Zaterdag 17/04/2021

Zalig zij die moorden en doden

Vandaag verklaart Johannes Paulus II in de Kroatische hoofdstad Zagreb kardinaal Aloizije Stepinac zalig. Wat in theorie een louter religieuze zaak is, wordt door iedereen begrepen als een provocatie met zware politiek-religieuze consequenties. In de Balkan is Stepinac nog steeds bijzonder omstreden. Voor de Kroaten is hij een nationale held en martelaar, voor de Serviërs een monster, een nazi-collaborateur met bloed aan de handen. Wellicht verdient de zaligverklaring van Aloizije Stepinac het predikaat 'controversieelste daad van Johannes-Paulus', misschien is het wel de minst verstandige. En, voor wie rekening houdt met het broze karakter van de vrede in dit stuk Balkan, met de pijn die onnodige provocaties nog steeds verwekken, ook de meest verfoeilijke.

WALTER PAULI Johannes Paulus II verklaart aartsbisschop Aloizije Stepinac zalig

In wat ooit Joegoslavië heette, begon de Tweede Wereldoorlog relatief laat. 'Pas' in april 1941 vallen de Duitse legers het land binnen. Toch is die invasie geen beginpunt van de vijandelijkheden. Eigenlijk was de oorlog altijd blijven smeulen sinds Joegoslavië in 1918 was opgericht uit brokken ex-Servië en ex-Oostenrijk-Hongarije. Spanningen zijn er van meet af aan, vooral omdat de politici uit de verschillende regio's zonder dralen hun heil zoeken in een nationalistische vlucht vooruit. Politieke macht was daarbij het doel, godsdienst het middel. De regerende Karageorgevic-monarchie is Servisch, dus Grieks-orthodox. Deze groep voert een rancuneuze politiek die katholieken discrimineert en als tweederangsburgers behandelt. Dat komt extra hard aan in het Kroatische landsdeel, dat voordien tot Oostenrijk-Hongarije behoorde. Waar de Habsburgers regeerden, was het katholicisme de staatsgodsdienst, dus ook in Kroatië. De machtsstrijd met de Serviërs vertaalt zich zo in een afkeer van alle niet-katholieken.

In Zagreb sticht advocaat en volksvertegenwoordiger Pavelic in 1929 de nationaal-fascistische beweging Ustasa ('Vooruit!'), een groepering van katholieke terroristen. Pavelic moet naar buurland Italië vluchten, waar hij al snel met Mussolini dweept en diens politieke ideeën overneemt. De man maakt wereldwijd naam als zijn katholieke Ustasi's op 9 oktober 1934 in Marseille de - orthodoxe - Joegoslavische koning Alexander I vermoorden. Resultaat is dat Joegoslavië zo mogelijk nog meer de weg inslaat van een politiestaat naar autoritair model. Er wordt bovendien geïntrigeerd, gecomplotteerd, er worden putschen gepleegd en er zijn op de koop toe spanningen binnen de koninklijke familie. Hoewel Joegoslavië in 1941 officieel toetreedt tot de Asmogendheden, wantrouwt Hitler de nieuwe bondgenoot (hij vermoedt parallelle, geheime onderhandelingen met Groot-Brittannië) en besluit hij het land binnen te vallen.

Het is tegen die broeierige politieke en religieuze achtergrond dat Aloizije - 'Louis' - Stepinac carrière maakt in de kerkelijke hiërarchie. Stepinac (°1898) was een briljant seminarist die in 1924 filosofie en theologie mocht studeren aan de Gregoriana, de respectabele universiteit van de jezuïeten in Rome. Als hij in 1930 terugkeert naar Kroatië, rijst zijn ster snel. In 1934 wordt hij tot hulpbisschop van Zagreb gewijd, in december 1937 al volgt hij de overleden monseigneur Bauer op als aartsbisschop. Aloizije Stepinac is dan amper 41, 'piepjong' naar Vaticaanse normen. Dat gebrek aan maturiteit zou hem de volgende jaren zuur opbreken.

In 1941 houdt Joegoslavië als zodanig op te bestaan. Mussolini pikt Slovenië in, Bulgarije en Hongarije eisen hun deel van Joegoslavië op, Servië komt onder Duits militair bestuur en Kroatië wordt 'onafhankelijk'. Zijn Italiaanse ballingschap heeft Ante Pavelic geen windeieren gelegd. Hij weet bij Mussolini en Hitler de oprichting te bedingen van de Nezaviska Drzava Hrvatska (NDH), de Onafhankelijke Staat van Kroatië. Het bestaan van de NDH werd plechtig uitgeroepen in Zagreb op 10 april 1941, de dag zelf dat de Duitse troepen in de hoofdstad binnenstapten. Staatshoofd wordt natuurlijk Ante Pavelic zelf. Hij laat zich naar beste Nieuwe Orde-traditie meteen 'Poglavnik' noemen - Leider.

In zijn persoonlijke leven gedraagt het nieuwe staatshoofd zich als een vrome katholiek. Pavelic koos talrijke raadgevers uit de geestelijkheid en liet in zijn presidentiële residentie een kapel inrichten. Hij benoemt meteen verschillende hoge prelaten in de Sobor, het Kroatische parlement. Onder hen ook aartsbisschop Stepinac, die dit eerbewijs graag zal aanvaarden. In het gedachtegoed van Pavelic is er immers geen verschil tussen de begrippen 'Kroaat' en 'katholiek'.

Maar dat stelt een praktisch probleem. Pavelic heeft zichzelf immers getrakteerd op Groot-Kroatië, een land dat heel wat uitgestrekter is dan het vroegere Kroatië in strikte zin. De NDH omvat ook Bosnië, Herzegovina en lappen Slovenië en Dalmatië. Die territoriale uitbreiding vertaalt zich ook in de bevolking. Behalve de 3,3 miljoen (katholieke) Kroaten woonden er ineens ook ongeveer 2 miljoen (orthodoxe) Serviërs, 750.000 moslims, 70.000 protestanten en 45.000 joden in Kroatië. Die realiteit kan Pavelic onmogelijk aanvaarden. Terwijl de Duitse bondgenoot zich het lot van de joden aantrekt, spitst zijn aandacht zich toe op de orthodoxe Serviërs. In Pavelic' gedachtengoed hadden die geen recht van bestaan: of ze bekeerden zich tot het katholicisme, of ze verdwenen.

Op 25 april 1941 proclameerde Pavelic de eerste maatregelen voor een religieus-etnische zuivering: een verbod van het cyrillisch schrift, sluiting van de orthodoxe kleuterklassen en lagere scholen, inbeslagname van de kerkelijke goederen van orthodoxe priesters en kloosters. Onmiddellijk hierna neemt hij contact op met Stepinac. De Poglavnik hengelt bij de aartsbisschop naar steun. Pavelic heeft goed gegokt: zijn anti-orthodoxe maatregelen hebben het ijs gebroken. Hun eerste contact is hartelijk en cordiaal, zo getuigt Stepinac op 27 april in zijn dagboek.

Maar laten we de aartsbisschop zelf aan het woord (Stepinac schrijft over zichzelf steeds in de derde persoon als 'de aartsbisschop', nvdr): "In de loop van de eerste dagen na de terugkeer van de Poglavnik voerde de aartsbisschop een eerste gesprek met hem in de vroegere tuin van het Paleis (...) De aartsbisschop wenste hem Gods zegen toe bij al zijn ondernemingen (....) Nadat de aartsbisschop uitgesproken was, antwoordde de Poglavnik dat hij de katholieke Kerk in alles behulpzaam zou zijn. Verder beloofde hij de Servisch-orthodoxe Kerk te bestrijden omdat deze geen kerkelijke maar een politieke instelling was. Op grond van deze uitspraken kwam de aartsbisschop tot de conclusie dat de Poglavnik een oprechte katholiek was en dat de Kerk bij al haar activiteiten de vrije hand zou hebben, alhoewel de aartsbisschop niet de illusie koesterde dat alles van een leien dakje zou lopen."

Zelfs dat laatste, al te eufemistisch omschreven voorbehoud klinkt niet terug in de officiële 'herderlijke brief' die Stepinac amper één dag later aan alle Kroaten richt. Op 28 april klinkt in alle kerken: "Volg mijn oproep om aan het edele werk van de instandhouding en de bevordering van de Onafhankelijke Staat Kroatië mee te werken dus zonder aarzelen op. Omdat wij de mannen persoonlijk kennen die vandaag het lot van het Kroatische volk in handen hebben, zijn wij er vast van overtuigd dat onze activiteiten hun volle steun en goedkeuring zullen wegdragen. (...) Bid allen dat de Poglavnik van de NDH met de geest van wijsheid vervuld wordt en dat hij zijn ambt ter ere van God en tot redding van ons volk in waarheid en gerechtigheid moge uitoefenen. (...) Eerwaarde broeders, volg deze traditie ook nu en volbreng uw plicht tegenover de jonge onafhankelijke staat Kroatië! In dit verband beslis ik dat er op zondag 4 mei in alle kerken een heilig Te Deum gezongen moet worden. Elke pastoor is daarbij verplicht de plaatselijke machthebbers en de bevolking hierop uit te nodigen." Zo de top, zo de basis: zeker na deze aansporing van aartsbisschop Stepinac kon de Ustasa-beweging rekenen op massale steun bij de lagere clerus, vooral bij de franciscanen. In Kroatië behoort één op drie priesters tot die orde.

Stepinac sust niet alleen de eigen gelovigen, zijn pro-Kroatische houding zorgt ook voor een welwillende introductie van Pavelic in het Vaticaan. Hoewel de paus de NDH moeilijk officieel als wettig kan beschouwen (er is nog steeds een Joegoslavische ambassadeur bij het Vaticaan), gaat hij toch zover om de nieuwe staat de facto te erkennen. Op 18 mei 1941 gunt paus Pius XII een privé-audiëntie aan Ante Pavelic. Omgekeerd zond Pius een persoonlijke gezant naar Zagreb, de benedictijnse monnik Mgr. Giuseppe Marcone. De Italiaan Marcone was een grote fan van het fascistische regime van Mussolini en bekeek ook de nieuwe buurstaat met een welwillend oog. Die zal tot in '45 excellente contacten onderhouden met het regime.

Geruststellende en verdoezelende rapporten van Marcone en Stepinac naar het Vaticaan (en zo naar de buitenwereld) zouden in de praktijk een uitstekende dekkingsmantel betekenen voor het drama dat zich in de bossen en heuvels buiten Zagreb toen al aan het voltrekken was. De Ustasi's zetten immers vaart achter de 'bekering' van het land. Minister Budak legt al in de zomer van 1941 uit: "Eén deel van de Serviërs zullen we vermoorden, een ander deel deporteren en de rest zullen we tot het katholieke geloof bekeren en er zo Kroaten van maken." De kerkelijke hiërarchie blijft niet achter. Op 24 juli 1941 beaamt de Katolicki tjednik, het blad van het aartsbisdom Zagreb en dus uitgegeven onder Stepinac' rechtstreekse verantwoordelijkheid: "Voor het Kroatische volk zijn de Serviërs de grootste vijanden naast de joden, de vrijmetselaars en de communisten. (...) Men moet breken met de idiote en voor de aanhangers van Christus onwaardige bewering dat de strijd tegen het boze en tegen de verderfelijken op een fijne en voorname manier gevoerd wordt."

Het zijn dit soort toespraken en geschriften die de theoretische verantwoording vormen van een bloedstollende etnische zuivering 'op het terrein' - qua intensiteit en praktijken misschien best te vergelijken met het drama dat voor enkele jaren Rwanda teisterde. Net als in Rwanda waren het talrijke katholieke priesters die hierbij het voortouw namen. Had hun aartsbisschop hen immers niet de zegen gegeven? Duizenden nauwgezette en gedetailleerde getuigenissen, het ene al weerzinwekkender dan het andere, werden na na de oorlog door het Joegoslavische gerecht verzameld. Slechts één, ter illustratie: "Op 19 december 1941 kwamen Ustasa-troepen op bevel van pope (priester) Duric naar het dorp Rogulje terug en omsingelden het. Ze arresteerden twaalf mannen en twee vrouwen, brachten hen naar de gevangenis van Zrinj en folterden hen op beestachtige wijze. Ze ontkleedden de vrouwen en dwongen hen naakt door het dorp te rijden en daarbij te zingen. De mannen werden levend in stukken gesneden terwijl ze op een ezel zaten."

Maar nergens werd de katholieke gruwel zo systematisch bedreven als in het concentratiekamp van Jasenovac, een oord dat deels diende als doorgangskamp, deels als werkkamp, deels als begraafplaats voor tienduizenden Serviërs. Aan het hoofd stonden meestal franciscaanse monniken. Eén van de meest beruchten onder hen is Miroslav Filipovic, een man die meermaals per dag zijn pij verwisselde voor een olijfgroen uniform. Filipovic' beleid staat uitgebreid beschreven in dossier nr. 9164-9170. Een aantal fragmenten: "Zes zigeuners werden op gouddiefstal betrapt. Kampcommandant Filipovic veroordeelde ze tot de doodstraf. Ze moesten alle zes voor hem knielen en hijzelf gaf hen een slag op hun achterhoofd. Een van hen vertoonde nog een teken van leven. Daarop sneed sergeant-majoor Matijevic hem met een mes de keel over."

"Elke dag werd er een tien- tot vijftiental jonge vrouwen het kamp binnengebracht. Ze waren goed gekleed. Waarschijnlijk waren het studentinnen. Ze staken met een veerboot de Save over. Alle Ustasa-officieren, waaronder steevast ook frater Filipovic, gingen hen achterna. Later kwamen ze dan, opgewonden en met bloed besmeurd, terug. De vrouwen zag men nooit meer terug."

"In december 1942 schiet Filipovic met een mitrailleur één na één 49 van de 50 leden van een werkcompagnie neer. Eén man, Slavko Dobrila, werd gespaard omdat hij een werkman was: 'Nadat mijn groep omgebracht was, werd ik nog dezelfde dag naar Gradiska gebracht. Samen met andere katholieken gingen we daar naar de middernachtmis. Filipovic sprak er een vroom gebed. De volgende ochtend bij het appel wenste Filipovic ons allemaal aangename feestdagen. Tot mij zei hij: 'Geen schrik hebben, makker, alles komt weer goed.'"

De wreedheid blijft niet verborgen tot het Kroatische platteland. De Italiaanse schrijver Curzio Malaperte was tijdens de oorlog correspondent in Zagreb voor de Italiaanse krant Corriere della Sera. Samen met een hoge Italiaanse functionaris wordt hij persoonlijk ontvangen door Ante Pavelic. Zijn relaas over die ontmoeting: "De Poglavnik legt uit dat het Kroatische volk bestuurd wil worden met goedheid en rechtvaardigheid. Terwijl hij spreekt, zie ik een schotel op het bureau. Ante Pavelic heft het deksel en toont me zeevruchten, een gelatine-achtige en glibberige massa. Hij zegt me met een glimlach, zijn mooie glimlach: 'Dit is een geschenk van mijn trouwe Ustasi's, twintig kilo mensenogen.'"

Ook het Vaticaan raakt gealarmeerd. Giovanni-Battista Montini, de latere paus Paulus VI en toen een van de machtigste mannen in de Curie, trekt Marcone aan de mouw: 'Wat is dat daar allemaal in Kroatië?' Maar Marcone en Stepinac spuiten samen hetzelfde mistgordijn. Stepinac stuurt het Vaticaan een positieve beoordeling van bovenvermelde Ante Pavelic: "Hij strijdt energiek tegen abortus, een praktijk die vooral bedreven wordt door communistische en joodse dokters. Hij heeft erg streng opgetreden tegen alle pornografische geschriften. Ook die werden vooral geredigeerd door joden en Serviërs. Ze vormden een echte pest voor de Kroatische jeugd. Hij heeft de vrijmetselarij vernietigd en voert strijd tegen het communisme. Hij heeft decreten uitgevaardigd tegen godslastering. Hij wil dat de soldaten een christelijke opvoeding krijgen. Hij dringt aan op godsdienstige opvoeding van de jeugd in het onderwijs. Hij heeft de subsidies aan de seminaries verhoogd en aan kerkelijke instellingen."

In 1942 trekt Stepinac voor twaalf dagen naar Rome. Het doel van zijn missie: Kroatië verdedigen, alle gruweldaden in Servische schoenen schuiven. Een Kroatische priester uit Stepinac' gezelschap schrijft hierover: "Hij velde een gunstig oordeel over de situatie in ons land en spreekt vol lof over de arbeid en de streefdoelen van onze regering. Hij sprak met groot welgevallen over de inspanningen en de zorg van de Poglavnik om zo spoedig mogelijk de orde te herstellen. (...) Bepaalde uitspattingen van sommige enkelingen stoorden hem wel, maar hij was ervan overtuigd dat het hier werkelijk slechts om enkelingen ging en dat de regering met deze voorvallen niets te maken had."

Stepinac weet echter beter. Intern tekent hij wel degelijk protest aan: bij het regime, tegen collega's-bisschoppen, tegen de parochiepriesters, eenmaal op de preekstoel. Zelfs de franciscaanse kampcommandant Filipovic verklaarde na zijn gevangenschap: "Uit gesprekken weet ik dat aartsbisschop Stepinac op verschillende bisschoppenconferenties en andere bijeenkomsten tegen deze acties in de kampen geprotesteerd heeft. In het openbaar heeft, voor zover ik weet, niemand tegen deze daden protest aangetekend." Stepinac leefde in de waan dat zijn morele gezag de 'kleine aberraties' kon stoppen. Een juiste schatting van het totale aantal Joegoslavische slachtoffers is moeilijk. Alleszins loopt het aantal doden voor het goede geloof in de honderdduizenden. Tot de herovering van Zagreb door Tito's partizanen bleef Stepinac het regime steunen, zich op foto laten vereeuwigen bij officiële plechtigheden, samen met de Poglavnik, een man die hij hoe dan ook politiek bleef steunen.

Het werd Stepinac' zwanenzang. Onder Tito wordt hij voor een rechtbank gebracht en in 1946 tot zestien jaar veroordeeld, al bij al een milde straf gezien zijn aandeel in de ideologische omkadering van de volkerenmoord. Omdat hij niet één praktisch bevel tot moorden heeft gegeven en intern een aantal 'overdrijvingen' poogde te stoppen, ontsnapte hij aan de doodstraf.

Hijzelf en de katholieke Kerk vonden die sanctie echter nog te veel, te draconisch, te onrechtvaardig. Het was immers Koude Oorlog, het Westen had helden nodig, de katholieke Kerk zocht naar nieuwe martelaren. In Stepinac vond men zo'n voorbeeld. Stepinac zelf vond zichzelf trouwens ook onrechtvaardig behandeld, bleef volhouden dat hij steeds in overeenstemming met zijn geweten had gehandeld en dat de katholieke Kerk ieder volk recht geeft op een land, dus ook de Kroaten. Dat de specifieke Kroatische staat in zijn tijd een fascistisch bestel kende, was voor Stepinac en zijn bewonderaars vooral bijzaak. Paus Pius XII strooide zout in de Servische wonde door Stepinac in '53 tot kardinaal te verheffen. De man sterft in '60 in zijn geboortedorp. Zijn gebeente rust in de kathedraal van Zagreb. Vanaf vandaag mag het dus aanbeden en vereerd worden, zo heeft Johannes Paulus II beslist. Een mooie dag voor het eigen gelijk, een slechte zaak voor de vrede in de Balkan.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234