Zondag 09/05/2021

Zeemansblues en hunkerend verlangen

Bart Plouvier. 'Het gemis'

Johan Vandenbroucke

Je vaart niet ongestraft op de lange omvaart. In Het gemis bespeelt Bart Plouvier vertrouwde thema's. Opnieuw probeert hij de onrustige weemoed van het zeemansgevoel in kaart te brengen. Opnieuw gaat het over excentrieke zonderlingen en hun melancholisch verlangen, en opnieuw schrijft hij met ronkende volzinnen en opsommingen die soms vervaarlijk bij de draaikolk van het cliché komen, maar uiteindelijk toch blijken te werken.

"Ooit was Dagobert van Hemeldoncks wereld niet groter dan een schip." Met deze (korte) zin begint het relaas van de Leukotheia, een 137 meter lange stomer, "belegerd door nooit aflatende golven, tropische ziekten, vliegende vissen, de geest van kapitein Achab en hoeren in lekke schuiten; bemand met maanzieke matrozen die hun melancholie bestreden met buitenissige hoeveelheden drank en bestuurd door een stokoude, lethargische kapitein die, àls hij zich een keer bemoeide met wat er op de lagere dekken of in het vooronder gebeurde, vermaard was om zijn Salomonsoordeel."

Het citaat - slechts een deel van een langere volzin - bewijst het: Plouvier is, naar eigen zeggen, "niet bang voor een puntkomma of een juist gekozen bijvoeglijk naamwoord". Het is ook illustratief voor mijn belangrijkste kritiek op een verder geslaagde roman. Plouvier formuleert vaak trefzeker, maar soms iets te gemakkelijk. Opsommingen bevatten elementen die alleen om het effect bijgevoegd lijken en worden al te buitenissig gekruid met romantisch beladen woorden als 'melancholie', 'drank', 'hoeren' en 'maanzieke matrozen'. Iets te breedvoerig en nadrukkelijk varieert Plouvier almaar op de langeomvaartblues en het oneindigeoceaangevoel. Soms werkt dat weldadig, elders krijgt het iets vrijblijvends.

Bart Plouvier publiceerde vorig jaar een bloemlezing met zeegedichten en ook in Het gemis komt zijn liefde voor poëzie aan bod. Elk hoofdstuk begint met een poëtisch motto, van Slauerhoff over Vasalis tot Jean Pierre Rawie. De eerste poëzieflard is van Plouvier zelf en vat de inhoud van het eerste deel van de roman mooi samen: "En in je roestige buik/ leefden wij, de melancholiekste matrozen/ die ooit het zeegat kozen;/ die elke ochtend voor 't ontbijt/ 't verdriet uit hun hut moesten hozen."

In dat eerste deel, twee derde van het boek, worden de exuberante zonderlingen beschreven die het eens vermaarde maar nu verroeste schip bemannen. Omstandig en, zoals Plouvier het graag doet, met exuberantie. Daardoor komt de roman nogal traag op gang; even lijkt het alsof van elke matroos het levensverhaal zal worden verteld, het ene al wonderlijker dan het andere. Een Verdi zingende eerste machinist die elke storm een "Wagner" noemt; een matroos eerste klasse met een bot in zijn penis waardoor hij een eeuwige erectie heeft en de schrik van alle havenhoeren ter wereld wordt; een honderd vijftig kilogram wegende Afrikaanse kok die alleen maar zeediëten klaarmaakt en slechts door een met snijbranders vergrote kombuisdeur naar binnen kon, een Masai nog wel, het rankste Afrikaanse volk. Hun biografie tot de aanmonstering op het schip wordt met zichtbaar plezier en zin voor overdrijving verteld. Soms al te grotesk, waardoor het boek een Jeroen Bosch-gehalte gecombineerd met een Tuizentfloot-absurdisme krijgt dat enigszins afbreuk doet aan het realisme dat Plouvier tevens beoogt.

Aandoenlijker zijn de verhalen van de ooit onberispelijke kapitein die nu wegkwijnt van onuitgesproken liefdesverdriet voor een bleekhuidige Braziliaanse en de ook almaar treurende, astmatische scheepsarts Jan Pronker die vaker poëzie voorschrijft dan pillerij. Een Nederlandse dokter die aan astma lijdt en gedichten schrijft? De associatie met Jan Slauerhoff ligt voor de hand. Het romanpersonage Jan Pronker schrijft kort voor zijn dood een gedicht: 'In memoriam mijzelf', zoals er ook een in de nalatenschap van Slauerhoff werd aangetroffen. En de biografie van Slauerhoff leert dat Pronker de naam van zijn moeder was.

In Het gemis zitten nog meer literaire zeemansreminicenties. De onvermijdelijke Moby Dick, ook al aanwezig in De kleuren van de zee, komt aan bod door een excentriek personage dat almaar "Noem me Ismaël" roept en net als kapitein Achab in Melvilles klassieker op zoek is naar de witte walvis. Behalve de bemanning zijn er ook passagiers op het schip, onder wie een lieve, bedreven Thaise hoer, een gedreven schilderes, een antropoloog die de monogamie verdedigt om die tijdbesparend is, en zelfs een schrijver uit het Waasland, Bart Blomme, met een Plouvier-snor en een goedmoedig karakter. Een bonte verzameling, het narrenschip van de Leukotheia.

Zoals Plouvier in zijn vorige roman Het gelag een kroeg beschreef als ontmoetingsplaats voor monomanen, alcoholici en andere marginalen, is het nu een schip dat een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent "op verschoppelingen en liefdelozen, dronkaards en melancholici, dichters en zangers, bezetenen en havelozen, vechtersbazen en wanhopigen, ontgoochelden en onwetenden".

Wat hen bindt is de eenzaamheid en het verlangen naar liefde. Het schip is, volgens de dichtende dokter, "de drijvende metafoor voor het onvervulde menselijk verlangen". Afgezien van de anekdotische buitenissigheden gaat het in Het gemis over "de liefde waar zij allemaal zo desperaat naar op zoek waren".

"Zo zwierf de Leukotheia over de oceanen, een spoor van olie, roest, lege flessen en gebroken harten achterlatend," met zeerotten die "proberen te vergeten in de schoot van al even dronken hoeren met exotische namen en vreselijke ziektes".

Opnieuw balanceert Plouvier op de rand van het clichématige: de onrustwekkende lokroep van de zee, de hoeren in exotische havens, de welig vloeiende rum, de woorden 'straalbezopen', 'weemoedig' en 'melancholisch'. De voorspelbare poëzie van de wereldzeeën in ronkende volzinnen. Overigens lijkt Plouvier een voorkeur te hebben voor opsommingen die uit minstens drie delen bestaan: de mythe, het cliché en de overdrijving. Een matroos wordt "met een fles, een opiumpijp en een resem gedichten opgesloten in de kajuit"; "De adem van de kapitein rook naar rum, rottend zeewier en pas gekookte garnalen".

Toch is dit een boeiende roman. Dat komt, onder meer, door het thema van de rusteloze liefde, waarin Plouvier subtiel de schijnbare tegenstelling tussen het banale plattelandsdorp en het weidse oceaangevoel verwerkt heeft. Vroeg in de roman staat al de vergelijking: "Net als een dorp gonst een schip van de geruchten." Zoals een dorp is ook het schip een afgesloten gemeenschap, een thema dat Plouvier al in Uit het meer behandelde. Daar had een zeeman tijdens zijn omzwervingen besloten een kroniek te schrijven over zijn dorp. In het tweede deel van Het gemis, de laatste vijftig bladzijden, keert Dagobert terug naar het dorp dat hij ooit wou ontvluchten: "Het dorp ging knellen als te klein gekochte schoenen en Dagobert kreeg blaren op zijn gemoed."

Het contrast tussen Dagoberts rusteloos verlangen naar mateloze liefde en "de vanzelfsprekendheid waarmee zijn ouders met elkaar omgingen" is een half verborgen motief, dat al door de Masai-kok op het schip aangebracht werd: ook zijn ouders hadden het niet over de liefde met grote woorden, maar ze leefden en werkten wel samen in een haast perfecte symbiose.

Op het einde van de roman lijkt Dagobert die vanzelfsprekende liefde gevonden te hebben. Hij gaat samenwonen met een ongecompliceerde, cultuurminnende vrouw. Van Langendonck heet ze, de dochter van een dichter-kunstrecensent. Alles lijkt perfect te gaan, tot Dagoberts demonen weer komen. Opnieuw is er het "hunkerend terugverlangen naar wat er nimmer is geweest" (Rawie) of "de weemoedigheid die 's avonds komt en niemand kan verklaren" (Willem Elsschot). Opnieuw schipbreuk. Door het intrigerende thema van de onmogelijke liefde krijgt Het gemis een mooie, raadselachtige kracht.

Bart Plouvier, Het gemis, Manteau, Antwerpen, 205 p., 650 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234