Dinsdag 23/07/2019

Burn-out

Zelfs de grootste knoeier kan zich burn-outcoach noemen: "Met de psyche van mensen experimenteer je niet"

Opschudding in stressland, want de grootste knoeier kan zich burn-outcoach noemen, zo hekelen experts. Nog altijd is er geen eenduidige definitie van burn-out. Laat staan een diagnose. Zelfs het woord ‘coach’ is ongelukkig gekozen. "In die eerste maanden is er geen coachen aan."

Beeld Annelien Smet

'Tuurlijk, geef maar.’ ‘Komt in orde.’ ‘Ik help wel even.’ Op elke vraag die Lieselot Maes (33) kreeg, pikte ze een antwoord uit het rijtje hierboven. Of ze die opdracht erbij kon nemen of niet, speelde geen rol. Iemand had hulp nodig, dus knikte ze ‘ja’. Zo probeerde ze alle bordjes draaiende te houden als teamleider bij een grote bank-verzekeraar. Als rasechte pleaser.

Lieselot: “Ik liet iedereen mijn agenda overhoop gooien en mijn to-dolijst aanvullen met taken die er eigenlijk niet op mochten staan. Tot die lijst zo lang werd dat hij voor geen meter meer haalbaar was. Maar ik ging door. Always go the extra mile.”

Tot het licht uitging. De eerste keer was op een druilerige woensdagavond in 2014, in de keuken. Lieselot: “Ik stond boterhammen te smeren na een zware werkdag, met mijn oudste dochter van vier naast me. Haar kleine zus speelde in de living. Ik voelde me uitgeput en opgejaagd tegelijk, want mijn laptop wachtte. De spanningen in mijn team hielden me dag en nacht bezig. Ineens konden mijn benen me niet meer dragen. Ik stuikte in elkaar en kon alleen maar huilen. Mijn dochter keek me angstig aan. ‘Mama, wat is er?’”

Acht weken lang bleef Lieselot thuis, maar van een burn-out wilde ze niks horen. Die bedenkelijke titel kreeg ze liever niet opgespeld. “Toch ben ik nooit meer dezelfde geweest op het werk. Ik had zogezegd een plan, maar functioneerde niet meer. Ik liep er hele dagen rond met stapels papieren, maar ik ‘werkte’ niet meer.”

In april 2015, na een vernietigend telefoontje op het werk, kwam de finale crash. Op automatische piloot pakte ze haar spullen en ging naar huis. “Plots stond de auto thuis, en ik ook. Dus ik moet gereden hebben. Maar dat is een zwart gat. Ik weet dat niet meer. In mijn hoofd was er alleen maar mist. Wekenlang, maandenlang. Ik zat in een soort comateuze toestand. Een niemandsland.”

Lieselot staat niet alleen met haar verhaal. In 2015 telde het Riziv, het rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, zo’n 8.200 Belgen met een burn-out, onder wie 555 zelfstandigen. Dat was bijna een verdubbeling tegenover 2010. Toen ging het nog om ruim 4.500 loontrekkenden. Die cijfers zijn maar het topje van de ijsberg, want het Riziv keek voor zijn berekening alleen naar mensen die al langer dan één jaar out zijn. Een studie van hr-dienstverlener Securex spreekt zelfs van een op de tien werknemers met een burn-out.

Maar, zo benadrukken ze bij de ziekteverzekering, “burn-out is een moeilijke classificatie”. Dat zit zo: voor de uitkering bij arbeidsongeschiktheid grijpt het Riziv terug naar de International Classification of Diseases, editie 9. Een handboek van ziektebeelden, uitgegeven door de Wereldgezondheidsorganisatie. Alleen, in die editie is burn-out nog onvoldoende afgebakend om het ziektebeeld in één hokje onder te brengen. De cijfers van het Riziv “zijn dus geen exacte wetenschap”. “Wat de ene arts als burn-out bestempelt, zal zijn collega misschien anders benoemen.”

Geen consensus

Burn-out zit overal. Toch is het moeilijk er de vinger op te leggen. “Naargelang de bron of de professional krijg je soms heel andere zaken te horen”, erkent neuropsycholoog Michaël Portzky, verbonden aan het Psychiatrisch Centrum Gent-Sleidinge. “Zo is er ook nog altijd geen echte consensus over de manier waarop je burn-out vaststelt.”

Feit is dat de aandoening aan terrein wint. Bleef ze eerst nog beperkt tot de werkvloer, dan sloop burn-out steeds meer situaties binnen die niets met het beroepsleven te maken hebben, duidt Portzky. “Zoals het gezin, bij mantelzorgers, vrijwilligers, studenten.” Met telkens dezelfde drie grote kenmerken. Eén: emotionele uitputting. Je voelt hoe je batterijen helemaal leeggelopen zijn. Twee: depersonalisatie. Je wordt afstandelijker tegenover je collega’s of geliefden, op het cynische af. Drie: je twijfelt aan je eigen competenties. Als er fouten gebeuren, dan móét dat wel aan jou liggen.

Opmerkelijk: een burn-out kan ook je hormonale balans verstoren, waarschuwt neuropsycholoog Portzky. “Als het stresshormoon cortisol de pedalen kwijtraakt, kan dat flink wat schade aanrichten aan de hersenen. Het hormoon wordt dan neurotoxisch, als een sluipend gif in het brein. De lange hersenvertakkingen beginnen dan te verschrompelen. Daardoor verlies je onder zware, aanhoudende stress belangrijke verbindingsplaatsen tussen hersencellen. Je belandt in een diepe tristesse, met onder meer risico op verstoorde slaap, verstoorde seksualiteit. Met andere woorden: een burn-out is eigenlijk een voorstadium van een klinische depressie. Verzorg je die burn-out niet op een gepaste manier, dan dreig je onherroepelijk verder af te glijden.”

Hype

Precies daarom, omdat dit zo’n gevoelige materie is, trok Michaël Portzky eind vorige maand in een open brief aan de alarmbel, samen met de gerenommeerde stressexpert Luc Swinnen. Daarin hekelden ze de wildgroei aan burn-outcoaches. Omdat iedereen die dat wil zich zo kan noemen. Gevolg: mensen met ernstige mentale problemen vallen geregeld in de handen van charlatans, soms met dramatische gevolgen. Zij pleiten dan ook voor een beschermd statuut, om het kaf van het koren te scheiden onder de coaches en zorgverleners.

Portzky: “Het is een lelijk woord, maar burn-out is momenteel een ‘hype’. Dan heb je het gevaar dat mensen, opgebrand en oververmoeid, zelf googelen, op de eerste de beste coach afstappen en zelf de diagnose aanreiken: ‘Ik heb een burn-out.’ Als die coach dan geen enkele medische achtergrond heeft, en ook niet aanstuurt op verder onderzoek, dan kan de boel snel escaleren als er toch meer achter zit. Zo heb ik een vrouw in mijn praktijk gekregen die er uiteindelijk zo slecht aan toe bleek omdat ze met twee vreselijke bacteriën zat. Terwijl haar zelfverklaarde coach steevast had gezworen: ‘U bent hoogsensitief, dat is het.’”

Veel coaches hebben het grote geld geroken nu burn-out booming business is, waarschuwen kenners. Portzky: “Daarom moet er toch een minimum aan garantie zijn dat je niet zomaar bij een lolbroek terechtkomt die drie Flairs, één Goed Gevoel en één Slecht Gevoel gelezen heeft en dan doodleuk besluit: ‘Het ligt aan de gluten, meneer. Stop met gluten eten.’ Je moet je patiënten duiden hoe het komt dat ze in die hel verzeild zijn geraakt. Hoe ze voortaan hun grenzen kunnen bewaken. En, eenmaal hersteld, hoe ze herval kunnen voorkomen. Want daar zijn velen als de dood voor: ‘Dit nooit meer, dokter.’”

Ook Jocelyn Desreumaux luistert soms “vol verbazing naar de charlatanverhalen van zelfverklaarde coaches die denken munt te slaan uit mensen met burn-out”. Zelf volgde ze een jaar­opleiding tot ontwikkelingsgerichte professionele coach aan het Ontwikkelingsinstituut. Nadien volgde ze een bijkomende opleiding tot burn-outcoach bij dokter Luc Swinnen, omdat ze “aanvoelde dat de aanpak bij burn-out anders moest zijn”. Maar zelfs nu, met die kennis op zak, zal ze elke cliënt met vermoedelijke burn-out of meer doorverwijzen naar de huisarts of psychiater. “Je moet bij je leest blijven”, vind ik. “Ziektebeelden moeten nu eenmaal terechtkomen waar ze horen. Vergelijk het met een apotheker. Die heeft ook heel goede medicijnen in zijn kast staan, maar die kan hij pas uitdelen na het oordeel van een arts, niet andersom. Zo zie ik ook mijn rol als coach. Je experimenteert niet met de psyche van mensen.”

Maar ze kent de verhalen wel, over coaches die minder kennis en scrupules hebben. Desreumaux: “Ik heb verhalen gehoord van mensen die het gevoel hadden nog meer te falen, omdat hun coach dingen van hen verwachtte die ze niet konden waarmaken. Zoals oplijsten waar ze wél nog energie uithaalden. Kijk, dat moet je nu eenmaal niet vragen aan iemand met een burn-out. Die hééft geen energie. Bij die mensen werkt alleen nog het reptielenbrein. Daardoor vallen ze terug op basisbehoeftes: eten, drinken, slapen, seks. Het moderne brein dat denkt, dat sociaal aangepast reageert, dat is bij burn-out uitgeschakeld.

Om dan met therapie te starten die meteen een beroep doet op het denkvermogen en de cognitieve vaardigheden. Tja, dat is compleet nutteloos. Zo duw je die persoon nog dieper in de put.”

Meer nog, het woord ‘burn-outcoach’ op zich is eigenlijk ongelukkig gekozen, merkt ze op. “Het is raar om te zeggen, maar die eerste maanden neem je als coach je cliënt echt bij het handje. Terwijl je anders onmiddellijk appel maakt op het zelfsturend vermogen, kan dat bij mensen met burn-out niet. Die hebben geen zelfsturing meer, dat deel van de hersenen ligt gewoon plat. Ze zijn stuurloos. Vandaar ook de heftige emoties: uitputting, razernij, intens verdriet… Daar zit geen rem meer op.

“Vaak zie je ook verslavingsverschijnselen optreden: buitensporige vreetbuien, alcoholmisbruik. Omdat het reptielenbrein alleen maar denkt: overleven. Wat je dan bij het begin als coach kunt doen, is haast letterlijk voedingsschema’s meegeven. Je lepelt hen weer wat structuur en houvast in. Jij bent bij wijze van spreken het alfadier dat aan het reptiel zegt: ‘Jij gaat dat nu zus en zo doen, want dat is goed voor je. Punt, andere lijn.’ Dat is ondenkbaar bij gewone coaching, waar alles vanuit de cliënt zelf komt en je enkel als gids meestapt, triggert en uitdaagt.”

Paniekaanvallen

Lijstjes moeten maken in tijden van black-outs: herinner Lieselot er alsjeblieft niet aan. “Toen ook mijn gemoed sterk onder mijn burn-out leed, trok ik naar een psycholoog. Ik ben daar nog kleiner buitengekomen dan ik er binnenging. Ik die geen cognitieve vaardigheden meer had, kreeg de raad om een to-dolijstje te maken. Kwestie van even door die zure appel te bijten, en ik zou wel opkikkeren. Hoe kon ik nu een lijstje maken? (verontwaardigd) Zelfs de namen van mijn kinderen waren soms moeilijk om op te vissen.

“Even de krant lezen? Ook dat lukte niet. Ik zag groepjes letters die woorden moesten vormen, maar het kwam niet binnen. Organiseren, nog zo’n ramp. In onze keuken hangt een ‘family planner’. Daarop staat de hele weekplanning: wanneer de kinderen waar naartoe moeten. Ik keek ernaar, maar kon het niet eens ‘aflezen’. Ik kreeg die informatie niet verwerkt. En hoe vaak heb ik in de supermarkt mijn gevulde kar niet laten staan, na alweer een paniekaanval. En waarom? Omdat ik niet meer wist welk merk wasverzachter ik gebruik. Ik koop nochtans al jaren hetzelfde. Ik stond daar naar al die flessen te staren en kon de juiste er maar niet uit pikken. Een andere kiezen was geen optie, te veel denkwerk.”

Bij een andere psycholoog vond Lieselot wel gehoor. Ze kon er ventileren, alles kreeg een plaats. En ze wist: ‘Ik keer nooit meer terug naar mijn job. Ik word coach.’ Burn-outcoach, met een doorgedreven opleiding bij onder meer stressdokter Luc Swinnen. Ondertussen begeleidde Lieselot in haar eigen privépraktijk al een twintigtal mensen. “Maar”, zo benadrukt ze, “een burn-out is geen bloedprik. Je leest niet zomaar af wat er allemaal scheelt. Je kunt het niet in een-twee-drie pinpointen. Daarom verwijs ik altijd door naar de huisarts. Als je zelf de medische achtergrond mist, moet je die erbij betrekken. Stel: een cliënt klaagt over vermoeidheid. Wie weet is er dan een probleem met de schildklier? Of is er een virus in het spel?”

Plus, zo onderlijnt ze nog: “Ik ben geen coach geworden om aan mezelf te werken. Want dat zie je wel vaker in die opleidingen. Het bulkt er van de mensen die van alles over zichzelf te weten willen komen. Dat kleurt je opleiding.”

‘Lieselot, heb ik nu een burn-out?’ Het is een vraag die heel regelmatig valt in haar praktijk. “Alsof dat label rust kan brengen”, zegt ze. “Sommigen willen dat ik het letterlijk uitspreek, omdat het hen duidelijkheid geeft. Ze hebben een richtingaanwijzer nodig. Dan weten ze: het is iets wat kan keren, wat kan genezen. Veel huisartsen benoemen het niet expliciet, heb ik de indruk. Wellicht omdat het zo flou is?”

Zoals rouwproces

In de grote DSM, het handboek van de psychiatrische aandoeningen, zul je alleszins geen internationale definitie van burn-out terugvinden, stelt Nederlands arbeidspsycholoog Wilmar Schaufeli (Universiteit van Utrecht). “Zelf zou ik het ook geen psychische stoornis willen noemen. Dat klinkt zo zwaar, alsof er een draadje in je hoofd los zit. Zie burn-out liever als een afwijking van de norm. Als een niet-geslaagde aanpassingsreactie. Je kampt met veel stress en gaat daar op een verkeerde manier mee om. Vergelijk het met rouw. Ook dat is iets waar we allemaal weleens door moeten, maar waar sommigen langer in blijven hangen.”

In Nederland is de kijk op burn-out “dubbel”, geeft Schaufeli aan. Aan de ene kant wordt het ziektebeeld niet expliciet genoemd in wetteksten of koninklijke besluiten. Aan de andere kant is het wel officieel geregistreerd bij overheidsinstanties zoals het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), dat instaat voor de vergoedingen bij arbeidsongeschiktheid. Wel is het zo dat Nederlandse werkgevers al heel wat initiatief nemen, stellen kenners. Schaufeli: “De meesten schakelen via de bedrijfsarts een gespecialiseerd centrum in, waar hun uitgevallen werknemers cognitieve gedragstherapie krijgen. Allemaal heel evidence based.”

Ook ons land wil niet achterblijven. Zo wenst minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld) burn-out te erkennen als beroepsgerelateerde ziekte. Dat zou de overheid toelaten om gerichte preventiecampagnes op te zetten en begeleiding te voorzien om getroffen werknemers opnieuw aan de slag te krijgen. Fedris, het federaal agentschap voor beroepsrisico’s, zette eerder al initiatieven op touw voor werknemers met lage rugpijn. “Begin volgend jaar start er eenzelfde, grootschalig pilootproject, maar dan voor burn-out”, stelt Els Cleemput, woordvoerster van minister De Block. “Met speciale programma’s om tijdig in te grijpen. Of om mensen te begeleiden die al in een burn-out verwikkeld zijn.”

Precies op dat moment, bij de lancering van het pilootproject, zou minister De Block burn-out als beroepsgerelateerde ziekte erkennen. Let wel, dat is niet hetzelfde als een beroepsziekte. Beroepsziekten loop je op door het uitoefenen van je werk. Bijvoorbeeld: een mijnwerker met stoflong. In dit geval kan de opgelopen gezondheidsschade door Fedris worden vergoed. Werkgerelateerde ziekten (bijvoorbeeld rugpijn bij verpleegsters) zijn geen vergoedbare kwalen, omdat de job niet wordt gezien als de hoofdoorzaak van de ziekte.

Andere factoren dan werk alleen

Ha nee, is het werk dan niet de oorzaak? “Bij een burn-out is er vaak meer dat speelt”, stelt Lieselot Maes. “Je kunt zoveel stress ervaren. En het zijn altijd hetzelfde lijf en hetzelfde brein die het moeten dragen. Een relatie die in het honderd loopt, buren die lastig doen, kinderen die door een moeilijke fase gaan. Heel vaak loop je veel mis als je alleen naar de factor ‘werk’ kijkt. Ook bij mij was mijn job niet meer dan de druppel. Er was ook mijn gezin, waar ik de lat veel te hoog legde. Ik had zo’n beeld in mijn hoofd dat ik naast die leidinggevende functie op het werk ook nog eens de perfecte mama en vrouw moest zijn. En ook nog eens aan sport moest doen. Zo loopt je emmer vol. Meestal heb je lang gespaard voor die laatste druppel valt.”

Het potje kan lang koken voor het overloopt, beaamt neuropsycholoog Michaël Portzky. Een van de valkuilen volgens hem is het presenteïsme: je bent nog aan het werk, maar bent eigenlijk al ziek. Je stressbalans helt al volledig naar de verkeerde kant over. Om die balans in kaart te brengen, werkt Portzky met de zogenoemde palliatieve palletschaal. Die geeft aan welke activiteiten je doet om je gedachten te verzetten. Er zijn positieve activiteiten (sporten, lezen, een film meepikken) en destructieve (alcoholmisbruik, drugsgebruik).

Portzky: “Als ik in bedrijven een lezing geef, laat ik de werknemers eerst anoniem die palliatieve palletschaal invullen. Ik kan je verzekeren: de directie schrikt zich vaak een hoedje. Wat daar allemaal uitkomt. Er is zo veel verdoken kwetsbaarheid. Als je dan wacht tot iemand er helemaal onderdoor gaat, gaan er veel mogelijkheden verloren.”

Dat we zoveel uren kloppen, het is iets waar we graag over toeteren. Maar, zo zeggen experts, dat is niet eens het probleem. Je hebt mensen die úren doorgaan en nooit vastlopen. En je hebt er die parttime werken en toch opbranden. Portzky: “Puur omdat ze geen zingeving ervaren in hun job. Zinvolheid is zwaar onderschat. Het is ook de reden waarom je zoveel werknemers afgestompt ziet raken in onze vergadercultuur. Ze gaan van de ene meeting naar de andere, maar wat voor zin heeft het als er niemand knopen doorhakt? En ondertussen stapelt het werk op hun bureau en in hun mailbox zich maar op.”

Het is ook een valstrik voor wie, eenmaal hersteld van burn-out, terugkeert naar het werk. Portzky: “Velen zijn niet langer de strebers van voordien. Plots gaan ze zelfs uitstelgedrag vertonen. Precies omdat ze zich niet opnieuw tot over hun oren in het werk willen steken, uit angst voor herval. Dus stellen ze alles maar uit. Tot ze ineens de zin van hun job niet meer inzien. Dan dreigt er weer iets anders: een bore-out. Dat is echt een slappe koord.”

Mensen die aan het wankelen gaan, door stress of burn-out. Voor Lieselot Maes zijn het zowat de gedroomde cliënten. “Ik ben zo blij dat ik niet meer met cijfers en centen werk, maar met mensen. Alleen, ik ben niet zo commercieel. En dan zie ik soms anderen die wel een ‘booming business’ hebben, maar van wie ik weet dat ze gebakken lucht verkopen. Coaches die beweren dat ‘je je wel uit je burn-out kunt eten’, zonder dieper te kijken. Vreselijk.

“Kijk, bij mij hangt er ook geen masterdiploma psychologie aan de muur. Misschien ben ik ook een ‘zelfverklaard expert’. Maar ik speel niet met mentaal kapitaal. Ik mag er niet aan denken.”

Behoefte aan een gratis, anonieme en wetenschappelijke zelftest? Kijk dan even op de website van Fit in je hoofd (voor de veerkrachtschaal en palliatieve palletschaal) of de website van Pobos (burn-outmeetschaal).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden