Donderdag 29/10/2020

Zang en spel, een stuk toneel, iedereen krijgt hier zijn deel

Vijftig jaar televisie in Vlaanderen, het is zoveel meer dan ontelbare herinneringen aan Schipper naast Mathilde of Nonkel Bob. Vijftig jaar televisie, dat is niets minder dan de eerste halve eeuw van de moderne tijd. Na 1953 zou Vlaanderen nooit meer zijn wat het voordien was. Televisie werd de beeldbuis van de samenleving. Bovendien, zegt socioloog Mark Elchardus, heeft tv Vlaanderen niet alleen gemaakt maar ook verdeeld. De klassieke klassenmaatschappij is mettertijd geruisloos omgevormd tot een zendersamenleving. In het zog van Schipper naast Mathilde stoomden we met zijn allen vrijwillig in de richting van het nieuwe Vlaanderen. Geen land meer van 'kerken en kathedralen', maar een tv-landschap. Is daar toch wat niveauverschil, of is het een en al 'Mijn vlakke land'?

Walter Pauli

'Brussel Vlaams. Zaterdag 31 october. 19.15 uur: Testbeeld." Dat was, zo lezen we in Humoradio van oktober 1953, het allereerste tv-beeld uit de geschiedenis dat op het vlakke land losgelaten werd. Om vijf voor halfacht sprak een inwendig doodzenuwachtige omroepster Irene Beval de eerste woorden, en meteen was ook de eerste verspreking een feit: "Goedenavond dames en heren. We beginnen ons panorama met Programma, de week in beeld." Geen twijfel mogelijk: dit moest de Belgische televisie zijn. Ieder volk de zender die het verdient.

Het was tv voor een land dat vandaag niet meer bestaat. Sociologen met enig historisch inzicht hebben al vaker betoogd dat de Tweede Wereldoorlog voor de feitelijke Belgische samenleving een veel minder grote breuklijn was dan voor de internationale politiek. Eigenlijk was in de jaren veertig het leven van de jaren dertig min of meer hernomen, met dit verschil dat de communisten en socialisten sterker stonden en de Vlaams-nationalisten (tijdelijk) zwakker. Maar voor de rest was het leven even verzuild als voordien en even collectief georganiseerd - zeker op het platteland, maar ook in de steden. Wekelijkse wielermeetings in het Antwerps Sportpaleis trokken gemakkelijk tienduizenden toeschouwers. Een beetje verderop lag de Bosuil, met een capaciteit van meer dan zestigduizend plaatsen (bijna het dubbele van het Constant Vanden Stock-stadion vandaag), en die liepen geregeld vol - voor den Aantwaarep, godbetert.

De politici en omroepmensen schiepen dan ook een Vlaamse tv naar hun beeld en gelijkenis. Ja, er was verzuiling: de eerste directeur-generaal, Jan Boon, was 'vanzelfsprekend' een christen-democraat; het belangrijkste afdelingshoofd informatie, Nic Bal, was een socialist, een ex-weerstander die nog in het partijbureau had gezeten. Vlaanderen ging niet zover als Nederland, waar iedere 'zuil' haar eigen 'omroepje' kreeg, ook op tv. De ideologische evenwichten werden evenwel erg precies in de gaten gehouden. Met de beruchte 'Uitzending door derden', later, zou dat dubbele systeem - één omroep voor alle Vlamingen, maar voldoende ideologische checks and balances - dan toch zijn minizuilprogrammaatje krijgen. Maar zelfs dan bestond er een intern rondschrijven, zo vertelde Nic Bal in zijn memoires, waarin één man de opdracht werd gegeven om zelfs de teksten van de 'derden' na te vlooien, en alles te schrappen wat een kijker van een andere gezindte eventueel zou kunnen choqueren. Je mocht je als socialist affirmeren, maar niet als antikatholiek, en vice versa. Iedereen moest altijd naar de Vlaamse televisie kunnen kijken (behalve bijvoorbeeld de onwrikbare soort die van oordeel was dat zijn kinderen al een besmetting opliepen bij alleen maar het zien van een misviering op zondagvoormiddag, maar daar had zelfs de nochtans erg antiklerikale BSP van die tijd weinig compassie mee). Nogmaals, Vlaamse tv was een familieaangelegenheid. Het gezin als hoeksteen van de samenleving, en op die hoeksteen stond dan een televisietoestel.

Toch was er ook heel wat ambitie bij het Nationaal Instituut voor Radio-omroep, het NIR, zoals de VRT toen heette. De wens was niet 'goede tv' te brengen of 'hoge kijkcijfers te halen'. Dat laatste begrip bestond toen niet eens. De ambitie was nobeler: volksverheffing. Jan Boon drukte de echte doelstelling van zijn zender uit als volgt: "Een schoner levend volk, een verrijkt volk moeten wij worden na de jarenlange invloed van de televisie." Zo leidde hij een televisie die naadloos aansloot bij de visie en de maatschappijvisie van nobele cultuurverspreiders en volksverheffers als het Davidsfonds of Vermeylenfonds, televisie van en voor het Vlaanderen van de Bonte Avonden en 'Vermaak na Arbeid'.

Sla er het programma van de eerste uitzendweek in 1953 nog maar eens op na. Het eerste ontspanningsprogramma dat werd uitgezonden: het toneelstuk Drie dozijn rode rozen. De dag nadien: Zo vertelden zij..., een programma met medewerking van levende legende en volksverteller Ernest Claes - dat was dus lachen geblazen. Verder die eerste week onder meer de documentaire Vlaanderen Welig Huis en een Italiaanse muzikale komedie, De trouwe papa.

Natuurlijk ontlokken die titels ons vandaag slechts een meewarige glimlach. Toch waren de Vlaamse tv-pioniers echt overtuigd van het democratische, hooggestemde karakter van hun opdracht. De eerste tv-verantwoordelijken kwamen immers van de radio en waren bovendien mannen met ervaring, wat in de vroege jaren vijftig wilde zeggen dat ze de oorlog hadden meegemaakt. Een tijd waarin iedereen bij de radio moest kiezen of hij al dan niet stopte met werken - met inkomensverlies tot gevolg, en mogelijke vervolging van Nieuwe Orde-adepten wegens duidelijk niet erg opgezet met hun opvattingen over orde - of toch collaboreerde bij wat al vlug Sender Brüssel heette. Een klein deel van de radiocollega's koos voor de laatste optie, en tegen een aantal van hen werden in de tweede helft van de jaren veertig zware straffen uitgesproken, tot de doodstraf toe. De groep die het overleefde, van wie sommigen voor het verzet gekozen had, wiste die ervaring niet zomaar uit.

Of die eerste programma's veel bekeken werden? Neen, natuurlijk, Vlaanderen kon ze zelfs niet eens zien. Dat was alleen voorbehouden aan alle gemeenten in een straal van 20 tot 30 kilometer rond Brussel. Dat kon oplopen tot 50 à 60 kilometer "als de ontvangstpost niet gehinderd wordt door heuvels". Bovendien moest Vlaanderen nog beginnen met het aanschaffen van 'ontvangers' - een televisietoestel, zoals dat toen nog zo lang mogelijk werd genoemd, plus antenne, natuurlijk "een hoge, juist georiënteerd". Als de tv in korte tijd iets veranderde in de Vlaamse samenleving, dan was het de skyline van onze dorpen, gemeenten en steden: naast iedere schouw kwam een antenne.

Voor het eerste echte succesnummer van de nieuwe Vlaamse tv was het wachten tot 1955. Schipper naast Mathilde was niet het eerste tv-feuilleton - die eer valt De familie Bludts te beurt -, maar het was wel het allereerste tv-programma dat zich in het collectieve geheugen van de Vlamingen boorde. En dat, merkwaardig toch, in een tijd waarin volgens allerlei statistieken nog maar een kleine minderheid van de Vlaamse gezinnen over een tv-toestel beschikte. Maar die eerste tv was dus de motor voor wat vandaag met een passende Engelse term community building heet. Mensen keken samen voor de etalage van een raam (een paar jaar voordien hadden ze zich daarvoor nog geschaamd: ze waren toch geen bedelaars?) of troepten samen bij het welgestelde familielid of de vriendelijke buurman die wel al over een tv beschikte. En maar lachen met de avonturen van de gepensioneerde schipper Mathias (Nand Buyl) en zijn naasten, waarin vooral Marieken (Chris Lomme, later mevrouw Buyl) tot vandaag tot de verbeelding spreekt.

Meteen werd de ongekende kracht van het nieuwe medium duidelijk. Chris Lomme herinnert het zich goed: "Vanuit het niets werd ik een star in Vlaanderen. Ik had een rolletje van twee keer niks, maar blijkbaar was ik zo innemend dat ik het hart van het publiek veroverde. We werden omstuwd, we moesten handtekeningen zetten. Op buiken, wangen, ruggen."

Een kleine tien jaar voor de Beatles-mania in Londen losbarstte, had Vlaanderen al zijn eerste, bepaald volkseigen groupies. Televisie betoverde, en wie in de ban van het medium was, stond al in de jaren vijftig niet meer helemaal met zijn voeten op de grond, zo blijkt uit het relaas van Lomme. Maar leid daar niet uit af dat Vlaanderen trendsettend was. Schipper naast Mathilde (het zou vandaag het bekijken niet waard zijn, met zijn ouderwetse dialogen, zijn 'gefilmd toneel' en zijn in die tijd gesmaakte variant van wat vandaag overacting heet) was zonder de minste twijfel emanciperend voor Vlaanderen, maar hobbelde een eeuwigheid achterop bij het buitenland. Behalve bij Nederland: daar kwam het eerste goede feuilleton pas ná onze Schipper op de buis. De jaren zestig waren dan ook nog niet aangebroken, Nederland was nog niet het land van hasj en weed en Amsterdam, maar van klompen en tulpenbollen. Maar vergelijk eens met de VS. In 1956, het eerste volledige succesjaar van Schipper, brak in de VS ene Elvis door en vulde hij datzelfde jaar alleen de billboards met 'Heartbreak Hotel', 'Blue Suede Shoes', 'Hound Dog' en 'Love me Tender'. Toen vonden ze bij ons dat ze met Schipper de moderniteit waren ingetreden.

Stop. Eigenlijk is dat fout. Schipper had met moderniteit alleen de techniek gemeen. In de eerste jaren van de Vlaamse tv, door de mensen die het meemaakten met enige heldhaftigheid maar zeker niet onterecht 'de pioniersjaren' gedoopt, veroverde de tv allereerst haar fysieke plaats. Niet alleen de Vlaamse daken droegen voortaan een antenne, ook het interieur van de Vlaamse woonkamers veranderde fundamenteel. Voortaan was de voornaamste oriëntering van een salon die in de richting van een of andere hoek - die met het tv-toestel natuurlijk, met daarnaast het kastje om de antenne te draaien. Maar de beelden die het NIR uitzond, waren nog niet die van de beeldsamenleving. Schipper had net zo goed in de jaren veertig gedraaid kunnen zijn. Maar dat zou snel veranderen.

"Ik was verliefd op Chris Lomme", kreunde Walter Grootaers in 1990, en hij voegde daar in een adem aan toe: "Onze romance was erg kort / Ze liet me staan voor Axel Nort". Axel Nort, een van de legendarische Vlaamse jeugdfeuilletons, vertelt al van een tijd dat ook Kapitein Zeppos hoogdagen vierde en er met een amfibievoertuig rondgevaren en -gereden werd. Televisie begon volwassen(er) te worden, meer geëmancipeerd. Nu Vlaanderen nog. Dat was, hoe kan het anders, een zaak voor de jaren zestig.

Het einde van het pionierstijdperk vond uitgerekend plaats omstreeks de symbolische datum '1960'. In 1959 stierf Bert Leysen, de algemene coördinator van de NIR-televisie, in een auto-ongeluk - ook op dat vlak waren de nieuwe tijden op komst, jammer genoeg. Op 31 december 1960 overleed ook directeur-generaal Jan Boon. Die had net zijn laatste nieuwjaarstoespraak naar het secretariaat gebracht, omdat hij zich een beetje onwel voelde. Geloof het of niet, maar de Vlaamse televisie zond de begrafenis van Jan Boon rechtstreeks uit. Doet dat denken aan een overleden vorst? Natuurlijk. Toen Jan Boon zijn nieuwjaarstoespraak niet meer kon houden, werd dat gebruik niet overgenomen door zijn opvolger, Paul Vandenbussche, en al evenmin door premier Gaston Eyskens. Het paleis zelf pikte met graagte die vrijgekomen positie in, en vanaf 1961 zou koning Boudewijn de jaarlijkse nieuwjaarstoespraken verzorgen. Juist daarvoor, op 18 mei 1960, was de oude naam NIR veranderd in BRT. Laat ze komen, die nieuwe tijden.

Beginnen we bijvoorbeeld met het koningshuis, dat zich nu ineens ter gelegenheid van nieuwjaar tot de natie wilde richten. Het zou eens het onderzoeken waard zijn, voor zover dat kan, maar er is niets wat de koning zo van zijn Brusselse voetstuk gehaald heeft als de televisie. Vóór de televisie was Boudewijn in het slechtste geval een kleurrijke postzegel: marineblauw, lichtgroen, helpaars, iedere hippiekleur werd gebruikt boven dat klassieke portret van Boudewijn-met-lichte-krullen-en-ziekenkasbrilletje. Ook van de beelden van het 'journaal' (dikwijls in filmzalen bekeken) kende men Boudewijn. De ernstige Boudewijn bij het graf van de onbekende soldaat. Een meer lachende Boudewijn in wit uniform te midden van een uitzinnige menigte van tienduizenden lachende, dansende en applaudisserende Kongoleesjes, zo zagen we onze 'Bwana Kitoko' toch zo graag. Tot ene Lumumba opdook en - volgens de Belgen - hopen onbetamelijks vertelde over de Belgen op de Jour de l'Indépendance, en waarop Boudewijn zijn stuurste en zuurste smoeltje zette dat er tot vandaag in het televisiearchief van de VRT te vinden is. Dat bij de rondrit in open auto door Leopoldville (zeg nu: Kinshasa) de tv beelden toonde van een drieste zwarte die ineens op Boudewijn sprong, hem zijn ceremoniële sabel afhandig maakte en daar uitdagend mee begon te zwaaien, is ongetwijfeld een van de beste visuele illustraties uit de geschiedenis van vorige eeuw van wat het begrip 'liberté' precies wil zeggen. Maar, hoe verrassend ook, de beelden bleven binnen de bekende paden van het gefilmde journaal, en iedere vorst zal weleens met balorige onderdanen te maken hebben, of niet?

Tot Boudewijn ineens begon te praten. Dat móést hij wel, wilde hij zich in zijn tv-boodschappen tot het volk richten. Ineens hoorde iedereen in Vlaanderen dat de legendarische aanspreektitel 'Ouaarde landkenoten' de enige wijze was waarop Boudewijn - waarom spraken we onze sire nooit aan als 'Baudoin'? - zich in het Nederlands kon uitdrukken. Zonder het zelf te beseffen heeft het hof zo de kloof tussen Vlaanderen en zijn koning vergroot. In 1950 was Vlaanderen nog in meerderheid koningsgezind, en Wallonië niet. Toen het weekblad Knack in 2000 een enquête hield over de royalistische gezindte bleek Wallonië de Coburgs helemaal in de armen te hebben gesloten, en Vlaanderen hoe langer hoe minder. Mensen horen of iemand 'van hun kanten' is of niet. En Boudewijn en Fabiola, en na hen eigenlijk ook alle andere bewoners van Laken, zijn dat hoorbaar niet. Dat was een zeer rechtstreeks en dus erg democratiserend gevolg van de televisie, en daar kon niets aan verhelpen, zelfs geen vriendelijke nieuwjaarswens aan de tv-kijkers van 'mijn frouw en ik'.

Via de tv leerde Vlaanderen niet alleen zijn eigen vorsten maar ook de wereld kennen. Niet dat het aanbod nog maar het begin van vergelijking kon doorstaan met de kabeldistributie van vandaag. Maar toch. Aan de kust konden ze, bij heel heldere hemel, glimpen van BBC ontvangen. In Limburg, Antwerpen en omstreken was het eenvoudig afstemmen op Nederland, en Limburg en Luik hadden ruim toegang tot de Duitse tv. West-Vlaanderen lag dan weer binnen het zendbereik van de Franse stations. In de tijd dat het een en al publiciteit was voor de Europese eenwording kon de Vlaamse tv-kijker ook al eens bij de buren kijken. En bij de RTBF, in de volksmond nog altijd 'Brussel Frans', dat spreekt.

Iedereen kende inmiddels de macht en de impact van het nieuwe medium. Gaston Eyskens, die in 1962 nog de fakkel van eerste minister had moeten doorgeven aan de flamboyante CVP-voorzitter Theo Lefèvre, was in feite de laatste politicus van het 'pre-tv-tijdperk'. Hij zei "Geen commentaar" en trok daarbij zijn mondhoeken naar beneden, slaagde erin uit de hoogte te kijken (hoewel Eyskens sr. minder mat dan een meter zeventig), en niemand die hem tegensprak. Gelukkig voor Eyskens was de tv toen nog niet zo bepalend voor de politieke beeldvorming als vandaag, of zijn loopbaan was waarschijnlijk voortijdig geëindigd door de schuld van het kleine scherm. Lefèvre durfde wel cassant uitpakken, brutaal zelfs, maar hij was eigenlijk ook geen man van de jaren zestig, laat staan dat zijn Luikse opvolger Pierre Harmel dat was.

De eerste politicus die begreep dat een tv meer mogelijkheden bezat dan een aan- en uitknop was de nadien zo verfoeide Paul Vanden Boeynants, eerste minister van 1966 tot 1968 (en later, in een overgangsregering, een paar maanden in 1978-'79). Vanden Boeynants en zijn goede vriend Charly De Pauw, de 'parkingkoning' van Brussel, waren onvervalste America lovers. De Pauw hoopte Brussel een skyline à la New York te schenken, met wolkenkrabbers waarop helikopters konden landen, en droomde van steden die in dienst stonden van de auto. Gelukkig is dat (deels) een boze vooruitgangsdroom gebleven. Vanden Boeynants keek vooral de Amerikaanse politieke praktijken af: de eerste barnumcampagnes kwamen van hem, evenals de Amerikaanse omgang met het tv-scherm. Met Vanden Boeynants bereikte de kunst van 'de regeringsverklaring' een absoluut hoogtepunt. Pijp in de mondhoek, zelfbewust monkellachje en naast hem zijn sprekende echo, een cadeau uit Vlaanderen, met strik ingepakt nog wel: Willy De Clercq. Vanden Boeynants nam het woord, rustig en zelfbewust, de blik recht in de lens, en vice-premier De Clercq bauwde hem na. (VdB: "De financiën zijn gezond." Waarop De Clercq, vinger in de lucht: "Gezond!". Enzovoort.)

Na Vanden Boeynants zou Wilfried Martens de ongekroonde koning worden van de regeringsmededeling, en met hem - helaas - een hele schare minus habentes. De minister van Onderwijs richtte zich ieder jaar op 1 september tot de natie en bewierookte vervolgens zichzelf. Wilfried Martens liet zich vertellen dat het niet nuttig was om, zoals de vormtaal van de klassieke regeringsmededeling vereiste, eerst een pancarte 'Regeringsmededeling' te laten verschijnen, en vervolgens achter een tafel gezeten op ernstige toon een serieuze tekst te declameren, daarbij steeds oplettend dat de handen gevouwen blijven (Boudewijn deed dat ook altijd. Nu weten we: hij zat eigenlijk te bidden. Maar goeie ouwe hardliner-socialisten, zo antiklerikaal als maar kon, genre de Mechelaar Jef Ramaeckers, deden dat ook, omdat zij dachten: 'Dat hoort zo voor een man van stand'.) Wilfried Martens liep af en toe in de natuur rond, of op een speelplaats, of wat dan ook, als het maar 'modern' oogde. Een man van de wereld, die Martens.

Of toch niet helemaal. In 1987 stoorde zijn regering zich aan de tegenvallende peilingen - en dus natuurlijk ook aan de ijver waarmee de media die publiceerden. Gevolg: Martens zorgde snel, snel voor een legislatieve tekst in het staatsblad die dergelijke peilingen verbood in de laatste rechte lijn naar de verkiezingen. Het blad Knack had zich, noblesse oblige, altijd ver gehouden van flauwiteiten als peilingen, maar dit konden ze niet laten liggen. Het volgende nummer verscheen met de tekst van twee grondwetsartikels op de cover ('De drukpers is vrij') en een snel bestelde en ingeblikte enquête binnenin.

Ja, dat waren haat-liefdetijden met de media, tv incluis. Liefde, want de om de zoveel jaar terugkerende politieke hoogmissen, de verkiezingsavonden, verliepen eigenlijk zoals politici dat toen leuk vonden. Alles draaide om de Gentse professor Hein Picard. De naam alleen al riep herinneringen op aan de legendarische Picard die per luchtballon hoger vloog dan wie ook van ons, maar Hein hield zich niet onledig met zulke buitenissigheden. Hij was specialist statistiek, en het enige buitenissige waren zijn strik en zijn erudiet ogend baardje. Op de verkiezingsavond zelf begon Hein, een soort stift in de hand, heel ingewikkelde berekeningen te maken op een bord, kribbels waaruit geen mens wijs raakte - en wij maar denken dat wij nog niet genoeg gestudeerd hadden om de droedels van de prof te begrijpen. Picard zelf bleef maar herhalen dat alles nog "zeer onzeker" was, vooral door de te pas en te onpas erbij gesleurde mogelijke "apparentering", vrij vertaald: "Alles wat ik zeg, klets ik uit mijn nek". Maar het brave Vlaanderen pikte het. En zo durfde Picard het aan om tot middernacht per provincie en per partij twee en soms zelfs drie zetels speling te houden. In een tijd dat er nationaal amper vier zetels van partij wisselden, was dat geen kunst, maar dat wisten wij niet. Net zoals Vlaanderen het gewoon vond dat een mannenkoortje de hele avond met een schalkse knipoog zong van "Mijnheer de markies is niet thuis" - haha, hij zat wel op de zolder, die markies. Het was een lied van overspel, jawel, en de politici lieten begaan, want ze wisten dat het eigenlijk over hen ging. Vlaanderen emancipeerde, inderdaad.

Maar ook weer niet te vlug. Wie de meest succesvolle trends uit die tijd goed analyseert, ziet toch een paar constanten opduiken. En die zijn: allemaal samen. Televisie, in allerlei wetenschappelijke studies jarenlang geduid als de voornaamste veroorzaker van de vereenzaming van de burger, had tot ver in de jaren zeventig maar één groot project: mensen dichter bij elkaar brengen, zij het allemaal vanuit hun eigen huiskamer.

Neen? Kijk dan maar eens naar de belangrijkste tv-projecten van de late jaren zestig en de jaren zeventig. Zonder televisie was er nooit Europees voetbal gekomen. De facto zitten we vandaag al in een soort van Europese Super League (waar België niet-permanent lid van is, maar soit). Iedereen keek uit naar de befaamde 'Eurovisie'-uitzendingen. U weet wel, de stralenkrans met die feestelijke dreun-deun van Marc-Antoine Charpentier (Beethoven, denken velen, maar ze denken fout). Het Europese antwoord, zeg maar, op de aftiteling van Metro Goldwyn Mayer (op tv bekend wegens Tarzan en collega's), al vonden we nooit een afdoende repliek op de brullende leeuw. Raawwhhh, en zo bleven lui uit de States Europese filmmakers verscheuren, al vanaf de beginsequentie.

Maar het ging natuurlijk verder. Niets feestelijkers dan Spel zonder grenzen. Er was een Italiaans scheidsrechtersduo, en niemand kon dan ook een touw knopen aan de beslissingen van de intussen legendarische arbiters Gennaro Olivieri en Guido Pancaldi, behalve dat ze een boontje hadden voor grote landen. Community building, jawel. Wat was het legendarische zondagmiddagprogramma Binnen en buiten, met René Van der Speeten en later Luc Appermont, anders dan iedereen samen voor de buis krijgen? Zowel sportliefhebbers (zo sprak wielercommentator Fred De Bruyne iedereen aan die weleens naar Parijs-Roubaix wilde kijken) als variétéminnaars als landbouwers die waren blijven hangen na Voor boer en tuinder, het programma dat aan Binnen en buiten voorafging - het laatste tastbare bewijs trouwens van de maatschappelijke invloed van de Boerenbond, maar dit, natuurlijk, geheel terzijde) als liefhebbers van Vlaamse muziek, en noem maar op. En wat was Tip-Top anders dan een Binnen en buiten voor min-vijftienjarigen? Nonkel Bob, tot hoge leeftijd de gitaar onder de arm geklemd, creëerde een virtueel kampvuur, twintig jaar voordat het woord 'virtueel' realiteit werd in Vlaanderen. "Zang en spel, een stuk toneel", zong nonkel Bob, en dat kregen we inderdaad. Nonkel Bob, een naam die klonk als een relict uit de jaren vijftig, maar die het dertig jaar nadien nog altijd volhield. Ook in de jaren zeventig was hij nog altijd onze nonkel, nu begeleid door oudere en zeer langharige neefjes als Zaki en Kris Smet. Nonkel Bob, dat was in één raamprogramma zowel Sinterklaas zien uitwuiven als kijken naar de spannende avonturen van Axel Nort (die van de Kreuners, zie hierboven) of de onvergetelijke Kapitein Zeppos.

Met Het zwaard van Ardoewaan was het hek helemaal van de dam. Daarin sneuvelde Huoon, de goede ridder, al in het begin van de serie. Wat was dat voor een sof, waar de held het leven laat nog voor het verhaal vertrokken is? Zijn perfide broer Morholt (let op de onheilspellende letter 'o' in de naam) daarentegen blééf maar leven. Zekerheden bestonden ineens niet meer. Met De kat - 'Batman meets pater Versteylen' - gaf de BRT een platform aan een vorm van ecoterrorisme. Hoera, natuurlijk, en wees maar zeker dat Agalev een reëel maar niet te kwantificeren deel van zijn goodwill te danken heeft aan De kat.

We hadden al veel gehad, in Vlaanderen. We kenden Zorro (met de dikke en steeds onfortuinlijke Mexicaanse sergeant), we kregen het ene buitenlandse beest na het andere over ons - Skippy, volgens de begeleidende deun een kan-goe-roe-hoe-hoe; Flipper, een dolfijn; een langharig teefje genaamd Lassie; een paard dat luisterde naar de naam Black Beauty - juist, vrij donker van vacht. We leefden mee met de dikke Hoss, zijn broertje Little Joe en vader 'Pa' Cartwright van de wildwestserie Bonanza. Zelfs in Duitsland kenden ze Bonanza, als ze tenminste niet naar gedubde versies van Winnetou zaten te loeren.

En dan was er het Eurovisiesongfestival. 'Meedoen is belangrijker dan winnen' leek het Belgische motto, totdat halfweg de jaren tachtig Sandra Kim won met 'J'aime j'aime la vie'. Een Italiaanse immigrante, dat spreekt, of we hadden nooit kans gehad. Maar heel Europa keek wel naar 'ons'.

En plots was het uit. Gebeurde het toen VTM geboren werd? Tot dan waren Vlaanderen en Nederland zoetjesaan aan het toegroeien tot één culturele ruimte. NOS en BRT werden alsmaar meer twee handen op één buik, weet u wel, de legendarische Berend Boudewijn kwis (hoofdprijs, u gelooft het niet: een (kleuren)televisie), en programma's als Noord en zuid, waar 'onze' Johan Anthierens 'hun' vader Abraham dermate de baard afdeed dat hij midden in de uitzending gewoon opstapte. Zij keken nauwelijks naar Vlaanderen, wij vergaapten ons aan Willem Ruis, André van Duin, Jos Brink en Ron Brandsteder. Misschien niet Hollands Glorie in klassieke zin, maar alleszins een indrukwekkende bami goreng. Mét satésaus.

Met de komst van VTM vergat België naar het buitenland te kijken. De 'Hollanders' verdienden tonnen guldens met hun eigen commerciële omroepen, de Vlamingen plooiden terug op 'hun eigen ding'. De zogenaamd 'ernstigen' bleven bij de BRT, nadien BRTN, nu VRT, terwijl de als populair versletenen - Mike Verdrengh, Guido Depraetere, Walter Capiau, Jan Theys, even zelfs Bart Peeters - naar VTM trokken. Er was eigenlijk geen echt verschil met de VRT, al bleef er van het 'community'-idee geen spaander heel. Vlaamse tv? Welke tv? Alleen de tv-máker telde, tot meerdere eer en glorie van de 'kijker', natuurlijk. Uiteraard. Leve de kijker, en zijn cijfer.

En zo kabbelt tv verder. In een concurrentieel Vlaanderen, waar niemand nog samen achter welk project dan ook staat. In een concurrentiële wereld. CNN, jawel. Al-Jazeera ook. VTM-VRT-VT4: de stam is hetzelfde - V -, alleen het detail nadien verschilt. Met de 'V' van TV. De V van Visie. Betekent tegelijk Kijken, en Zien. Doorzien. Begrijpen. Of gezien zijn, en zich dus af en toe laten vangen. TV, Tele Vlaanderen. Totaal Vlaanderen. Tam, tergend traag Vlaanderen. Toe, Vlaanderen: graag ook soms een beetje tegendraads.

Bron en foto's: 'Blijven kijken! - Vijftig jaar televisie in Vlaanderen' van Manu Adriaens (uitgeverij Lannoo).

Vanaf maandag presenteert Walter Baele in de persoon van de kranig gepensioneerde Rosa Vermeulen de beste fictie- en jeugdseries van de voorbije halve eeuw. Zes dagen op zeven, van eind september tot eind februari: 'Rode rozen voor Rosa' (TV 1).

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234