Donderdag 17/06/2021

Zes maanden na de vloedgolf is nog maar bitter weinig te merken van de heropbouw in Atjeh

Nengsi: 'Het leven in een tent maakt me ziek. Het is er heet, we leven op elkaar gepakt en het is geen echte thuis. Ik maak me zorgen dat de hevige wind onze tent vroeg of laat zal wegblazen'

Na de tsoenami: het verhaal van één vrouw

Nengsi woont in een tent begroeid met schimmel. Als het regent, loopt haar bed onder water. Ze heeft alleen zout water om zich te wassen. Toen een reusachtige golf haar huis vernielde zes maanden geleden, raakten zij en haar man alles kwijt. Nu beginnen ze hun geloof in de toekomst te verliezen.

Lamsenia, Atjeh

The Independent

Kathy Marks

Na vier dagen van bijna aanhoudende regen werd Nengsi om vier uur 's ochtends wakker in een ondergelopen tent, water klotste tegen de bovenkant van het bed waar haar man, Amiruddin, nog altijd onrustig sliep. Hun sandalen waren weggedreven, samen met een steelpan. Nengsi, een kleine Atjehnese vrouw, vertelt het verhaal lusteloos, want doorweekte nachten zijn routine geworden voor het koppel, samen met primitief sanitair en slecht werkende elektriciteit. De binnenkant van hun tent is begroeid met schimmel.

Dit zijn de omstandigheden waarin Nengsi en Amiruddin moeten leven sinds tweede kerstdag, toen hun huis werd vernield door de tsoenami. Hun situatie wordt weerspiegeld over heel Atjeh, Noordwest-Indonesië, waar ongeveer 170.000 mensen omkwamen en bijna 600.000 dakloos werden. De afgelegen provincie doorstond het zwaartepunt van een van de ergste natuurrampen van de moderne tijd, en donaties en hulpverleners stroomden toe.

Zes maanden later, echter, hebben de inwoners van Atjeh weinig voordeel verkregen, behalve primair onderdak en een paar zakken rijst. Na in één klap alles te zijn kwijtgeraakt - huizen, families, bestaansmiddelen en gemeenschappen - verlangen ze ernaar terug te keren naar hun land en weer op te bouwen. De meeste van de meer dan driehonderd internationale organisaties die werkzaam zijn in de provincie zijn het erover eens dat huisvesting en infrastructuur topprioriteit zijn. Maar ondanks het verstrijken van de tijd is de wederopbouw nog maar net begonnen, en vluchtelingen als Nengsi leiden een erbarmelijk leven.

Ongeveer 200.000 mensen leven in een tent in een van de bouwvallige nederzettingen in Atjeh. Tienduizenden anderen wonen in overvolle tijdelijke barakken, goedkope houten constructies opgetrokken door de overheid. Voor de bezoeker lijkt het tempo van herstel schandalig traag, en de Indonesische autoriteiten lijken dat eindelijk in te zien. Vorige maand werd een nieuwe instantie, het Agentschap voor reconstructie en rehabilitatie, opgericht om bouwcontracten uit te reiken en om het werk van de overheid en buitenlandse organisaties te coördineren.

Als de vertraging frustrerend is geweest voor buitenstaanders, moet het onverdraaglijk zijn geweest voor de getroffen inwoners van Atjeh. Het zijn lange, lege maanden geweest voor hen, en nu - niet verwonderlijk - zijn ze cynisch over de hulp. "Ik had nooit gedacht dat we zo lang zouden moeten wachten", zegt Amiruddin. "In dit tempo zal het twintig jaar duren om Atjeh weer op te bouwen."

Nengsi is het grondig beu om in een tent te wonen. "Het is heet, het is krap en het is geen echte thuis", zegt ze. "Ik ben bang dat ze zal wegwaaien als er sterke wind staat. Het is ook vervelend. Als je in een tent woont, kun je je geest niet openen." Ze wast zich met water uit een zoute bron. "Het doet pijn aan je huid."

Lamsenia ligt op de westkust van Atjeh, die dicht bij het epicentrum van de aardbeving lag en veruit het ergst getroffen werd. De tsoenami veegde dorpen weg op de dichtbevolkte vlakten langs de kust en liet een enorme dodentol en een desolaat landschap achter. Geïsoleerde gemeenschappen zijn na zes maanden nog steeds afhankelijk van voedsel en water, dat bezorgd wordt per helikopter of boot.

In de hoofdstad van de provincie, Banda Atjeh, bruist het commerciële leven weer. Hotels en winkels zijn weer open en kraampjes serveren opnieuw Atjehs beroemde koffie en krabnoedels, een populair plaatselijk gerecht.

Maar de situatie is heel anders buiten de stad, waar het spoor van vernieling nog steeds pijnlijk duidelijk is. Als je naar het westen trekt, zie je om de paar kilometer groepjes tenten, achtergelaten in een zee van puin en modder. Lege woestenijen worden slechts onderbroken door brokstukken van verwoeste gebouwen, of hier en daar een doorweekte palmboom.

Zo intens is het verlangen om naar huis te gaan dat veel overlevenden tenten hebben opgeslagen op de betonnen funderingen van hun vroegere huizen. Sommigen hebben het opgegeven om op hulp te wachten, en hebben hun spaargeld uitgegeven aan bouwmateriaal.

Huisvesting is slechts een van hun behoeften. Mensen willen werken. In Lamsenia zucht Amiruddin wanneer hij wijst naar rijstvelden overstroomd door zout water. De mannen kunnen niet vissen, omdat hun boten vernield zijn. Ze hebben geen kettingzagen, dus kunnen ze geen hout hakken. Land waar pepers en graan verbouwd werden, is onbruikbaar. Een garnalenkwekerij werd opgeslokt door de zee.

Nengsi en Amiruddin waren in Banda Atjeh toen het onheil toesloeg. Toen ze vijf dagen later naar huis terugkeerden, zagen ze niks dan verwoesting. Elk gebouw in hun dorp was verdwenen, samen met 80 procent van de bevolking. "Het leven is helemaal anders nu", zegt Nengsi. "Je had het hier vroeger moeten zien, het was heel mooi en groen."

Het leven is ook op andere manieren veranderd. Meer dan driekwart van de mensen die omkwamen in Lamsenia waren vrouwen, een beeld dat in de hele provincie terugkwam. De mannen waren hout aan het hakken in de heuvels of aan het werken in de stad. De vrouwen en kinderen waren thuis. Ze waren zwakker, niet zo goed in staat om te zwemmen of in bomen te klimmen, en dus kwamen ze om.

De bevolkingssamenstelling en sociale structuur van Atjeh zijn compleet veranderd. De vrouwen speelden een belangrijke rol in de gemeenschap en thuis. Hun dood heeft een gapende leegte achtergelaten. Mannen moeten huishoudelijke vaardigheden leren, en voor kinderen zorgen die getraumatiseerd zijn door de tsoenami en het verlies van hun moeders. In veel gevallen is er geen familie om te helpen omdat iedereen omkwam.

Lamsenia is nu een dorp van weduwnaars, en Nengsi is een van de slechts vijftien volwassen vrouwelijke overlevenden. Elf van hen zijn weggetrokken, zodat ze haar vriendinnen op één hand kan tellen. "Sulasmi. Syukriah. Nurkamah. Ze wonen hier, maar ze slapen ergens anders, in de buurt van de bergen, omdat ze bang zijn voor nog een grote golf.

"'s Nachts ben ik de enige vrouw. Het voelt erg raar, en ook een beetje beangstigend, om omringd te zijn door zoveel mannen. Ik voel me erg eenzaam zonder de vrouwen. Ik heb niemand om mee te praten. We gingen altijd samen naar de rijstvelden. We hadden een vrouwenvereniging. Ik mis het allemaal heel erg."

De mannen van Lamsenia zijn als verloren zielen. Ze zitten samen buiten in de schemering en praten fluisterend over de leegheid van het leven zonder hun vrouwen. "Ik heb geen richting of bestemming", zegt Samso Bahri, 29, wiens 26-jarige vrouw, Fausia, stierf. "Ik heb niemand om mijn problemen mee te delen. Het dorp voelt anders zonder de vrouwen. Het is erg stil. De vrouwen waren de lijm die de gemeenschap samenhield."

Op elk vlak - maatschappij, gemeenschap, familie - is Atjeh gebroken. Honderden vierkante kilometer bewoond gebied werden met de grond gelijk gemaakt, dorp na dorp werd van de kaart geveegd. Bijna elke materiële constructie werd vernield, en ongeveer 90 procent van de bevolking kwam om. Amiruddin verloor beide ouders, drie broers, drie zussen en tientallen nichten en neven.

Hulporganisaties zeggen dat ze voor een ongeziene uitdaging staan - niet alleen gebouwen vervangen, maar volledige gemeenschappen helemaal opnieuw opbouwen. Oxfam heeft op tientallen plaatsen voor water en sanitair gezorgd. Het Wereldvoedselprogramma levert rijst, olie om te koken en vis in blik aan vluchtelingen. Intussen wordt gezocht naar graan- en rijstsoorten die in de door zout water overstroomde velden geplant kunnen worden.

Ondanks de gebeurtenissen van tweede kerstdag zijn de meeste inwoners van Atjeh vastbesloten om weer aan de zee te gaan wonen. Een man vertelde Oxfam dat hij zou terugkeren naar zijn land "zelfs als er elke week een tsoenami was". Een voorgesteld verbod op bouwen binnen een mijl van de kust stootte op zo'n hevig verzet dat ervan afgezien werd. Maar de onzekerheid die het creëerde, wordt genoemd als de voornaamste reden voor de aarzeling om grote projecten op te starten.

Paul Dillon, woordvoerder van de Internationale organisatie voor migratie (IOM), zegt dat wederopbouw meer inhoudt dan "gewoon een paar huizen optrekken". Alle voorzieningen - water, afvalverwerking en rioolwaterzuivering, scholen, klinieken - moeten verschaft worden; de IOM bouwt nieuwe vissersboten en deelt landbouwgereedschap uit. Tsoenami-vluchtwegen worden uitgestippeld, zodat mensen naar de heuvels kunnen vluchten.

De IOM is 11.000 tijdelijke huizen aan het bouwen - geprefabriceerde betonnen woningen die bestand zijn tegen aardbevingen. Contracten zijn gesloten voor de bouw van nieuwe scholen en klinieken, en voor herstellingen aan havens en wegen. Michelle Lipner, hoofd van de VN-afdeling voor humanitaire zaken in Banda Atjeh, waarschuwt voor onrealistische verwachtingen. "In de beste omstandigheden duurt herstel vijf tot tien jaar, en dit zijn de slechtste omstandigheden, omdat we van nul beginnen."

Dat kan wel waar zijn, maar het is geen troost voor Nengsi, die denkt aan weer een vochtige nacht onder het canvas. "Ik wil dat alles hetzelfde is als vroeger", zegt ze. "Het is moeilijk te beschrijven hoe gelukkig we waren vóór de tsoenami."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234