Zaterdag 16/10/2021

Zet mevrouw eens in de bloemetjes

Tot in het begin van de twintigste eeuw was de tuin bijna het exclusieve terrein van de man. Vrouwen mochten erin rondwandelen, maakten als het ware deel uit van het decor, maar speelden er nauwelijks een actieve rol in. Dat wordt ten overvloede geïllustreerd op een kleine maar boeiende tentoonstelling Escape to Eden in de National Portrait Gallery in Londen.

De verhalen van de vrouwen op de tentoonstelling vormen een illustratie van het feit dat de tuin vanaf de zestiende eeuw functioneerde "als een fysieke en spirituele arena waarin vrouwen streefden naar controle over hun eigen leven, een eigen identiteit zochten, vochten met hun seksuele gevoelens en ontsnapten aan een voor hen vijandige wereld of omgekeerd, probeerden die wereld naar hun hand te zetten", zoals Sue Bennett in de uitstekende catalogus bij de tentoonstelling schrijft. "Voor vele vrouwen vervult de tuin, als een reële plek maar ook als metafoor, nog altijd die rol. De verhalen van deze vrouwen over hun de zoektocht naar het paradijs spreken ook vandaag nog steeds veel vrouwen aan, de tuin is ook vandaag nog steeds een krachtig symbool voor vrouwen."

De tentoonstelling schetst niet de tuingeschiedenis van 'de kleine vrouw' (daarvan zijn geen portretten te vinden in de collectie van de National Portrait Gallery) maar wel van bekende en meestal zeer gefortuneerde vrouwen. Daardoor krijgt men natuurlijk een vertekend beeld. Maar zoals Sue Bennett opmerkt, hadden minder gefortuneerde vrouwen al helemaal geen betekenis voor de tuin. Tenzij dan als goedkope werkkracht, vooral om het onkruid te wieden.

De middeleeuwse Hortus Conclusus, de enige plek waar toen bloemen werden gecultiveerd, was (de kloosters niet meegerekend) het exclusieve domein van de vrouw. Zij kon er met vriendinnen verpozen bij de rozen, om er muziek te spelen of er te borduren. Die Hortus Conclusus werd zelfs een religieus symbool van Maria's maagdelijkheid. Maar hij kan tegelijk ook worden gezien als een symbool voor het teruggetrokken leven dat de vrouwen leidden, afgeschermd door hoge muren van de vijandige buitenwereld, maar ook van de mannelijke wereld van politiek en economie.

Vanaf de zestiende en de zeventiende eeuw wordt die kleine besloten tuin geleidelijk aan vervangen door grotere tuinen met ingewikkelde patronen en spectaculaire avenues en waterwerken die de fysieke en intellectuele suprematie van de mens, de mannelijke mens dan, over de natuur moesten illustreren. Met de ontdekking van nieuwe continenten, waardoor ook tal van nieuwe bloemen en planten bekend raakten en de botanica de meest verheven wetenschap werd, werd de vrouw zelfs uit de bloementuin verbannen, tot dan toe haar bevoorrechte terrein. De nieuwe exotische planten waren veel te belangrijk, te prestigieus en vooral te kostbaar om ze aan vrouwen over te laten.

Dat was een privilege dat slechts was weggelegd voor koninginnen en voor een paar rijke weduwes of ongehuwde erfgenames, de enigen die in die tijd het recht hadden om eigendommen te bezitten. De bekendste tuinierster uit deze periode was desondanks een vrouw, koningin Mary II. Samen met haar man Willem III van Oranje legde zij onder meer de tuinen van Het Loo in Nederland en van Hampton Court in de buurt van Londen aan. Mary was een grote bloemenliefhebber en een verwoede plantenverzamelaar. Bij haar dood in 1694 - ze was toen nauwelijks 32 jaar oud - telde haar verzameling meer dan vierhonderd planten die nieuw waren voor Engeland. Vanaf de achttiende eeuw, toen eerst de formele Franse tuinen en later de Engelse landschapstuinen opnieuw haast alle bloemen uit de tuin weerden, werden die bloemen weer het terrein van de vrouw. Nutteloos maar mooi, een aangenaam tijdverdrijf, en vooral totaal ongevaarlijk voor de mannelijke suprematie. Misschien nog meer dan voorheen werd de tuin een haast exclusief mannelijke bezigheid. De mannen ontwierpen de tuinen, vrouwen mochten erin rondwandelen, maakten deel uit van het decor en hielden zich in het beste geval bezig met het decoreren van schelpengrotten en met schilderen of classificeren van planten, het nieuwste gezelschapsspel voor dames van stand.

Slechts een paar vrouwen beschikten over een voldoende groot eigen fortuin om een tuin te laten aanleggen én konden bovendien lezen en schrijven, waardoor ze toegang hadden tot de vaak ingewikkelde iconografie van deze tuinen, gebaseerd op teksten van de Griekse en Romeinse klassieken. Van een vrouw van stand werd alleen verwacht dat ze kon borduren, dansen en zingen, gasten ontvangen en wist hoe ze een huishouden moest runnen. Te veel 'mannelijke kennis' was onvrouwelijk en zou haar van het rechte pad afbrengen en een goed huwelijk in de weg staan.

Opnieuw namen enkele koninginnen en prinsessen het voortouw, te beginnen met de uit Duitsland afkomstige koningin Caroline. Zij deed een beroep op de belangrijkste architecten uit die tijd voor de heraanleg van de koninklijke domeinen van Hyde Park, Kensington en Richmond Lodge. Caroline was niet alleen van huis uit een tuinliefhebster, met haar grootse tuinprojecten had ze ook een politieke bedoeling: bewijzen dat ze zich als Duitse prinses perfect thuis voelde in Engeland en de nieuwe Engelse tuinstijl verkoos boven de formele Europese tuinen. Dat lukte maar ten dele. "Queen Caroline made pretensions to Learning and Taste, with not much of the former and none of the latter", ridiculiseerde de vooraanstaande criticus Horace Walpole.

Ook haar schoondochter, Augusta van Saxen-Gotha, ontpopte zich na het overlijden van haar man, Frederick, Prince of Wales, tot een gedreven tuinmecenas. Zij woonde in Kew en bracht er in de loop der jaren een exquise botanische collectie samen die aan de basis lag van de huidige Royal Botanic Gardens.

De derde koninklijke figuur was eveneens van Duitse komaf, Charlotte Sophia van Mecklenburg-Strelitz, echtgenote van Koning George III. Terwijl haar man de koninklijke parken van Richmond en Kew verder verfraaide, bestudeerde de koningin het nieuwe classificatiesysteem van Linnaeus. Daarmee zorgde ze voor een kleine revolutie omdat het systeem van Linnaeus, gebaseerd op de seksuele kenmerken van planten, als onbetamelijk voor vrouwen werd beschouwd. Het kon hen wel eens op verkeerde gedachten brengen en hun verderfelijke passies doen oplaaien.

De industrialisering en de toenemende verstedelijking zorgden in de loop van de negentiende eeuw voor ingrijpende veranderingen die ook hun invloed hadden op de maatschappelijke positie van de vrouw en op het tuingebeuren. Het was niet langer alleen de oude aristocratie die over de middelen beschikte om tuinen aan te leggen, maar ook de rijk geworden industriëlen en handelaars. Ook voor de begoede middenklasse was een huis met tuin op het platteland in toenemende mate bereikbaar.

In tal van publicaties uit de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw wordt een paradijselijk beeld opgehangen van het leven op het platteland in met rozen en klimop begroeide huizen en theeparty's en croquetwedstrijden op perfecte gazons. Meestal bleef de rol van de vrouw in deze idyllische wereld beperkt tot die van gastvrouw die ervoor zorgde dat het huishouden vlot verliep. De meeste huizen en tuinen waren nog altijd het werk en het eigendom van mannen, ook al werden de eerste barsten in de mannelijke suprematie zichtbaar. Zo verkregen gehuwde vrouwen in 1882 de volle juridische controle over hun persoonlijke eigendommen, ze konden in bepaalde omstandigheden een echtscheiding aanvragen en ze kregen ook het hoederecht over hun kinderen. Maar het feit dat erfenissen nog altijd overgingen in de mannelijke lijn en dat vrouwen uit de hogere en middenklassen uitgesloten waren van de arbeidsmarkt, maakte het verwerven van eigendommen bijna onmogelijk.

Bovendien speelde de Victoriaanse moraal hen ook vaak parten. Op de tentoonstelling hangt bijvoorbeeld een portret van Lady Dorothy Nevill, die op 22-jarige leeftijd een affaire had met een bekende Tory-politicus. Dat ruïneerde haar reputatie en hypothekeerde haar huwelijkskansen - haar minnaar ondervond nauwelijks enige carrièrehinder -, zodat ze snel werd uitgehuwelijkt aan een twintig jaar oudere neef. Zij gebruikte diens fortuin om zich uit te leven in haar tuinpassie. Ze had op een bepaald ogenblik 33 tuinmannen in dienst, bouwde dertien serres voor orchideeën en exotische planten, ze legde een arboretum aan, verzamelde vleesetende planten en correspondeerde met de voornaamste wetenschappers uit haar tijd, onder wie Charles Darwin, die haar zeldzame orchideeën en slakken opstuurde. Toen haar man stierf, had ze zijn fortuin er grotendeels doorgejaagd en was ze verplicht om haar plantencollectie te verkopen, de grootste privé-collectie uit die tijd. De prins van Monaco kocht haar verzameling tropische palmen, waarvoor hij een speciale stoomboot moest charteren om ze naar Monaco te vervoeren

Lady Nevill mag dan naar Victoriaanse normen geen toonbeeld van respectabiliteit zijn geweest, haar hobby was intussen vrij algemeen aanvaard als een respectabele bezigheid voor vrouwen uit de hogere en middenklassen. Een belangrijke rol speelden daarin de boeken van Jane Loudon, zoals Gardening for Ladies, dat in 1840 verscheen, en The Ladies' Companion to the Flower-Garden uit 1841. "Whatever doubts may be entertained as to the practicality of a lady attending to the culture of culinary vegetables and fruit trees, none can exist regarding her management of the flower garden", zo schreef ze. Het blijft dus wel om de bloementuin gaan, de rest van de tuin is nog altijd grotendeels mannenwerk. Zelfs een tuinlegende als Gertrude Jekyll, die in de tweede helft van de negentiende eeuw mee aan de basis lag van een revolutie in de Britse tuincultuur, wordt meestal naar de bloementuin verbannen en uitsluitend als de moeder van de bloemenborder beschouwd. Terwijl het 'ernstige werk' op naam van haar mannelijke partner, de architect Edwin Lutyens, wordt geschreven.

Dit veranderde radicaal in het begin van de twintigste eeuw, toen enkele ondernemende dames startten met tuinbouwscholen voor meisjes uit de betere klassen. "Given the right tools, women could work as hard as man", zo schreef Frances Wollesey, een van de bekendste oprichters van zo'n school. De carrière in de tuinsector bood jonge vrouwen met talent en werkkracht een mogelijkheid tot een zinvol en onafhankelijk leven, zo geloofde ze, terwijl ze de tuin beschouwde als een middel tot sociale vooruitgang en een belangrijk instrument om de rurale waarden te promoten en de teloorgang van de traditionele samenleving af te remmen. De Eerste Wereldoorlog zorgde ervoor dat deze vrouwelijke tuiniers zeer gegeerd waren, de meeste mannen waren immers opgevorderd voor de loopgraven.

Aanvankelijk werd nogal schamper gedaan over deze vrouwelijke tuiniers. In The Times verscheen bijvoorbeeld rond de eeuwwisseling een sarcastisch stukje over een volkstoeloop in Kew Gardens, waar de bezoekers niet alleen bloemen konden bewonderen, maar ook vrouwelijke tuiniers in kniebroeken: "From the roofs of the buses they had a fine view of the ladies in bloomers who gardened at Kew - Who wants to see blooms now you've bloomers at Kew?"

Na de Eerste Wereldoorlog ging het snel bergaf met de grote landgoederen van de Britse landadel. Grote fortuinen gingen verloren in de economische crisis van de jaren '20 en het Britse rijk had ook zijn beste tijd gehad. Het grootschalige tuinieren werd stilaan een anachronisme of het privilege van een paar rijke Amerikaanse excentriekelingen of van de nieuwe captains of industry.

Tegelijk zien we hoe vrouwen in de loop van deze eeuw in toenemende mate hun stempel hebben gedrukt op de Britse tuincultuur. Vrouwen als Vita Sackville-West, Margery Fish, Rosemary Verey, Penelope Hobhouse en Beth Chatto zijn ook bij ons geen onbekenden. Hun boeken zijn in het Nederlands vertaald en jaarlijks bezoeken honderden Vlamingen hun tuinen. Het blijven echter nog altijd vrouwen uit de betere sociale klassen. "Grand gardening requires time, land and money and these are still not accessible to most women. Change is happening, but the social hierarchy of England can still be identified through an analysis of gardening style and taste", zo stipt Sue Bennett aan. Voor sommige van deze vrouwen, zoals Sackville-West, was de tuin een plek om zich terug te trekken en te bezinnen. Voor anderen, zoals Hobhouse, opende hij mogelijkheden tot een eigen professionele carrière. Beth Chatto is een van de enige vrouwen in dit rijtje die niet uit zo'n begoed milieu komt maar die zich met hard werken via haar eigen tuincentrum heeft opgewerkt tot wat ze vandaag is. Zij is volgens Bennett de eerste van een nieuwe generatie professionele tuinvrouwen die niet meer kunnen rekenen op hun afkomst en hun familiefortuin, maar die het moeten hebben van hun kennis en hun werkkracht.

Escape to Eden, tot 21 januari, dagelijks van 10 tot 18 uur, donderdag en vrijdag tot 21 uur. Een tweede, kleinere expositie toont recente foto's van enkele belangrijke hedendaagse Britse tuinvrouwen zoals Penelope Hobhouse, Anna Pavord, enz. Info: National Portrait Gallery: 00-44-20-7312 2463 of via de website: www.npg.org.uk

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234