Dinsdag 24/09/2019

Interview

Yasmien Naciri getuigt over de constante stress: “Ik heb al meegemaakt dat mijn ribben zomaar braken”

Yasmien Naciri. Beeld Stefaan Temmerman

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Twintig directe vragen, ­evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: marketeer/opiniemaker/columniste Yasmien Naciri (26).
Wie is zij in het diepst van haar gedachten?

1. Summertime sadness, kent u dat gevoel?

“Nee, ik voel me in elk seizoen thuis. Mijn humeur is niet afhankelijk van het weer. Maar in de zomer snak ik altijd naar Marokko. Als kind ging ik om de twee jaar met mijn broertje en zusjes mijn oma bezoeken die op een boerderijtje op het platteland woont. Haar dan weer achterlaten deed altijd een beetje pijn. En aangezien ik oma de laatste jaren niet heb kunnen bezoeken, mis ik haar. De zomer associeer ik dus met mijn oma en nu ook met gemis. Als je geen migratie­achter­grond hebt, kun je dat misschien moeilijk begrijpen. Als je je familie rond je heen hebt, vind je dat een evidentie, maar als ze verspreid zit over de wereld, hecht je er meer waarde aan.

“Mijn oma is één keer naar België gekomen, maar ze aardt hier niet. 
Te druk, te veel gebouwen. 's Ochtends deed ze telkens de deur open om naar de zonsopgang te kijken, maar in de stad zie je die niet. En ze bleef wachten tot er beweging kwam, want in Marokko gaan de straatventers al heel vroeg op pad. Maar er gebeurde niks. (lacht)

“Ik hoop haar echt nog te kunnen zien, ook al volgt ze mij via Facebook op de voet. Toen mijn boek verscheen, belde ze om te zeggen dat ze zo trots was op mij. Het is heel fijn om die erkenning van haar te krijgen, vooral omdat ze zelf zo’n sterke, onafhankelijke vrouw is – ze is al bijna dertig jaar weduwe. Om mij te plagen, vraagt ze weleens wanneer ik ga trouwen. Dan zeg ik: nooit.”
(lacht)

Wie is Yasmien Naciri?

- geboren in Mol, op 9 december 1991

- marketeer, opinie­maker, auteur

- behaalde een bache­lor bedrijfs­management (Karel de Grote Hoge­school) en een master meertalige professionele communicatie (Universiteit Antwerpen)

- veelgevraagd studiogast bij onder andere Radio 1, De afspraak en MNM

- vanaf 2016 columniste bij De Morgen

- richtte Belgisch-Marokkaanse hulp­organisatie Amana op

- in mei verscheen haar boek Wij nemen het heft in handen

- enkele weken terug raakte bekend dat, na een klacht van Naciri, voor het eerst een anonieme Twitter-­trol was veroordeeld in België   

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

“Ik denk: dat ik het goede in mensen zie. Omdat ik oprecht geloof dat mensen goede bedoelingen hebben. Zelfs mensen die racistische uitspraken doen, gaan er wellicht van uit dat ze het goed voorhebben met de samenleving, dat ze anderen moeten beschermen.

“Toen ik die trol die mij lastigviel in de rechtbank zag (na een klacht van Naciri werd voor het eerst in dit land een anonieme internet­trol veroordeeld, red.), voelde ik ergernis omdat hij allerlei excuses zat te zoeken en zijn daden niet eens kon verdedigen, maar tegelijk ook een soort mededogen. Want misschien schuilt in hem toch wel een goede vader of een goede zoon. Wat niet betekent dat hij goed gehandeld heeft. Maar dat hoeft geen contradictie te zijn. Je kunt goed zijn en toch fout handelen. Dat inzicht helpt mij om menselijk te blijven, om een mens als menselijk te blijven zien. Mijn ouders hebben mij altijd geleerd: je mag niet veroordelen.”

3. Wat is uw passie?

“Ik heb er veel, maar ergens een verschil kunnen maken voor mensen die het nodig hebben, zal, denk ik, toch wel mijn grootste passie zijn. Vanaf mijn 16de doe ik al vrijwilligerswerk, op mijn 20ste heb ik een hulp­organisatie opgericht. In België verschaffen we daklozen en armen kleren, eten en ondersteuning, in Marokko bouwen we water­putten en renoveren we dorps­schooltjes.

“Maar dat laatste verloopt niet altijd van een leien dakje. In Marokko stuit je op zoveel corruptie, dat is zo uitputtend. Ik heb vaak gedacht: het is genoeg geweest, ik gooi de boeken dicht. Maar dan denk ik weer aan die eerste waterput die we bouwden. Heel het dorp zat eromheen en toen het water eruit kwam, sprong iedereen op. Ik zie nog altijd die oudjes, sommigen zelfs met een stok, vrolijk met het water spetteren. Ik hou me nog altijd vast aan dat euforische gevoel dat ik toen had.”

4. Wat is uw zwakte?

“Ik kan heel moeilijk ‘neen’ zeggen en ga er ook vaak aan onderdoor. Sommige mensen vragen zoveel van je, ze zuigen je gewoon leeg. En ik heb al zo’n drukke agenda. Die stress zet zich op mijn lichaam. Ik heb al meegemaakt dat mijn ribben zomaar braken van de spanning. Elke beweging deed pijn. Ik kamp ook met maagproblemen en eetstoornissen. En vermoeidheid, natuurlijk. Ik moet grenzen leren trekken. Soms heb ik nood aan even gewoon van de aardbol verdwijnen.”

5. Wat is uw grootste angst?

“Ik ben eigenlijk helemaal niet bang, zelfs niet voor de dood, omdat ik heel rationeel ben. We zijn niet onsterfelijk. Het belangrijkste is dat je goed leeft, of je best doet om zo goed mogelijk te leven. Ik zou wel niet willen sterven terwijl mijn moeder nog leeft. Het idee dat ik haar gebroken zou achterlaten, is een pijnlijke gedachte.”

6. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Van verdriet huil ik allang niet meer. Ik heb zo vaak verdriet ervaren dat ik ben gestopt met huilen. Ik heb heel veel meegemaakt. Zowel als kind als later. Zowel in mijn familie als daarbuiten. Nu krop ik mijn verdriet op en dat werkt. Ik huil geen tranen meer, maar toen mijn moeder in het ziekenhuis lag met hartproblemen, huilde mijn ziel.

“Van ontroering heb ik gehuild tijdens de voorstelling
Aangenaam, ik ben Ish, waarin hij zaken aankaart die heel herkenbaar zijn voor jongeren met een migratie­achtergrond. Hij brengt dat op een erg emotionele manier, maar voegt er ook meteen humor aan toe, waardoor je je tranen niet kunt bedwingen.”

7. Wanneer bent u ooit door het lint gegaan?

“Nooit. Ik ben heel kalm van nature. Wat niet wil zeggen dat ik niet boos kan worden. Zeker wanneer ik onrecht zie: mishandelde vrouwen of kinder­armoede. Maar je zult mij nooit agressief zien. Misschien omdat ik als kind zelf zo veel agressie heb gezien, dat kan. Nu speel ik even mijn eigen psycholoog.” (lacht)

8. Waar schaamt u zich soms voor?

“Als ik iets verkeerds heb gezegd. Ik bied heel vaak mijn excuses aan. Vooral aan mijn moeder. Ik woon samen met haar, anders blijft ze alleen achter. Als ik ’s avonds thuiskom en ik zie dat ze zoveel werk heeft verricht, hoor ik weleens een stemmetje fluisteren in mijn hoofd: Yasmien, je moest je schamen. Terwijl ik zelf ook de hele dag gewerkt heb, maar toch. Mijn moeder gaat altijd door, ziek of niet ziek.”

9. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Goed, denk ik, ja. Ik heb me nooit iets aangetrokken van wat mensen vinden van mijn uiterlijk, of ze mij nu mooi vinden of niet. Compli­menten gaan bij mij het ene oor in en het andere oor uit. Als je veel waarde hecht aan complimenten, zul je ook veel waarde hechten aan beledigingen. En aangezien ik een hoofddoek draag en een andere huidskleur heb, krijg ik daarover weleens negatieve opmerkingen. Maar dat doet mij niks. Omdat ik weet dat ik inhoudelijk wél iets te betekenen heb.”

10. Wat vindt u erotisch?

“De glimlach en de blik. Je kunt daar zoveel uit afleiden, maar ook zoveel boodschappen mee overbrengen, zonder je handen te gebruiken, te bewegen of iets te zeggen. Tegelijk ken je nooit echt de beweeg­redenen die erachter schuilen, dat maakt het ook mysterieus. Als ik iets niet kan vatten, ben ik echt helemaal weg. (lacht) Ik heb al vaak de reactie gekregen dat mijn glimlach soms flirterig overkomt, maar dat is echt niet mijn bedoeling.” (lacht)

11. Wat is uw goorste fantasie?

“Goh, goor. Bij ons in de Kempen betekent dat vies, ranzig. Wel, ik heb altijd weleens in een chocoladebad willen zitten. Een tijd geleden droomde ik dat ik in zo’n bad lag, terwijl ik koekjes in de chocolade dipte. Toen ik wakker werd, voelde ik me helemaal opgeblazen en oprecht misselijk. Sindsdien heb ik geen chocolade meer gegeten.” (lacht)

12. Wat betekent liefde voor u?

“Liefde is voor mij complex, ondefinieerbaar. Het Arabisch heeft zoveel woorden om naar de verschillende vormen en stadia van de liefde te verwijzen, terwijl het Nederlands alleen maar ‘liefde’ kent. (lacht) Hoe beperkend dat is, merk je als je een liefdesgedicht uit het Arabisch in het Nederlands vertaalt. Je moet maar eens de poëzie van Nizar Qabbani (Syrisch dichter, 1923-1998, red.) in beide talen lezen. Er gaat zoveel betekenis verloren.

“Maar of het nu gaat om de liefde voor je ouders, je geliefde, je vrienden, je naasten of God, voor mij gaat het altijd gepaard met overgave. Vandaar ook mijn angst ervoor. Ik heb bindings­angst, ja, hoewel ik dat tot nog toe altijd heb ontkend. Ik ben bang om mijn zelfstandigheid, mijn onafhankelijkheid, mijn vrijheid te verliezen. 

“Op dit moment heb ik niet de moed om mij kwetsbaar op te stellen. Misschien komt het ooit, misschien komt het niet en ik zou dat eigenlijk niet erg vinden. Ik heb een heel goede soulmate, maar voor hetzelfde geld scheiden over een paar jaar onze wegen. Ik ga er niet van uit dat mensen eeuwig in mijn leven blijven.”

13. Welk dier zou u willen zijn?

“Een katachtige. Een kat is onafhankelijk en doet niets op commando.”

14. Hoe was de relatie met uw ouders?

“Wat mij het meeste heeft getekend in mijn leven, is de relatie tussen mijn ouders. Vijf jaar geleden zijn ze gescheiden. Mijn vader zie ik niet meer, maar pas op, ik heb ook positieve herinneringen aan hem, het was niet allemaal kommer en kwel.

“Op het vlak van religie zijn mijn ouders heel open-minded. In onze familie zitten ook niet-moslims, ex-moslims, joden, katholieken, ongelovigen enzovoort. Maar bepaalde culturele gewoontes mocht ik niet in vraag stellen. En daar kon ik niet tegen. Dus ben ik beginnen discussiëren. En blijven discussiëren.
(lacht)

“Maar ze hebben me wel altijd gesteund, vooral mijn moeder tijdens mijn jaren in het hoger onderwijs, want toen stond ze er alleen voor. Zij heeft ervoor gezorgd dat ik kon blijven studeren, en daar ben ik heel dankbaar om. De band met mijn moeder is bovenaards. Mijn liefde voor haar is zo groot. Alles wat ik doe, doe ik ook voor haar.”

Beeld Stefaan Temmerman

15. Hoe kijkt u naar religie?

“Als kind heb ik bijbel­studies gevolgd. Mijn ouders waren de enige moslims in de omgeving en ze hadden vrienden die bijbel­studies organiseerden, vandaar. We vonden dat gewoon heel leuk. Ik herinner me nog de prentjes, zoals de ark van Noah, die heel erg tot mijn ­verbeelding spraken.

“Op de lagere school heb ik eerst islam gevolgd, dan zedenleer, later weer islam. Het was een pad met ups en downs, zeker vanaf mijn 16de. Mijn overstap naar het hoger onderwijs ging met zoveel vragen gepaard: ben ik wel moslim? Of ben ik gewoon moslim omdat ik ben opgegroeid in een moslim­gezin? Geloof ik echt dat er een god bestaat? Momenten van geloof en ongeloof wisselden elkaar af. Geloven of niet is een gigantische zoektocht, een proces van twijfels en dat kan ook niet anders. Er is een Arabisch gezegde: alleen god weet het. Dat is de hele essentie. Als mens weet je niet hoe het allemaal effectief in elkaar zit. Je hebt de waarheid niet in pacht, je hebt de kennis niet in pacht en los van elke religie, los van geloof of ongeloof, vind ik dat een mooie manier van denken. Het besef dat je er glad naast kunt zitten, helpt je om geen superieure houding aan te nemen ten opzichte van mensen die anders geloven of niet geloven.”

16. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

“Nooit. Op vooroordelen wel. Als je ontkent dat je ooit vooroordelen hebt gehad, lieg je. Iedereen heeft vooroordelen en die hoeven niet per se een racistische basis te hebben. Wanneer ik ’s avonds in Brussel rondloop, voel ik me weleens onveilig. Of wanneer ik voorbij zuur kijkende bejaarden wandel, denk ik weleens: zouden dat racisten zijn?”

17. Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering?

“Ik denk dat ik een jaar of 12 was. We waren op vakantie bij mijn oma in Marokko. Op het platteland was er toen nog geen elektriciteit. Voor mij was dat een schok. Als je wilde douchen, moest je eerst te voet een emmer water halen aan de bron een heel eind verderop, dan moest je het opwarmen en vervolgens het met een kommetje over je haren en je lichaam gieten. Douchen duurde een eeuw en er was altijd te weinig water om al die zeep weg te spoelen. (lacht)

“Ik vroeg me ook af waarom mijn neefje telkens water moest halen. Hij was tenslotte jonger dan ik. Wat maakte hem anders? Ik vond dat niet fijn. Er was ook geen toilet­papier of internet­verbinding. Als kind kon ik niet begrijpen dat je in zo’n situatie wilde leven. Waarom verhuisde mijn oma niet gewoon naar de stad? Naarmate je ouder wordt, besef je dat er geen keuze is. Hoe zou je nu alles kunnen achter­laten en in de stad opnieuw beginnen? In de stad is het trouwens niet veel beter, je hebt er nog steeds krotten­wijken.

“Het was een nare ervaring, maar ze heeft wel geleid tot het besef dat ik mensen moet helpen.”

18. Wat is voor u de hel op aarde?

“Hoe moeilijk ik het soms ook had, ik vond het nooit de hel op aarde omdat ik altijd slechtere situaties voor ogen houd om een en ander te relativeren. Maar dagelijks onrecht zien, niet weten hoe erop te ­reageren, je machteloos voelen, niet vrij kunnen zijn wie je wilt zijn, de verworvenheden verliezen die we hier hebben, dat zou voor mij de hel op aarde kunnen zijn. 

“Marokko zou ik misschien niet de hel op aarde noemen, maar ik zou er niet kunnen wonen, nee. Ik kan me niet voorstellen dat ik als columniste de mond zou worden gesnoerd. Dat ik geen kritiek zou kunnen uiten op het konings­huis, de politici, het beleid of het gebrek daaraan, bijvoorbeeld. Omdat ik het land associeer met vakantie, zie ik het positiever dan het is, daarvan ben ik me bewust. Als je er woont, bots je op corruptie en beknotting van vrijheid van menings­uiting.”

19. Aan wie zou u eens ongezouten uw mening willen zeggen?

“Aan bepaalde burgemeesters, om hen te wijzen op de problemen in hun gemeenten. Aan Bart De Wever, bijvoorbeeld. Er zijn zoveel uitdagingen waarvoor de oplossing voor de hand ligt, mits de nodige steun. Die ontbreekt heel vaak in 't stad. Wat ervoor zorgt dat veel buurten hier in Antwerpen verloederd achterblijven. Ze krijgen veel te weinig aandacht omdat er waarschijnlijk te weinig kies­potentieel is.

“Dat stoort me enorm en daarom kijk ik heel hard op naar Bart Somers. Hij bewijst dat je als burgemeester iedereen mee kunt krijgen in je verhaal. En dat doe je in de eerste plaats door de problemen te benoemen en de uitdagingen onder ogen te zien. Maar tegelijk ook door aan te tonen dat iedereen iets kan bijdragen en dat je evenveel waarde hecht aan de verschillende buurten in je stad.

“Het liefst van al zou ik alle jongeren in Antwerpen zien opgroeien in goede buurten met goed onderwijs. Als leerkrachten te weinig middelen en te weinig steun krijgen, is het moeilijk om voor een klas te staan met zoveel uitdagingen. Als je continu nieuwe leerlingen krijgt met allemaal hun eigen specifieke problemen, hun eigen gezins­situatie, is het heel moeilijk om individuele begeleiding te bieden. Dat is het geval in de schooltjes in Borgerhout en in alle geconcentreerde gebieden. En dat is jammer, want daar begint de samenleving van de toekomst.

“Dat zou ik willen zeggen aan burgemeester Bart De Wever. In een deftig gesprek. Even zitten en luisteren naar mij, met mijn presentatie, klik klik. (lacht) Ik wil hem echt vertellen wat ik denk, maar ik wil ook kunnen begrijpen wat hij denkt. In de media vernemen we daar maar een fractie van. Ik zou ten diepste willen weten wat zijn beweeg­redenen zijn, wat zijn doel is.”

20. Wat betekent geld voor u?

“Euh, geld. Als mensen zeggen dat geld onbelangrijk is, liegen ze. Geld is voor mij een middel. Om te overleven en om mensen te ­helpen. Aan kleren spendeer ik nauwelijks geld. Het grootste deel van mijn budget gaat naar de NMBS.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234