Vrijdag 24/05/2019

Interview

Ze vertrok op haar elfde bij haar ouders om de beste te worden. Wie is Nina Derwael?

Nina Derwael. Beeld Jef Boes

Een ijzersterke Nina Derwael heeft vandaag een stukje turngeschiedenis geschreven: als eerste Belg ooit behaalde ze een gouden medaille op het WK turnen. We spraken de kersverse wereldkampioene twee weken geleden. Het interview kan u hieronder lezen. 


Ze is verzot op tiramisu en terwijl ze praat weerklinkt er tussen iedere zin een aanstekelijke giechel. Nina Derwael lijkt een gewoon meisje van 18, maar dan wel eentje dat op haar elfde al bij haar ouders vertrok omdat ze ooit een olympische medaille wil winnen. Maar eerst staat volgende week het WK toestelturnen in Doha op het programma.

“Wacht, wacht, zo niet! Ik zet eerst die camera aan.”

Schalks wijst Nina Derwael naar haar Franse trainster Marjorie Heuls. Die heeft net gezegd dat het tijd is voor een wedstrijdje aan de brug met ongelijke leggers, zij zal jureren en ieder kleinste foutje streng beoordelen. Nina wil bewijsmateriaal. “Anders vertrouw ik dat hier niet, hoor”, lacht ze. Het is een moment van ontspanning tijdens het hypergeconcentreerde trainen door, zo vlak voor het WK toestelturnen in Doha, Qatar (25/10-3/11).

Zojuist hebben Derwael en de vijf andere meisjes van het seniorenteam van de Vlaamse gymfederatie in opperste concentratie hun tengere lijven onderworpen aan de wetten van de zwaartekracht. In de linkse hoek van de gymzaal in de Gentse Topsporthal trainen de jongens aan rekstokken, ringen en op trampolines. Rechts oefenen de meisjes op de balk, vloer en brug ieder afzonderlijk element van hun routines in. Af en toe geeft een coach een korte ­aanwijzing. Voor de rest is het muisstil in de zaal, enkel de matten ploffen om de paar ­tellen hard.

Aan de brug met de ongelijke leggers, waar de meisjes nu klaarstaan voor hun wedstrijdje, is de sfeer een pak losser. De blikken die ze uitwisselen, verraden hun intense band. Zonder woorden worden er hele gesprekken gevoerd. Ze zijn elkaars beste vriendinnen, zijn nauwelijks een handvol dagen per jaar níét in elkaars gezelschap en dat al sinds hun elfde. Dat dat ooit anders zal zijn, vinden ze nu al moeilijk te verwerken. Deze zomer legden ze al een reüniebarbecue vast. In 2030.

Wanneer u dit leest, hangen Nina Derwael en co in de lucht onderweg naar de Qatarese hoofdstad. Als regerend Europees kampioene en bronzen medaille van het WK 2017 zullen de ogen komende week op de Truiense gericht zijn. Anoniem ben je niet meer, wanneer er zelfs een turnelement naar je vernoemd is: ‘The Derwael’ is intussen een begrip. Maar als we polsen naar haar aspiraties – tussen twee trainingen, een kinebeurt en een rit naar de hogeschool waar ze net is gestart door – is ze opvallend voorzichtig. Dat ze gewoon blij zal zijn als ze haar best mogelijke oefening heeft kunnen turnen, zegt ze.

Nochtans, als we aan je trainster ­vragen wat bij jou de doorslaggevende ­factor is, talent of karakter, dan ­antwoordt zij: Nina’s ambitie.

(giechelt) “Oké, ik mik sowieso op een medaille. Elke wedstrijd waaraan je deelneemt, wil je jezelf verbeteren. Dus natuurlijk wil ik beter doen dan de bronzen WK-medaille van vorig jaar op de brug. Toen ik klein was, was mijn hoogste doel ook om op de Olympische Spelen te staan. Maar nu ik dat al eens gedaan heb, zou ik mijn carrière niet graag afsluiten zonder ook een olympische medaille te halen.”

Denk je dat dat realistisch is?

“Dat is zo moeilijk om te zeggen, de concurrentie verandert constant. Er gaan tegen Tokio nog heel wat gymnastes bijkomen die nu nog bij de junioren turnen. We hebben onlangs de Amerikaanse kampioenschappen online kunnen volgen en gezien dat er heel wat meisjes aan zitten te komen die een hoge moeilijkheidsgraad aankunnen. Op de Chinese en Russische meisjes hebben we helemaal geen zicht, daar speelt alles zich achter gesloten deuren af. Je weet bij hen nooit wie er op een internationaal kampioenschap plots uit de hoed getoverd wordt. Het blijft dus afwachten tot de Spelen, wie er dan zal staan en hoe goed die zijn.”

We zitten nauwelijks enkele minuten neer en het hoge woord is al gevallen: Tokio 2020. Het is Nina ten voeten uit, had haar moeder ons al gewaarschuwd. Haar dochter stelt graag haar eigen doelen. Amper 4 was ze toen ze voor de tv naar de Spelen van Athene stond te kijken en verkondigde: daar ga ik ook naartoe. Haar ouders vonden het grappig, schattig ook. Nina was bloedserieus.

Op een leeftijd waarop het gemiddelde voetballertje nog verloren loopt op weg naar doel, was turnen voor haar namelijk al niet meer ‘zomaar een hobby’. Ze was amper tweeënhalf toen ze als overactieve peuter voor het eerst in een gymzaal stond. Te jong in feite, maar na één les waren de trainers al overtuigd: Nina was motorisch voor op de 4-jarigen. Bovendien was ze niet bang. Zonder verpinken liet ze zich plat achterover vallen in een piepschuimen bak. Andere ­kinderen draaien zich om, zetten hun ­handen of vallen op hun achterste. Nina niet. Die bak stond daar toch niet voor niets?

Tegen haar 5de trainde ze al drie keer per week, een goed jaar later al vijf keer. En dan was Nina plots 11 en zat ze bij haar eigen club aan haar limiet. De Topsportschool in Gent lonkte. Nina popelde om te gaan, maar mama Marijke en papa Nico, ex-voetballer bij KRC Genk, stonden niet te springen.

“Je hebt van die ouders die hun kind pushen om de top te halen. Wij probeerden Nina eerder af te remmen”, vertelt Marijke Lammens. “Ik vond het veel te vroeg, was er mentaal niet klaar voor om haar te laten gaan. We probeerden haar te overtuigen om op z’n minst toch haar zesde leerjaar thuis in Sint-Truiden af te maken, vanaf het eerste middelbaar mocht ze gaan. Ik heb haar een waterbed beloofd. Een hondje. Ze was niet te overtuigen. Haar trainster in Hasselt heeft me over de streep getrokken: Nina zou gefrustreerd geraken, zei ze. Zij kon haar niet meer helpen om beter te worden.”

Beeld Jef Boes

En zo zagen ze hun enige kind op haar elfde het nest al verlaten. Een vertrek dat extra hard aankwam, aangezien het koppel een jaar eerder net gescheiden was. “Van één week op twee zag ik Nina plots nog maar een weekend op twee”, vertelt Lammens. “In feite heb ik zeven jaar geleden haar opvoeding uit handen moeten geven. Probeer nog maar eens normen en waarden bij te brengen als je je dochter maar een keer om de veertien dagen ziet.”

Nina bevestigt: “Ik wilde echt naar Gent, hoe hard ze me ook probeerden te overtuigen.” Mama herinnert zich hoe Nina in het begin vaak huilde omdat het niveau in Gent zoveel hoger lag. Plots ging niet alles meer vanzelf.

Nina zelf herinnert zich vooral een heel vlotte overgang. Van de vele veranderingen in haar jonge kinderleven heeft ze weinig ondervonden. Was dat dan niet veel op een hoop, de scheiding van haar ouders en de verhuis naar Gent? Ze haalt haar schouders op. “Als je dat zo zegt, misschien wel. Maar ik was altijd al overal op mijn gemak. Ik ging van kleins af naar turnkampen en heb daar ook nooit heimwee gehad. Op het internaat hier had ik meteen een goede vriendengroep, er waren de opvoeders, je bent nooit alleen. Je bent ook zo druk bezig dat je niet echt tijd hebt om veel aan thuis te denken.”

Snap je dat je mama het daar wél lastig mee had? Stel dat jouw kinderen later zo jong al het nest willen verlaten, zou jij ze dan laten gaan?

“Als dat is wat ze echt willen, wie zou ik dan zijn om hen tegen te houden? Ik weet nu ook wat het is, natuurlijk. Ik zou hen duidelijk maken dat het niet vanzelfsprekend is en zeker niet altijd leuk. Dat je ook moet trainen wanneer je echt, maar dan ook écht geen zin hebt. Dat ze na een paar maanden niet moeten zeggen: ik heb er geen zin meer in, ik wil weer naar huis. Al zou ik ze natuurlijk wel onmiddellijk gaan halen.” (lachje)

Die discipline en volharding, heb je dat van je ouders of is dat aangeleerd op de Topsportschool?

“Doorzettingsvermogen heb ik sowieso van mijn ouders. Als zij iets in hun hoofd ­hebben, zullen ze het ook uitvoeren. Die discipline zal voor een stukje ook wel in me zitten, maar dat heb ik zeker hier ook gekweekt. Voorheen was turnen een feest, als kindje kon ik niet wachten om na school op de mat te staan. Maar hier ken je ook wel eens dagen dat je liever in je bed wil blijven liggen.”

Zijn er dagen dat jij niet traint?

“Op zaterdag. En om de week op zondag. In de paasvakantie hebben we een week vakantie gehad en straks met kerst ook eentje.”

Twee weken op een heel jaar, dat is alles?

“Normaal gezien hebben we ook de eerste tien of veertien dagen van de zomervakantie vrij, maar doordat er dit jaar zowel een EK als een WK op het programma stond, viel dat weg.”

Hoe ziet een doorsnee weekdag eruit bij jou?

“We staan ’s ochtends op rond kwart over zeven, douchen en ontbijten en staan dan tegen half negen op de mat. Twee keer in de week trainen we voor het ontbijt nog een kwartiertje op de fiets, kwestie van de ­spieren te activeren. We trainen dan meestal tot de middag, eten wat, gaan langs bij de kine en in de namiddag trainen we opnieuw. Zo’n 32 uur per week in totaal. Tussendoor gaan we naar school.”

Beeld Jef Boes

Jullie trainen veel meer dan sporters uit andere disciplines aan de Topsportschool, toch?

“Ja, zeker. Je denkt daar wel af en toe over na. Maar wat doe je eraan? (lacht)

“Weet je wat het ook is? Ook al heb je totaal geen zin om te trainen, eens je in die hal staat, valt het altijd weer mee. De dagen dat je echt geen zin heb of je je niet goed voelt, dat zijn meestal de dagen waarop je vooruitgang boekt.”

Die kan zo als ‘inspirational quote’ op Instagram.

“Echt, hè. Maar het is wel zo. Als je de dag moeilijk start en je hebt uiteindelijk een goeie training, dan voel je je ook beter.”

Dus als een oefening negen keer mislukt, dan ben jij...

(knikt overtuigd) “Blij dat het de tiende keer wel lukt. Nu, het hangt er wel van af welke oefening het is. Ben je een nieuw element aan het instuderen, dan hoort dat er sowieso bij. Maar als je in volle voorbereiding van een wedstrijd zit en het valt tegen, dan jaag je je toch wel op.”

Word je dan boos, vloeien er traantjes?

“O ja, dan kan het hele arsenaal de revue passeren. Soms tier ik, soms zal ik in stilte heel boos worden op mezelf. Dat is bij de anderen niet anders, hoor, al reageert iedereen op zijn eigen manier. We weten intussen heel goed hoe we met elkaars frustraties moeten omgaan. De één heeft graag dat je haar even helpt en erover praat, de ander moet je echt met rust laten.”

En jij?

“Mij moeten ze absoluut met rust laten. We hebben al overwogen om een boksbal in de trainingshal te hangen, zodat we ons daarop kunnen uitleven wanneer het potje overkookt. Maar dat is dan wellicht weer niet goed voor de polsen.”

Ben je op wedstrijd al ooit zo boos geworden?

“Daar houd je je toch altijd net wat meer in.”

Haar leven is veranderd, sinds de Olympische Spelen. Op weekdagen merkt ze er niet veel van; haar leven speelt zich af ­tussen het internaat, de trainingshal en de schoolbanken. Maar gaat ze shoppen – een van haar favoriete bezigheden – dan gebeurt het wel eens dat ze herkend wordt. “Keigrappig”, vindt ze het, wanneer kleine kinderen naar haar wijzen. En ráár, dat ook. Sinds ze rondrijdt met een gepersonaliseerde Volkswagen Up, gekregen van een sponsor zodra ze haar rijbewijs had, staren ook ­volwassenen haar wel eens aan.

“Dan merk je dat mensen die je voorbij willen steken op de autostrade inhouden ­terwijl ze naast je hangen en blijven staren. Dan lach ik eens en meestal klappen ze dan of steken ze hun duim op. Dat is heel erg vreemd, maar ook wel heel lief. Ik krijg eigenlijk alleen maar positieve reacties, nooit rare voorstellen of zo.”

Je leven is strak geregeld. Vind je dat niet vervelend?

“Nee, ik vind dat eigenlijk best aangenaam. We moeten alleen focussen op trainen. Er wordt ook voor ons gekookt, gelukkig. Ik heb ooit eens een ei proberen te bakken en ik was de boter vergeten. (draait met haar ogen)

“Daaraan merk je ook dat de omkadering geprofessionaliseerd is. Onze voeding wordt nu veel strikter in de gaten gehouden. In de vakanties vinden hier soms sportkampen plaats en dan gebeurde het vroeger wel eens dat er ’s middags frieten op het menu stonden. Ook voor ons. Ja, daar stonden wij dan, want dat mogen we natuurlijk niet eten.”

Beeld Jef Boes

Behalve als oma ze maakt?

(lacht) “Oma maakt in het weekend alles klaar wat ik graag heb. Biefstuk, zalm, pasta en zeker ook dessertjes. Ik eet heel graag dessertjes. Een echte zoetebek ben ik, dat heb ik van oma.”

Hoe slaag jij er dan in je gewicht te behouden?

“Door daar door de week heel erg op te letten. Dan doe ik precies wat de diëtiste zegt. De weken voor een kampioenschap hou ik me er natuurlijk ook in het weekend strikt aan.”

Ben je niet bang dat dat na je carrière veel moeilijker wordt?

(knikt gretig en zet haar armen breed) “Dan word ik zo. Alhoewel, ik denk niet dat ik echt aanleg heb om dik te worden. Ik merk ook dat mijn eetpatroon zich snel aanpast als ik vakantie heb. De eerste week eet ik nog ongeveer evenveel als op trainingsdagen, maar tegen de tweede week eet ik al een stuk ­minder. Ik heb dan gewoon minder honger dan, omdat ik minder energie verbruik.”

Ken je het begrip ‘craving’?

“Ja hoor.”

Geef ons eens tips: hoe weersta je de goestinkjes?

“Simpel: er ís gewoon niks om mee te zondigen. Als we op internaat aankomen, staat ons eten telkens klaar. En er ligt ook niets in onze kast dat maakt dat we ’s avonds in de verleiding zouden kunnen komen om te snoepen. Automaten staan er ook nergens en ik kom ook nooit in de supermarkt.”

Turnen heeft geen al te beste reputatie. Niet alleen de trainingen zijn ontzettend hard, ook de verhalen over meisjes die zowel mentaal, fysiek als seksueel misbruikt werden, zijn legio. Heb je daar ooit iets van gemerkt?

“Bij ons niet. Maar je weet natuurlijk wel dat het er in China of Rusland wellicht anders aan toegaat. Er zijn verhalen van meisjes die geslagen worden op trainingen, al hebben we daar nog nooit iets van gemerkt. Op ­wedstrijden zie je meestal alleen lachende meisjes.”

Was jij verbaasd over het grootschalige misbruikschandaal in de VS? Onder meer supersterren Simone Biles en Aly Raisman getuigden seksueel misbruikt te zijn door Larry Nassar, teamdokter van de Amerikaanse ploeg.

“Daarvan ben ik heel erg geschrokken. We hadden geen idéé.

“Ik snap wel waarom het turnen kwetsbaar is. Je beste momenten beleef je al vroeg. Je bent dus nog piepjong wanneer je begint toe te werken naar die piek. In andere ­sporten, zoals pakweg wielrennen, ben je vaak al een eind in de twintig wanneer je op het toppunt van je kunnen bent.”

Er was een tijd, niet zo lang geleden, dat een trainer hier vond dat zijn ­turnsters niet mochten menstrueren.

“Dat is nu in ieder geval niet zo.”

Je gaat 20 zijn in Tokio. Dat is jong, maar een pak ouder dan turnsters ­ vroeger waren. De legendarische Nadia Comăneci was 14 toen ze in 1976 haar ­eerste perfecte 10 scoorde.

“Het turnen is aan het verouderen. Deels omdat sinds de Spelen van Atlanta de minimumleeftijd is opgetrokken naar 16, dat heeft een impact op de duur van je carrière. Maar ook omdat de omkadering en de zorg voor de gymnastes veel beter zijn geworden.

“Je hebt nu veel meer turnsters die doorgaan tot ze 24, 25 jaar zijn en nog steeds tot de top behoren. Kijk naar Sanne Wevers (Nederlandse turnster en olympisch kampioene, red.), die is op haar 27ste nog steeds Europees kampioene op de balk.”

Eén ding is zeker: hoeveel medailles je ook verzamelt, binnen zal je niet zijn. Vind je dat frustrerend?

“Ja en nee. Het is nu eenmaal zo, ik denk niet dat er met turnen ooit heel veel te verdienen gaat zijn. Maar ik zat vorig jaar nog in de klas met voetballers die een semiprofcontract hadden en die elke maand een loon ontvingen. Dan denk je wel: ah, jij verdient al mooi geld, oké…”

Weet je wie de best verdienende ­vrouwelijke sporter is in de wereld?

“Serena Williams?”

Ze heeft vorig jaar 18 miljoen dollar verdiend. Zonder te tennissen, aangezien ze een kind gekregen heeft.

“Slik. Nu, het is mooi wanneer je dat kan.”

Heb jij een topsportcontract?

“Net! Samen met enkele anderen van het team heb ik een contract bij Sport Vlaanderen getekend. Ik heb een studentencontract dat in oktober start, dus straks krijg ik ook een maandelijks loon.”

Van hoeveel nullen?

“Ik weet het eigenlijk niet. Het werkt met ­officiële barema’s, dat weet ik wel.”

Wat zal je turncarrière je vooral ­bijgebracht hebben?

“Het doorzettingsvermogen, ongetwijfeld. Dat ga ik meenemen in alles wat ik nog doe. En de vriendschap die we hier opgebouwd hebben met het team. Dat gaan we blijven onderhouden, daar ben ik zeker van.”

Weegt die vriendschap op tegen het gemis van je ouders?

“Voor mij wel, ja. Ik zit vandaag nog steeds in het team van meisjes met wie ik hier op mijn 11de begonnen ben. Die band is oersterk, we zijn samen opgegroeid en je hebt elkaar door alle zware momenten geholpen, bent blij geweest met elkaars successen. Dat is familie. Ook met de ouderen die intussen weg zijn, hebben we nog contact.”

Beeld Jef Boes

Jij bekommert je zelf ook om de kleintjes.

“Ja, natuurlijk. Je probeert de nieuwtjes die hier op hun 12de toekomen toch zo goed mogelijk op te vangen. In januari komen er vier nieuwe seniors bij in ons team, daar kijk ik ook naar uit. Dat is zo grappig, de kleine zusjes die groot worden.”

Is er een hiërarchie binnen de groep?

“Niet echt. Op training moeten de kleintjes misschien soms wel even opschuiven wanneer wij de balk of de brug nodig hebben. Maar er is zeker geen pikorde tussen wie een medaille heeft en wie niet. Zelfs al mocht iemand anders straks beter presteren dan ik, dan zou ik daar geen probleem mee hebben. We zijn onder elkaar niet supercompetitief.”

Hebben jouw medailles dan nog niet voor naijver gezorgd? Jullie trainen ­allemaal samen, jaren aan een stuk, maar jij bent nu succesvoller dan de anderen.

“Nee, echt niet. Vinden jullie dat raar? Ieder heeft ook zijn specialiteiten, we weten hoe hard de anderen ervoor gewerkt hebben.”

Als je nu moet kiezen op het WK: een individuele medaille of eentje met het team?

“Eentje met het team, sowieso. Het zou zo’n bekroning zijn op ons werk.”

Een individuele toch nog meer? Dat is dan toch de bekroning voor al je eigen inspanningen?

“Maar het is niet alleen mijn eigen inspanning, dat is het nooit. We werken altijd in een team, trainen in team, lachen en huilen in team. Alles wat ik alleen doe, is het resultaat van dat teamwork. Daarom zou het ook zo mooi zijn, mochten we samen een medaille winnen. Met mijn beste vriendinnen, dat kan toch niet mooier?”

Hoe heb je je bronzen WK-medaille vorig jaar gevierd?

“Er was een receptie en daarna zijn we gaan eten.”

Klinkt als een wild feestje. Dadelijk zeg je nog dat je een volledige cola zero hebt mogen drinken.

(lacht luid) “Ik heb wel een biefstuk friet gehad! Na het WK vorig jaar hebben we het ook wat rustiger aan gedaan en ben ik weer naar school gegaan. Dat was heel ontspannend.”

Je bent nu net begonnen met project- en eventmanagement aan de Artevelde Hogeschool. Ben je al bezig met wat je na je carrière zou gaan doen?

“Ik wil sowieso een diploma. Maar voor de rest denk ik nog niet verder na dan Tokio. Alles wat daarna komt, zien we dan nog wel.”

Misschien moet je maar doordoen tot 2024. Je weet toch waar de spelen dan te doen zijn?

“Parijs.”

Lekker dicht bij huis.

“Maar ik ben al in Parijs geweest, hè. Als het nu in L.A. was of zo, dát zou pas een motivatie zijn.” (lacht)

Wie is Nina Derwael?

* geboren op 26 maart 2000 in Sint-Truiden

* begon te turnen op haar 2,5 jaar bij Sta Paraat in Stevoort/Hasselt

* ging op haar 11de naar de Topsportschool in Gent

* startte in september aan de Artevelde Hogeschool

* eindigde 19de in de allroundfinale op de Spelen van Rio 2016, de beste Belgische prestatie ooit

* werd in 2017 en 2018 Europees kampioen aan de brug met ongelijke leggers

* won op het EK 2018 ook zilver op de balk

* haalde brons op het WK 2017 aan de brug met de ongelijke leggers

* heeft een vriend

* is gek op shoppen en wil een olympische medaille voor ze stopt met turnen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.