Woensdag 07/12/2022

Zelfregulering is geen zelfverdediging

'Stefaan De Clerck holt hopeloos achter de feiten aan'

Feiten zijn heilig en commentaar is vrij. Die stelregel heeft de Raad voor Deontologie, een orgaan van de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (AVBB), al gebruikt in diverse adviezen over klachten in verband met opiniebijdragen in de media. Volgens het Europees Hof van de rechten van de mens mag zo'n bijdrage kwetsend, schokkend en zelfs beledigend zijn. Maar een opinie of commentaar wint natuurlijk aan kracht als de feiten die erin vermeld worden juist zijn.

In een standpunt in De Morgen (DM 28/1) wenst Douglas De Coninck de AVBB "de pot op". Hij borduurt daarbij voort op een ander artikel (DM 26/) over het debat over de journalistieke deontologie, dat losbrak na het bezoek van senator Jean-Marie Dedecker (VLD) en VTM-journalist Thomas Van Hemeledonck aan Marc Dutroux in de gevangenis van Aarlen. Op basis van de journalistieke plichtenleer meent De Coninck dat de Raad voor Deontologie geen been heeft om op te staan als hij zich in een advies negatief of kritisch zou uitlaten over de werkmethode van Van Hemeledonck. Nog volgens De Coninck, die een persoonlijke ervaring met de Raad in herinnering brengt, werpt dit orgaan zich op als een onderdeel van "een establishment" dat ook rechtbanken inschakelt om journalisten te ruïneren. Ten slotte zou er een kwalijke kant zijn aan het feit dat de AVBB de hele heisa omtrent het Dutroux-interview aangrijpt en een front vormt met CD&V-voorzitter Stefaan De Clerck om te komen tot een Raad voor de Journalistiek, die in de toekomst zou bepalen welk nieuws maatschappelijk relevant is en welke journalisten goed genoeg zijn om dat te brengen. Een serene bijdrage aan de discussie over de zelfregulering door media en journalisten kan dat moeilijk worden genoemd.

De AVBB blies de Raad voor Deontologie in april 1995 nieuw leven in om te anticiperen op de aanzwellende kritiek van justitie en politiek op de aanpak door de media van een aantal belangwekkende dossiers (Agusta, de moord op Cools...). De vrees bestond dat de overheid beperkende regels zou opleggen aan journalisten en daardoor zou raken aan het fundamentele recht op persvrijheid. Maar onder meer door de stappen van de AVBB bleef de zelfregulering overeind. De hoop dat dat juridische stappen tegen journalisten zou ontmoedigen, bleek niet helemaal uit te komen.

Sinds 1995 houdt de Raad voor Deontologie consequent vast aan een aantal werkingsprincipes. De Raad is geen orde en evenmin een rechtbank die journalisten of redacties veroordeelt en sancties zoals een blaam of een schorsing uitdeelt. Tussen haakjes: de erkenning van beroepsjournalisten is geregeld door een wet van 1963 en is de opdracht van een aparte commissie die werkt onder de administratieve verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. Wie voor een medium werkt, beslist zelf of hij/zij een erkenning nastreeft. De werking van de Raad voor Deontologie houdt met dat aspect van het beroep geen enkel verband.

De Raad voor Deontologie spreekt zich niet uit over de relevantie van geschreven of audiovisuele bijdragen. Daarover oordelen journalisten en redacties inderdaad zelf "binnen de grenzen van wat juridisch en deontologisch kan". Ook een toekomstige Raad voor de Journalistiek moet niet oordelen over het maatschappelijke belang of het ethische gehalte van een artikel of een uitzending. Daar zijn andere fora voor. Anders steekt die Raad een grens richting censuur over en dat staat haaks op het recht van het publiek op informatie en van journalisten om die informatie ongehinderd te verzamelen en te publiceren.

De Raad voor Deontologie (met twaalf Vlaamse en Franstalige journalisten) probeert wel door middel van adviezen over klachten en vragen in verband met de plichtenleer de toepassing van de basisregels te verduidelijken. Die gelden zowel voor een bondig verslag over een banaal ongeval als voor een ophefmakend dossier dat de vrucht is van onderzoeksjournalistiek. De adviezen kunnen bijdragen tot een goede en correcte journalistieke praktijk. Die geeft niet alleen absolute voorrang aan "de verantwoordelijkheid van de journalist tegenover het publiek". Er zijn ook andere regels in het geding. Ze zijn beschreven in een internationale Verklaring van de plichten en rechten van de journalist (1971) en in een Code voor journalistieke beginselen, die Belgische journalisten en uitgevers in 1982 samen opstelden. Het gaat dan over het eerbiedigen van de waarheid, het "onpartijdig verzamelen en weergeven" van feiten en het niet gebruiken van oneerlijke methodes door journalisten. Nog andere plichten slaan bijvoorbeeld op het beschermen van informatiebronnen, het rechtzetten van foutieve informatie en het respecteren van de persoonlijke levenssfeer van mensen.

De Raad voor Deontologie bracht sinds april 1995 een tachtigtal adviezen uit. Daarbij werd telkens dezelfde procedure gevolgd. Een klacht of een vraag kan mondeling bijkomend worden toegelicht door de indiener. Hij of zij doet dat in de eigen taal. De betrokken journalist en/of redactie krijgt vervolgens de mogelijkheid om ook in de eigen taal de werkwijze en -methodes te verklaren. De Raad toetst die uitleg aan de basisregels en brengt een advies uit. Geregeld doen mensen met een klacht en ook journalisten een beroep op een jurist. Dat is hun goed recht, maar het verandert ten gronde niets aan de procedure. Daarvan werd ook niet afgeweken voor de behandeling in 1999 van een klacht over een artikel van Douglas De Coninck in De Morgen.

Een moeilijk punt is de verwevenheid van sommige klachten over de journalistieke deontologie met (parallelle) procedures voor de rechtbank. De Raad voor Deontologie volgt een pragmatische werkwijze en legde die uit in het jaarverslag over zijn werking van 1998. Bij diverse klachten moet de Raad op de eerste plaats zelf het onderscheid maken tussen elementen die slaan op de plichtenleer en op kwesties waarover een rechter een uitspraak kan doen. Dat onderscheid moet voor alle betrokkenen, ook in parallelle procedures, duidelijkheid scheppen over de inzet en de finaliteit. De Raad kan ook niet verhinderen dat een advies nadien toch wordt benut bij een juridische stap tegen een journalist of medium. Het verhoogt alleen maar de druk om zorgvuldig te zijn.

Fundamenteel na zeven jaar werking van de Raad is het inzicht dat journalisten niet langer alleen verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor het deontologische vraagstuk. Als auteur zijn ze voor het publiek het meest zicht- en herkenbaar, maar hun 'product' is het voorwerp van een complexe besluitvorming op redacties en daarin spelen ook andere media-actoren (directies en uitgevers, hoofdredacteurs en andere verantwoordelijken op redacties) een grote rol. Om die reden levert de journalistenbond al vijf jaar inspanningen om te komen tot een volwaardige en beter georganiseerde Raad voor de Journalistiek, waarin al die betrokkenen vertegenwoordigd zijn en die daardoor een grotere autoriteit kan krijgen als het gaat over de plichtenleer. Op dat vlak hebben de AVBB en de Raad voor Deontologie dus niet gewacht op een zoveelste media-incident en evenmin op CD&V-voorzitter Stefaan De Clerck, die in het VRT-programma De Zevende Dag voor de zoveelste keer aankondigde dat hij een parlementair initiatief zou nemen. Als minister van Justitie slaagde hij er destijds niet in om concrete stappen te zetten. Als volksvertegenwoordiger geraakte hij nadien niet verder dan enkele publieke intenties. Inmiddels liggen de kaarten anders en holt De Clerck hopeloos achter de feiten aan.

De AVBB bereikte met De Clercks opvolger op Justitie, Tony Van Parys (CD&V), in april 1999 een akkoord over een betere informatiedoorstroming van het gerecht naar de pers. De AVBB ging bovendien enkele jaren geleden al de weg op van een federalisering, zodat er nu ook een Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ) bestaat en er een Franstalige tegenhanger is. Uitgaand van het principe van de zelfregulering - lees: zonder een wettelijke of andere inmenging van een overheid - startte de VVJ in 2000 gesprekken met de Vlaamse uitgevers en mediadirecties. Die hebben een finaal stadium bereikt en moeten binnenkort uitmonden in een Raad voor de Journalistiek. Die nieuwe Raad, met daarin ook een aantal externe deskundigen, zal niet alleen klachten behandelen maar ook een informatieve en een ombudsfunctie krijgen. Zelfregulering is meer dan zelfverdediging op een ogenblik dat een journalist of een medium onder vuur komt te liggen. De nieuwe Raad heft ook het rolconflict op met de AVBB/VVJ als belangenorganisatie. De Vlaamse regering en het Vlaams Parlement steunen het initiatief, maar zijn voor de rest terughoudend. Naast de VVJ werken alle uitgevers van kranten, weekbladen en tijdschriften mee. In de audiovisuele sector stapt VTM mee in de boot. Met de VRT en de regionale zenders dienen nog enkele obstakels te worden opgeruimd. Tot aan de oprichting van de Raad voor de Journalistiek werkt de huidige Raad voor Deontologie verder. Na alle opwinding van de voorbije dagen zal hij op vraag van minister van Justitie Marc Verwilghen (VLD) de uitzending van het VTM-programma Telefacts met het Dutroux-interview beoordelen. Volgens de geijkte procedures, op basis van de plichtenleer, en zonder slagen onder de gordel.

Zie ook Reporter, pagina 27 De auteur is voorzitter van de Raad voor Deontologie

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234