer klassieke programmatie sinds Le Boeufs opvolger, Marcel Cuvelier, nochtans de oprichter van vooruitstrevende initiatieven als Jeugd en Muziek. Hoewel de fakkel van de muzikale schepping zelfs in de Filharmonische nooit helemaal uitdoofde, blijkt uit de versnipperde anekdotische beschrijvingen die hier zijn samengebracht toch hoe moeizaam het enthousiasme van het eerste uur maar kon worden doorgegeven. Boulez, Berio, Stockhausen en Pousseur kregen aandacht, maar vaak slechts in de marge van een steeds traditioneler concertgebeuren - als workshops of jeugdconcerten. De kans om een vooroorlogse cultuurtempel om te bouwen tot een Centre Pompidou of Ircam werd meer dan eens gemist. Enkele lichtpuntjes in deze periode zijn het korte bewind van Hervé Thys (1970-'72) en de door hem aangetrokken Oostenrijkse dirigent Michael Gielen.

Is dit rijkelijk gestoffeerde boek dan niet meer dan het in memoriam van een hoogbejaard instituut? Verre van: niet alleen werkt de Filharmonische Vereniging samen met initiatieven als het festival Ars Musica, ook heeft de nieuwe ploeg oog voor de verdere internationalisering van Brussel en de positie ten opzichte van de buurlanden.

Wordt in een Festschrift dan toch niet te vaak de loftrompet gestoken? Misschien wel, al heeft men ook oog voor de initiatieven van deSingel of het Ircam. Andere belangrijke ingrediënten van het Belgisch muziekleven, zoals het Festival van Vlaanderen, blijven dan weer in de kou staan. Door de veelvuldige sprongen en enkele elkaar flagrant tegensprekende auteurs geeft het geheel soms een versnipperde indruk. Desondanks levert Aan de Muziek. 150 jaar muziekleven in Brussel voor ieder wat wils. Behalve de historische inzichten van ouwe rotten als musicoloog Robert Wangermée, zijn ook de bijdragen van Philippe Herreweghe of Marc Holthof verfrissend, net zoals die over de gloriejaren van het Nationaal Orkest, het belang van de omroeporkesten of de spitstechnologische architectuur van Horta's concertzaal. Ook de toekomst van de Filharmonische, soms smalend een culturele dinosaurus genoemd, wordt met open blik tegemoet gezien, onder meer in de slotbijdrage van Michel Debrocq en Stephan Moens, een onbevangen panelgesprek met directeur-generaal Paul Dujardin en programmadirecteur Christian Renard. Maar zelfs voor de muziekliefhebber die niet specifiek geïnteresseerd is in het reilen en zeilen van de Filharmonische Vereniging, is dit boek een aanrader. Geen koffietafelboek, maar een waardevolle kroniek van ons muzikale erfgoed.

Aan de Muziek. 150 jaar muziekleven in Brussel, uitgeverij Lannoo, 280 pagina's, 1650 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234