Vrijdag 06/12/2019

Zelfportret met Zandloper Recensie door Erwin Mortier

Dertig jaar essays en recensies van de ongenadige schrijver-criticus Martin Amis

Natuurlijk moet je Martin Amis heten om je essays en recensies van de afgelopen dertig jaar te bundelen en in je inleiding doodleuk te stellen dat de literaire kritiek morsdood is. Van wat heisa meer of minder heeft de schrijver, ooit de Mick Jagger der Britse Letteren genoemd, nooit wakker gelegen, maar de drie decennia die The War against Cliché omspannen, ontbloten vooral een kunstenaar met welhaast klassieke opvattingen.

Het moest, kort samengevat, veeleer vroeger dan later plaatsvinden, die dood der kritiek. Volgens Amis hebben OPEC, de inflatie en de stagflatie haar eerst ontmaskerd als de bezigheid van een bemiddelde klasse, een elite van het talent, waarna het onvermijdelijk werd dat ze ook zou bezwijken onder de democratiseringsgolven van de jaren zestig en zeventig. De grondstof van de letteren, de taal, leidt nu eenmaal een dubbelleven. Iedereen kan zich competent genoeg vinden om er over mee te praten, en iedereen doet dat ook. Het web wemelt van sites met persoonlijke boekbesprekingen en elke mening is even belangrijk als een andere. Niet dat de schrijver het meteen betreurt, het zou van verregaande ijdelheid getuigen het heden te verfoeien, en kritiek in de oude zin van het woord wordt nog uitsluitend bedreven binnen de muren van het academische bastion, waar talent dan weer zo efficiënt mogelijk kapot wordt gelezen. Dan liever niets. De literatuur is een tuin van Eden, op zichzelf sterk genoeg om ook zonder tuiniers alle malloten te overleven die dwars door de bloemperkjes struinen. Op lange termijn zullen de letteren de huidige tendens tot vervlakking weerstaan en opnieuw hun toevlucht zoeken in de hiërarchie en de canon.

Genuanceerd zijn zulke stellingen zeker niet, maar tussen de polemische luchtaanvallen door vindt de lezer ook zaken die van wat meer bedaardheid getuigen, of die in elk geval impliciet duidelijk maken waar het Amis zelf om te doen is: "Een van de historische kwetsbaarheden van de Letteren als object voor onderzoek is dat ze nooit moeilijk genoeg leken. Vandaar de talloze pogingen ze te verheffen, te compliceren, te systematiseren."

Bij Amis vind je alvast geen neolesbische, postkoloniale, gendergerichte analyses van George Eliot, evenmin pogingen om Virgina Woolf post mortem als een reactionaire tante te ontmaskeren, maar bijvoorbeeld wel een zoektocht naar de reden waarom een roman als Pride and Prejudice, toch niet meteen een pakkende evocatie van het heersende tijdsgewricht, elke generatie opnieuw voor zich weet te winnen. Austen is ook niet het soort literatuur dat ik op het nachtkastje van Amis zou verwachten, maar wie zoiets zou willen aangrijpen om de schrijvende Jagger tot een milde middelbare heer te verklaren wordt in het voorwoord meteen de pas afgesneden. "Er zijn naar verluidt critici die ervan houden om tot een eind in de middelbare leeftijd beledigend te zijn. Ik heb me vaak afgevraagd waarom dat spektakel zo onwaardig overkomt. Nu weet ik het: het is schapenvlees verkleed als lam." The War against Cliché laat zich nog het beste lezen als een 'Zelfportret met Zandloper'. De bundel heeft door zijn overzicht van drie decennia kritische arbeid onmiskenbaar iets testamentairs, temeer daar niet weinig van de besproken boeken, samen met de auteurs ervan, onder andere door Amis' toedoen intussen allang in de papiermolen zijn verdwenen. Wat overeind blijft, is de niet zelden ongenadige spot en de stilistische virtuositeit waarmee hij ze als recensent met een sarcastische buiging uitgeleide doet naar de doodlopende steeg van de vergetelheid.

Stijl is nu eenmaal waarop Amis blijft hameren, en nog meer dan zijn spitse humor en zijn observaties hanteert hij zijn eigen stijl als het eigenlijke argument tegen de boeken waarmee hij de vloer aanveegt. Het levert hemzelf soms het verwijt op niet veel meer te zijn dan stijl, de auteur van boeken waarin de stijl een onderwerp wil vinden en dat niet altijd doet. Die stilistische fixatie voorziet de man in elk geval van een goede neus voor wat er tussen de regels opwelt. Hij gaat op zoek naar dat ene adjectief dat aan een zin zijn specifieke 'boeket' verleent, aan een auteur diens 'stem', de manier waarop stijl onuitgesproken veronderstellingen kan verraden. "Het gaat niet zozeer om een stelling", zegt hij over zijn reserves tegenover een biografie van de dichter Larkin, "als wel om een attitude, een toon." En het sterke is dat hij het daar niet bij laat, maar het boek vervolgens met het scalpel ontleedt om zijn observaties te staven. De grond van zijn afkeer of zijn lof is onveranderlijk stilistisch. "Stijl is moraal. Stijl oordeelt", zegt hij zelf, en het is misschien de enige gemeenplaats van formaat in heel de bundel, maar ze is toch van belang, al was het maar omdat Amis bij zijn beoordeling van sommige auteurs met die opvatting in aanvaring dreigt te komen. Vrij goed geschreven maar weerzinwekkend luidt, grof samengevat, zijn oordeel over werk van onder anderen Ballard en Burroughs. Aangezien hij er zich in de inleiding tot de bundel over verbaast dat hij genoemde schrijvers ooit hard heeft aangepakt, lijkt het een bewuste keuze geweest te zijn om ook die stukken op te nemen en daarmee zijn eigen limieten niet te ontzien. Geen enkele literatuuropvatting is vrij van blinde vlekken en wie zich daar expliciet van bewust wil tonen, verdient alle lof.

De zoektocht naar die blinde vlekken, het clichématige, gemakzuchtige, vormt de rode draad door deze bundel heen, en de titel, een regelrechte 'oorlog' tegen de platitude, slaat bij deze evengoed op de besproken schrijvers als op de schrijver die Amis zelf is. Voor hem is niets zo dodelijk als een saaie zin of een met geweld opengetrapte deur die eigenlijk allang wagenwijd openstond.

"De tekst is een sikkeneurig, onversneden distillaat van het voor de hand liggende en het voor de hand liggend valse", luidt zijn finale verdict over de twijfelachtige antropologische visies van Desmond Morris, en het mag wat mij betreft bij ieder nieuw boek van deze laatste worden herhaald, maar recensies van dergelijke koffietafellectuur moet je nu ook niet te vaak voor je rekening nemen. Het is best wel aardig om te lezen dat er al in de jaren zeventig zelf, de hoogtijdagen van het genre, iemand in de buurt was om met enkele trefzekere citaten de talloze handleidingen tot een beter seksleven op de korrel te nemen. Dertig jaar na dato blijken zulke recensies echter even slecht tegen de tand des tijds bestand als de kosmische orgasmetechnieken die erin worden bespot. Een leeuw moet niet achter de muizen aan, hij komt pas tot zijn recht tegenover groter wild.

Op zijn best is Amis wanneer hij in door hem bewonderde boeken op zoek gaat naar de begrenzingen van het kunstenaarschap van de auteurs ervan, niet om ze daarmee omlaag te halen maar om hun belang nog beter te kunnen duiden. Bij de mindere goden overtuigt die aanpak veel minder, dan wordt dat gedoe achter de fietsenstalling, het met de broek op de enkels kijken wie de grootste poëtica heeft, een in alle opzichten lullig vertoon. Maar wat bijvoorbeeld Joyce aangaat, belet het hem niet te wijzen op de passages in Ulysses die 'the common reader' gewoonlijk onverteerbaar vindt. De irritatie van die doorneelezer is hem niet vreemd, wat niet wil zeggen dat die lezer onverdeeld gelijk krijgt.

Joyce is een totaalpakket, luidt de boodschap. Hij wilde alles, dus moet je er alles bijnemen: "Zijn oeuvre traceert een reis in de taal, weg van het leven - het leven dat nooit rust of lang genoeg wil blijven stilstaan. Ulysses was zijn voltooiing van de menselijke wereld, een liefhebbend en smachtend vaarwel. Niemand heeft met meer betovering geschreven over het ritme en meubilair van het dagelijks leven. Maar Joyce wilde meer; hij wilde de droomwereld, de woordenwereld van Finnegan's Wake. We zien hem kristalliseren. Joyce kon de populairste jongen van de school geweest zijn, de grappigste, de slimste, de beminnelijkste. Hij kreeg uiteindelijk een meer ambigue onderscheiding: hij werd het lievelingetje van de leraar."

Het bovenstaande citaat maakt ook duidelijk welke retorische strategie Amis in de meeste van zijn stukken volgt. Hij doet zich inderdaad voor als een gewone lezer, wat hij natuurlijk niet is, maar het leidt wel tot recensies die zich niet bedienen van hautain specialistisch jargon en evenmin vervallen in het tegendeel: neerbuigend simplisme. Amis neemt niet alleen de literatuur ernstig, maar ook de lezer en hoezeer die met hem van mening kan verschillen, hem kan bijtreden of zich kan ergeren, al die reacties worden onveranderlijk door bijzonder sterk proza opgeroepen.

Met het vorderen der jaren laat Amis zich steeds duidelijker lezen als een auteur wiens scherpte gedragen wordt door een bijna classisictisch vertrouwen in zaken als de canon, in de kracht van talent en niet het minst het even onverbiddelijke als feilloze oordeel van 'Rechter Tijd'.

Naar het einde van het boek toe vallen er steeds minder tijdgebonden stukken te rapen en het laatste deel, 'Great Books' is simpelweg gereserveerd voor onvervalste liefde. Daarin Joyce, nog een flinke kuip Bellow, en als hekkensluiter Nabokov. Wie meent dat inmiddels naar de haaien gedeconstrueerde termen als liefde voor het vak, de 'kundige' kant van het schrijven, meer verblinden dan verduidelijken, moet dat laatste essay over Lolita maar eens lezen. Amis kan het, en al kan hij hier en daar ook op de zenuwen werken, voor hem geldt wat hij in gelijke mate heeft opgemerkt over een collega-criticus: "Hij is een verliefd man, men gunt hem met plezier zijn verrukking, zijn onnauwkeurigheden en de vruchtbare lenigheid van zijn ideeën."

Martin Amis

The War against Cliché. Essays and Reviews 1971-2000

Jonathan Cape, Londen, 505 p, 20 pond.

'Voor Amis is niets zo dodelijk als een saaie zin of een met geweld opengetrapte deur die eigenlijk allang wagenwijd openstond'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234