Maandag 29/11/2021

Zeven mythes over jazz

Ze passeren vanaf vandaag wekelijks de revue in De Morgen: de grote namen van de jazz. Twintig stuks zijn het, onder wie beroemde idolen als Miles Davis en Chet Baker, legendarische namen als Charlie Parker, Thelonious Monk en Billie Holiday, historische kleppers als Duke Ellington en Louis Armstrong. Namen uit een verleden tijd vooral. Maar wat betekent die jazz vandaag nog? De Morgen-jazzmedewerker Didier Wijnants bekijkt zeven mythes over jazz. En vanaf vandaag schrijft hij wekelijks een column bij de First Class Jazz-cd van die week.

Hieronder spreken drie gerenommeerde stemmen over jazz. Rik Bevernage van Kunstencentrum De Werf in Brugge is dag in dag uit met jazz bezig, hij is een aficionado en een pleitbezorger bij de overheid voor steun aan de jazz. Jerry Aerts (directeur deSingel) en Tino Haenen (artistiek directeur Ars Musica) zijn vertrouwder met klassieke muziek en haar hedendaagse erfgenamen, maar maken ook plaats voor de rare snuiters van de jazz.

Jazzmuzikanten improviseren voortdurend

In jazz wordt meer geïmproviseerd dan in klassieke muziek, maar daar passen twee kanttekeningen bij. Eén: jazz is niet de enige muzikale traditie waarin improvisatie centraal staat, integendeel. Het model van de klassieke muziek is zelfs een hoge uitzondering: er bestaan voorts nauwelijks culturen waarin de geschreven partituur de norm is.

Twee: jazzmuzikanten improviseren niet voortdurend, ze doen dat altijd in een bepaalde context. Improvisatie is het testen van de elasticiteit van de muziek, het aftasten van de vrijheidsgraden. Dat kan op veel manieren. Honderd jaar jazzgeschiedenis heeft nogal wat mogelijkheden aan het licht gebracht, waaronder de zogenaamde totale improvisatie.

Alle grote jazzmuzikanten zijn dood

Wellicht zijn de beroemdste jazzmuzikanten al dood, maar doodgaan helpt soms ook bij het beroemd worden. Van de twintig namen in de First Class Jazzcollectie zijn er zestien dood. De jongste nog levende, Wayne Shorter, is 72. Jongere jazzmuzikanten vind je niet in de box, maar let op: ook de oude jazz is sterk ondervertegenwoordigd. Geen Sidney Bechet, Jelly Roll Morton, Fletcher Henderson of Teddy Wilson. Toch allemaal namen die veel belangrijker zijn dan bijvoorbeeld Oscar Peterson.

Maar ook onder de levende jazzmuzikanten valt vaak op dat de 'oudjes' bij critici het meeste bijval kennen. Enkele namen die in deze kolommen geregeld furore maken: Andrew Hill (70), Randy Weston (79), Misha Mengelberg (70), Cecil Taylor (75), Ornette Coleman (75). Is dat een teken aan de wand dat jazz aan het uitsterven is? Welnee, de jazztop kent honderden jongere muzikanten. Maar die zijn wel zelden jonger dan veertig of vijftig. Maturiteit is een van de belangrijkste bouwstenen.

Jazzmuzikanten zijn onbetrouwbaar

Ze slepen een slechte reputatie met zich mee, maar in de praktijk valt het vandaag wel mee. Jerry Aerts stelt vast dat jazzmuzikanten duurder geworden zijn, "maar aan de andere kant heb je daardoor ook minder gerommel. Eigenlijk zijn er amper nog musici die ik om extramuzikale redenen liever niet meer in onze zaal zie passeren." Rik Bevernage vindt ook dat die onhandelbaarheid vandaag een mythe is: "Het is wel problematisch dat ons kleine land te weinig betalende podia heeft voor jazz. De meeste jazzmuzikanten moeten daarom in diverse combinaties aantreden om te kunnen blijven spelen. Dat heeft uiteraard gevolgen voor hun carrièreopbouw. Maar het zou niet fair zijn dat te wijten aan hun improvisatorische carrièreplanning." Tino Haenen stelt wel vast dat jazzmuzikanten ook vandaag nog graag contant betaald worden voor een concert: "Misschien een overblijfsel van een diepgeworteld wantrouwen."

Jazz is een aftandse categorie voor hokjesdenkers

Kun je vandaag nog wel spreken over jazz, nu cross-over de norm is en iedereen de mond vol heeft over het slopen van de grenzen tussen de genres? Jerry Aerts vindt alvast van wel: "Jazz is in het verleden altijd een geheel van erg verschillende delen geweest. De benaming cross-over vind ik in deze veeleer een versmalling dan een verbreding." Ook Tino Haenen verzet zich tegen het geweeklaag over hokjesdenken: "Het gaat niet om een hok, het gaat om een ruimte. Pure jazz hoeft niet bekrompen te zijn, integendeel." Jazz is een rijke traditie met diepe wortels en heel veel rijpe vruchten. Daarom zijn er bijzonder veel muzikanten die zich tot de jazztraditie bekennen, zelfs al hebben ze een heel eigentijdse attitude en een heel open vizier. Het kunnen absorberen van vreemde invloeden is immers een constante in de jazz. Rik Bevernage wil er nog altijd voor gaan: "Ik geloof persoonlijk niet dat het tweede luik van het Gentse Blue Note Festival (waarop popmuziek die een vage band met jazz heeft geprogrammeerd wordt, DW) muziekliefhebbers nader tot de jazz brengt. Net zomin leert Night of the Proms de mensen klassieke muziek smaken. Ik wil zoveel mogelijk schermen voor de echte jazz."

Jazz is ingewikkelde muziek voor pseudo-intellectuelen

Natuurlijk. Maar het is ook heerlijke muziek voor eerlijke muziekliefhebbers. Dat ingewikkelde hebben we in wezen aan Charlie Parker te danken. Hij heeft in de jaren veertig de weg gewezen naar meer harmonisch experiment en sindsdien hongert de jazz voortdurend naar nieuwe mogelijkheden om creatief met de bouwstenen van de muziek om te gaan. Er is nogal wat fraais bedacht in al die jaren. En inderdaad: het verteert niet allemaal even makkelijk. Maar even vaak doet het dat wel. Soms is de complexiteit heel tastbaar, maar vaak is ze latent en valt het pas op na meerdere beluisteringen. Dan heb je te maken met sluwe en uiteindelijk intens mooie jazz: verleidingskunst van een hoger niveau. Kijk naar wat een man als Duke Ellington van zijn muziek maakte. Bij hem komt alles samen: de zwarte roots, de miskenning, de liefde voor de song, de harmonische rijkdom, de traditie, het avant-gardisme, het aristocratische en de street credibility. Cecil Taylor noemt zichzelf een "muzikant in de Ellingtoniaanse traditie". Er is nauwelijks een betere definitie van jazz denkbaar.

Jazz is van de zwarte medemens

Een gitzwarte kop achter een vleugel: het clichébeeld is ook voor First Class Jazz gebruikt. Maar vandaag zijn er net zoveel blanken (en anderen) die overtuigend jazz spelen. In oorsprong was jazz trouwens een mengvorm van Afrikaanse en westerse tradities. Geen wonder dat het product daarvan zowel op zwarten als op blanken een sterke aantrekkingskracht uitoefende.

In het verleden is vaak gediscussieerd over de vraag of blanken het wel kunnen. Die vraag is in de mondiale cultuur van vandaag totaal irrelevant geworden.

Jazz kun je niet leren

De mythe zegt dat je jazzmuzikant wordt op straat. Nochtans wordt het tegenwoordig ook aan conservatoria geleerd. Een positief gegeven, dat staat vast. "Het heeft een tijdje geduurd," zegt Rik Bevernage, "maar vandaag zorgt die aanwezigheid van jazz aan de conservatoria voor een opgaande spiraal: de kwaliteit van de musici gaat omhoog, de bands worden daardoor beter en de jongere generatie versterkt zelf weer het conservatorium". Toch geldt altijd dezelfde kanttekening: aan het conservatorium leer je wel wat knepen, maar de kunstenaar maak je zelf. Binnen de jazztraditie is er voor jonge muzikanten trouwens ruimte zat om zichzelf te zijn.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234