Dinsdag 19/01/2021

Wouter Deprez verovert België (8)

Zijn niet aflatende passie voor het wielrennen heeft stand-upcomedian Wouter Deprez Lucien Storme laten ontdekken, het aanstormende talent uit Nieuwkerke dat in 1938 Parijs-Roubaix won, maar een paar jaar later werd gedeporteerd en bij de bevrijding het leven liet. Het verhaal van een waaghals, een koppigaard, speelvogel en impulsieve mens, door de ogen van zijn broer, zus en zoon. ‘Als mijn vader was blijven leven, dan was ik geen militair geworden, zoals mijn stiefvader. Dan was ik coureur geworden.’ foto’s Jonas Lampens

‘Hij was rap in alles’

ucien Storme. Triomfator in Parijs-Roubaix in 1938. Waarom mijn naar beneden glijdende vinger op de erelijst van Paris-Roubaix net bij die naam stil bleef hangen? Lucien Storme. Misschien omdat het een naam is waarmee je voorbestemd lijkt om je lijf over de kasseien te jakkeren. Ik had zijn naam nog nooit gehoord. Maar wát een naam. Lucien Storme.

In de bibliotheek vind ik Het rijke Vlaamsche wieler-leven van Karel Van Wijnendaele, een overzicht van de wielrennerij in Vlaanderen voor de Tweede Wereldoorlog.

En tijdens dat eigenste jaar 1938, een ophefmakend verschijnsel, een renner naar wie we verwonderd en bewonderend opkeken: naar Lucien Storme in Parijs-Robaais. We zien hem nog rijden tusschen Seclin en Wattignies, op dien zijweg zonder velopad, maar met een wegelke in de grasbaan, waarop men rijden kon achter, maar niet nevens mekaar. Storme lag op kop. Hij duwde een ietske meer, en... en de tegenstrevers die achter bleven. Hij zelf was er van verwonderd. En was er benauwd van. Want hij bedacht zich: alleen, en nog zoo ver van Robaais. Daarom dat hij vertraagde en de anderen liet bijkomen. (...) Tijdens de laatste 25 Km., maar vijf renners meer die over bleven, om den strijd uit te vechten: Lauwers, Oubron, Sylveer Maes, Hardiquest en Storme. Maar deze laatste die ze allen stukkend reed, een voor een. Hardiquest bleef nog over, op 5 Km der aankomst, als Storme bandbreuk leed. Zijn sportbestuurder gaf hem een wiel. En in min dan 2 Km. liep hij Hardiquest in, om hem te verwinnen in den sprint, van zooveel of van zoo ver of hij wilde!

In een ander wielerboek vind ik een geboortejaar: 1916. Storme was pas eenentwintig toen hij Paris-Roubaix won. Een piepkuiken nog. Een aanstormende belofte. Het boek vermeldt ook een sterfjaar: het beladen jaar 1945. Wat is er met Lucien Storme gebeurd dat hij zo vroeg overleden is, op amper 28 jaar? Ik trek naar de plek waar hij volgens het boek woonde: Nieuwkerke, deelgemeente van Heuvelland.

“Bonjour. Ik ben André de Prince. 85 jaar ben ik. Ik kunne nie goe de Vlams. Lucien Storme? A ja, en e gewonnen Paris-Roubaix. Ik ken em gekend. Ik was twoalf joar als ij Paris-Roubaix gewonnen èt, ij heeft ier e feeste gedoan, in Nieuwkerke. Ik was bij die feeste, al coureurs die kwamen, de burgemeester, het muziek en al. Un blond, e kloeke vent. Hij passeerde alle dagen voorbij ons thuis, om te entraîneren. Maar ja, met de Duits, hij is gepakt geweest, au libération, en è geschiet geweest. Em es daar, in de kerkhof. Au revoir.”

Ik heb André niet helemaal begrepen. Zijn verhaal vanuit zijn auto op het pittoreske marktplein van Nieuwkerke werd onderbroken door voorbijrazende vrachtwagens van de aardappelfabriek. Is Lucien Storme bij de bevrijding door de Duitsers neergeschoten? Zat hij dan bij het verzet, misschien, en was dit een ultieme represaille van de Duitsers? Werd België trouwens niet al bevrijd in 1944? Ik zoek het graf van Lucien Storme op het kerkhof, dat nog rond de kerk van Nieuwkerke ligt. De doden vormen het hart van het dorp. Het graf van Lucien ligt midden in dat hart.

‘A la mémoire de monsieur Lucien Storme, né le 18 juin 1916, décédé le 10 avril 1945 au camp de Siegburg, époux de dame Marguerite Salembier.’

Lucien is gestorven in Siegburg. Hij moet weggevoerd zijn naar Duitsland. Lucien ligt naast het gezamenlijke graf van Henri Storme en Louise Huyghe, wellicht zijn ouders. Aan de andere kant ligt Alfred Dutry, echtgenoot van Denise Storme. Ook familie, wellicht. Lucien ligt gezellig. Op het graf staat een potje, met wat verse bloempjes in. Sober, maar verzorgd. Iemand soigneert Lucien.

Waarom is Lucien Storme gedeporteerd? In café de Chaplin op de markt weten ze het niet. Postbode Fabrice weet als enige van het hele gezelschap dat Lucien een Nieuwkerkse wielrenner was, en dat hij Paris-Roubaix gewonnen heeft. Maar hoe hij gestorven is? Van de fiets gevallen, zeker? Op straat komen we Jozef en zijn vrouw tegen, en Jozef weet meer.

“Lucien Storme? Paris-Roubaix! In ’36 zeker?”

“Eddy Merckx”, zegt de vrouw van Jozef.

“’38! Juste. Toen dat hij Paris-Roubaix won, was ik in Gent bij mijn nonkel.”

“Eddy Merckx”, herhaalt de vrouw van Jozef.

“‘Ge moet nu eens horen’, zei mijn nonkel, ‘het is één van Nieuwkerke die gewonnen heeft, Storme!’ Als hij wilde, kon hij. Maar hij had soms de wil niet.”

“Maar wiens manneke zijt gij toch?”

“Tijdens de oorlog waren de koersen dan afgeschaft.”

“Ge zijt volledig Annie!”

“Hij is dan beginnen blauwen. Smokkelen. De Duitsers hebben hem dan gepakt.”

“Irene bedoel ik. Mijn zuster.”

“Hij is dan gestorven bij de bevrijding van dat kamp.”

“Eddy Merckx.”

Jozef weet nog alles, en haarscherp. Zijn vrouw probeert, door haar ogen dicht te knijpen, de mist in haar hoofd te verdrijven. Dit zijn de laatsten, denk ik, zij waren kinderen toen Lucien leefde, en hun geheugen verdwijnt. De laatste herinneringen aan Lucien schuiven richting afgrond.

Maar naast een succesvol wielrenner was Lucien Storme dus ook een smokkelaar, en daarvoor werd hij opgepakt, en naar Duitsland gebracht.

In café Breugelhof is patron Gaston ondanks zijn 87-jarige leeftijd goed op de hoogte. “Lucien Storme! Dat was een vree vent. Hij was afkomstig van een klein boerhofke met veel kinders, die vader had het geld niet voor een koersuitrusting. Maar er was een beenhouwer van Armentières die hem sponsorde. Op ne keer zei zijn vader: ‘Lucien, nu is het gedaan, ge gaat nu thuisblijven bij uw broer en werken.’ Lucien zei: ‘Vader, morgen win ik Paris-Roubaix.’ En hij won!”

“Mijn vader was een veehandelaar, hij sponsorde Lucien een beetje. Met zijn moto reed hij Lucien naar de wedstrijden, Lucien achterop, met de velo op de schouder. De Tour de France in ’39 was hij ijzersterk. Als hij zei, ik win, dan won hij, maar hij moest domestiek spelen, en hij was kwaad, en in die kwaadheid wint hij de rit. ’s Anderendaags gaf hij op.”

“Hij smokkelde, binst de oorlog, iedereen deed dat. Maar in een garage in Armentières is hij gepakt geweest door de veldgendarmes. Hij heeft toen gevochten met een Duitser. En toen hebben ze hem in een werkkamp gestoken. Op het einde van de oorlog gingen de, ja, de Canadezen zeker, dat kamp bevrijden, ’s nachts, en Lucien liep weg, omdat hij dacht dat het Duitsers waren, zeker, en ze hebben hem doodgeschoten. Jaja, Lucien Storme. Een vree vent.”

Of elk detail klopt in het verhaal, zou ik niet durven zeggen. Maar het beeld van Lucien dat eruit naar voor komt - een waaghals en karaktermens -, daarin geloof ik Gaston door het vuur in de manier waarop hij vertelt, onvoorwaardelijk. Kun je op een dramatischer manier aan je einde komen? Gaston pikt uit de indrukwekkende archiefkast van zijn geheugen de namen, leeftijden en woonplaatsen van de nog levende broers en zussen van Lucien Storme.

Denise Storme, bijna negentig, verwelkomt ons op haar appartementje in Ieper. Ze toont een foto van haar broer Lucien. De gelijkenis met Denise is onthutsend. Ze haalt een stapeltje oude krantenberichten over Lucien boven. Ik neem het verpulverend papier van een vergeeld in-memoriamartikel vast, en lees het hardop voor. Af en toe komt Denise tussen.

‘Herinnering aan het korte leven van Lucien Storme’ door onze plaatselijke correspondent Berten Bafcop.

“Die Bafcop kwam altijd de maandagochtend om te informeren hoe het gegaan was. En als hij dan naar beneden kwam, vroegen mijn ouders, hebt ge er iets van geweten? Vandaag niet vele, en andere keren, ajaja, hij heeft een beetje verteld. Lucien vertelde daar allemaal niet makkelijk over.”

Dat deel van West-Vlaanderen dat Bachten de Kupe heet is nooit rijk geweest aan wielervedetten, de mensen die werk vonden op het land hadden de tijd niet om zich met de wielersport te bemoeien. En toch kwam er uit dat vergeten gewest af en toe een renner die bekwaam bleek op internationaal vlak onze kleuren hoog te houden. Lucien Storme uit Nieuwkerke was er één van. Hij was de tweede zoon uit een boerenfamilie.

“Daniël was de oudste. Lucien mocht eerst niet koersen. Hij heeft eens gekoerst in Dikkebus, op een oude vrouwenfiets, en hij had geen korte broek, toen heeft hij van een lange broek de pijpen afgeknipt, en hij reed de eerste. Het zat erin. Al zulke truken.”

Met Lucien zette ik de eerste stappen in de wielersport. Storme zocht als renner in het aanpalende Noord-Frankrijk zijn werkterrein, ikzelf volgde hem als correspondent. Lucien had rijke menselijke eigenschappen. Reeds op school werd hij spelenderwijs de eerste van de klas.

“Mijn vader vond dat raar dat hij altijd met de laatste tram terugkeerde van Ieper. Maar Lucien ging varen naar Dikkebus vijver, in plaats van naar school te gaan. Al zulke truken. Maar hij was zo rap in alles, hij speelde tuba in 't muziek, en hij kon ook heel goed biljarten.”

Hij was ambitieus, maar eens hij de voldoening van de overwinning gesmaakt had, trok hij zich terug in de eenzaamheid. Zo was hij ook als renner. Hij had van de natuur de gaven meegekregen om een groot kampioen te worden, maar hij was te onstandvastig van karakter. Toen hij in Noord-Frankrijk tot koning der kermiskoersen uitgeroepen werd, wou hij naar de profs overstappen.

“Ik was zijn soigneur. Als hij thuiskwam, moest ik zijn rug afvegen. Maar het moest juist zijn, hoor. Met een droge handdoek, een sponzen handdoek. Hij had er één en ik had er één. Niet te hard, en niet te zacht.”

Door toedoen van Karel Van Wijnendaele kreeg hij zijn kans bij Cycles A. Leducq. Een onbekende in het rijk der groten startte hij in 1938 in zijn eerste klassieker, Parijs-Roubaix.

“De avond ervoor moest hij nog zijn tubes vermaken! ‘Ge gaat wat uitmeten, zeker, morgen’, zei mijn vader. ‘Ik ga winnen, vader’, zei hij. En hij won wel zeker! Pa zat die dag in het staminee. Hij had het gehoord op de radio. Hij ging buiten staan en riep naar ons: ‘Lucien heeft gewonnen!’”

Lucien Storme had aan die ene overwinning genoeg. Nog eenmaal dat jaar deed hij van zich spreken. In de ronde van Zwitserland kwam hij als eerste boven op de top van de Saint-Gotard. Het jaar daarop wou hij deelnemen aan de ronde van Frankrijk. Ofschoon zijn omgeving hem die idee uit het hoofd wou praten, hield hij staande. Hij won de rit van Nantes naar La Rochelle. Die avond schreef Karel Van Wijnendaele: “Lucien Storme is gemaakt uit dat hout waar men de beste meubelen van maakt. Hij heeft een hart van koekenbrood, maar zijn wilskracht is niet gemaakt van het edelste staal.”Op de Tourmalet gaf Storme op. Toen kwam de oorlog.Op zeker ogenblik meende hij met wat anders dan koersen beter en gemakkelijker aan de boterham te komen. Hij werd door de Duitsers gegrepen.

“Ik weet niet wat hij smokkelde. Het zat allemaal verborgen onder bastiden (zeilen, nvdr). Tabak zeker? Ik heb er ook nog gesmokkeld, met mijn velo. Ik had een nonkel die een stampmachine had om tabak plat te krijgen, ik legde dat dan op mijn zadel, plooirokske erover, en zo verdiende ik ook nog een sou.”

Op weg naar het gerechtshof waar men over zijn smokkelzaak zou beslissen, probeerde hij tevergeefs te ontsnappen.

“Iemand had mij gezegd dat Lucien in Roubaix was, in het prison. Ik reed met mijn velo naar Roubaix om hem te bezoeken. ‘Goh, het is spijtig’, zegt die cipier, ‘hij is net weg, van vanochtend, naar Duitsland.’ Anders had ik hem nog eens gezien.”

Weggevoerd naar het kamp van Siegburg, had hij zijn straf ruimschoots uitgezeten, en werkte hij als verplicht tewerkgestelde, toen de Amerikanen het kamp omsingelden. De anders zo kalme Lucien Storme verloor zijn zelfbeheersing. Hij klom over de hoge omheiningsmuur, hoorde niet wat een Amerikaans soldaat hem toeriep en werd neergeschoten. Zo onverwacht hij in de wielerwereld verschenen was, zo onverwacht ging hij ook weer weg.

“Een pater die daar werkte, vertelde ons dan achterna dat Lucien bezig was met spitten. Lucien had niet door dat het de bevrijders waren, en hij liep weg. Als hij niet weggelopen was, was hij niet geschoten geweest. Hij moet dadelijk dood geweest zijn. Het is toch jammer, juist de laatste dag van de bevrijding.”

Waaghals, koppigaard, speelvogel en impulsieve mens, met dat beeld van Lucien Storme trekken we naar zijn jongere broer Vital. Dat de Stormes een sterk ras zijn, zien we ook weer bij Vital, wiens levenslustige naam terecht blijkt, ook op vierentachtigjarige leeftijd.

“Dat was een ander léven, zeventig jaar geleden. We waren met acht kinderen op een boerderijtje van twee paarden en enigste koeien. De boerderij was niets voor Lucien. Hij pakte wel zijn fiets om naar de akker te rijden, maar hij wás niet op de akker. Hij was weg. Waar naartoe? Niemand wist het. Dat was Lucien. Een nonkel wint met de biljart een koersfiets. Hij geeft die aan Lucien. Lucien begint te koersen. Dat gaat hem heel goed af. Er zijn coureurs die hun kar keren als ze zien dat Lucien meedoet. “Storme is er ook, het is de moeite niet vandaag.’

“Ik ga niet zeggen dat Lucien een moeilijk karakter was, maar hij was niet heel open. Als ge coureur zijt, vragen de mensen u: ‘Hoe is het geweest, Lucien?’, en vijftig meter verder weer, en dat ging Lucien niet om altijd te moeten babbelen. Sommige koersen stopte hij plots, het was gedaan, waarom? Niemand wist het, en hij ging het ook niet zeggen.

“Ik ben een stukske jonger dan Lucien, natuurlijk, maar ik zie hem nog altijd voor mij dat hij zoveel suiker at als krachtvoedsel, rauwe suiker. En dat hij als training in de koord danste, vroeger was dat uitsluitend voor de vrouwen eigenlijk, maar dat hij dat zo goed kon. Mijn jongste broer André en ik kuisten zijn fiets, we kregen daar 25 cents voor.

“We sliepen met vier in dezelfde kamer, André en ik in één bed, en Daniël en Lucien in het andere bed. Soms hoorde ik Lucien ’s nachts wenen. Toen verstond ik dat niet. Nu denk ik dat dat was dat hij in zijn beroep ook veel kritiek kreeg, en dat hij daar soms van afzag. Als ge wint, zijt ge alleman, maar als ge moet opgeven, denken mensen heel anders. En Lucien kon zich daar met woorden allemaal heel slecht tegen verweren.

“Toen het oorlog werd, begon hij op de zwarte markt. Hij deed dat op een grote manier, met een camionette. Toendertijd was het eigenlijk enkel de burgemeester, de dokter en de notaris die met een auto reden. En Lucien Storme. Die auto stond voor alleman te kijk op ons hofstedeke. Hij heeft veel geld verdiend met dat smokkelen. Dat was geweldig gevaarlijk. Soms zei Lucien plots: ‘Ik keer vanavond langs een andere weg terug’, en dan hoorde je nadien dat er op zijn gewone baan controle was geweest. Hij had daar een instinct voor. Behalve die ene keer. Zijn auto viel in panne, hij wou hem laten herstellen in een garage in Armentières. Het was een garage waar ze de auto's van de Wehrmacht ook deden. Die garagist heeft hem overgedragen. Dan die vuistslag, naar Siegburg, en de rest weet ge.

“Mijn moeder volgde dat tijdens de oorlog enorm, van dag tot dag, dat avancement van de Engelsen. Wat er geweldig wreed was: in de periode van de bevrijding was er, telkens als er iemand naar huis kwam, een feest, een soort stoet. Mijn ouders zochten Lucien dan altijd. Hij was er nooit bij. Op zekere dag is er iemand komen zeggen dat hij de laatste dag, de allerlaatste dag, gestorven was. Mijn moeder zat aan de tafel bij het venster in de keuken, en op het moment dat ze het haar zeiden, huilde ze. Dat rappeleer ik mij nog heel goed.”

Het is vijfenzestig jaar geleden, maar het beeld grijpt Vital opnieuw aan.

“Dat verdriet van het overlijden van Lucien straalde uit op de gezondheid van mijn ouders. Mijn vader heeft nooit geweend, maar hij is volledig in uitslag gekomen. Mijn moeder kreeg kanker. Mijn vader werd slecht behandeld door een chirurg. Op korte tijd waren ze allebei dood. Ze hebben niet eens de repatriëring van het lichaam van Lucien meegemaakt.”

Ik zeg Vital dat ik het graf van Lucien in Nieuwkerke bezocht heb.

“Ik kan moeilijk naar Nieuwkerke gaan zonder langs dat graf te passeren.

“Lucien was veel kloeker van postuur dan ik, maar van karakter en van manier van leven ben ik waarschijnlijk het meest verwant aan Lucien. Die onafhankelijkheid, moeite hebben met hiërarchie, geen chefs verdragen, dat had Lucien allemaal, en dat heb ik ook. Als kind al, en nu nog. Maar ja, eigenlijk verander je niet veel in het leven, hé.”

Tot slot ga ik op bezoek bij iemand die Lucien Storme niet bewust meegemaakt heeft, maar die een indrukwekkend archief bijeengezocht en gekregen heeft over Lucien. Waarom? Omdat hij een heel speciale band heeft met Lucien. Jacques Storme is de zoon van Lucien Storme, maar hij heeft hem nooit bewust gekend. Jacques’ vader werd naar Duitsland gebracht toen Jacques twee was.

“Mijn ouders zijn getrouwd in december ’39. Ik ben geboren in ’40, mijn vader was toen aan de Achttiendaagse veldtocht bezig.”

Ik zoek het later even op, de Achttiendaagse veldtocht was in mei 1940, impulsieve waaghals Lucien verwekte kleine Jacques al voor het huwelijk.

“Mijn moeder ging terug bij haar ouders wonen toen hij in Duitsland zat, ik herinner mij nog dat ik op tafel zit, dat mijn moeder mij mijn schoenen en sokken aandoet, en dat ze zegt: ‘Papa komt nooit meer terug.’ Dat herinner ik mij nog. Maar als kind, ge gaat daarover, en dat is het.”

Pas als hij na een carrière als beroepsmilitair in Duitsland terugkeert naar België, probeert Jacques een beeld van zijn vader bij mekaar te verzamelen.

“In de bibliotheek vroeg ik op een machine microfiches van de oude sportkranten op, een week lang zat ik daar, van ’s ochtends tot ’s avonds, zonder eten, om de machine niet kwijt te spelen. Ik dacht, ik ga nu toch eens kijken wie mijn vader was.

“Ik had ook ooit een koffer gekregen van mijn moeder. ‘Hier, allemaal dingen van uw vader’, zei ze, maar ja, ik had een gezin, een bouw, een job, cursussen en opleidingen, dus die koffer belandde in de kelder. Pas toen ik op pensioen ging, heb ik alles gelezen en bekeken.”

Het archief van Jacques is indrukwekkend. Hij heeft de originele foto’s van Lucien, bijvoorbeeld ook de originele foto van de aankomst van Paris-Roubaix 1938, hij heeft kopieën van allerhande krantenartikels. Jacques gaat in zijn zoektocht ook praten met een oud-collega-wielrenner van zijn vader, Remi Cappoen, toentertijd een grote concurrent.

“Hij vertelde dat mijn vader altijd zeer rap vertrok in de koers, hij zat rap in die haken, en hup, de helft was er al af. Hij was ook niet benauwd om er één in de beek te rijden, of één een draai tegen zijn kop te geven. De goeie coureurs zijn allemaal zulke, alle grote coureurs hebben losse handjes, kijk naar Hinault. Als ge niet zo zijt, wint ge niks. Remi vertelde, als het te koud was en hun vingers te bevroren waren om hun tubes nog af te krijgen in de wedstrijd, dat ze ze dan afbeten met hun tanden! Dat waren mannen, hoor.”

Jacques dweilde ook een tijdje de wielerbeurzen af om nog wielermateriaal over zijn vader te verzamelen. En soms kwam het materiaal hem aangewaaid.

“Op een keer zit ik op een begrafenis, en een nonkel van mij zegt: ‘Ik heb drie bekers van uw vader bij mij thuis. Ik zal ze u geven.’ Dat waren bekers die altijd in het ouderlijk huis hadden gestaan. Nonkel Daniël, mijn voogd, had die weggegeven. Dat moeten geen goede kameraden geweest zijn, nonkel Daniël en mijn vader.”

De bekers hebben een ereplek in de woonkamer. Andere relikwieën geraken niet tot bij Jacques.

“Een neef van mij heeft een linnen rugnummer 129 van mijn vader, maar hij wil het mij niet geven, ook niet voor een fles champagne. Bij hem ligt het in een koffer, bij mij zou het in een kader hangen. Klootzak.”

Jacques heeft nog een scapulier van zijn vader, hij heeft het briefje nog dat aan de kist hing bij de repatriëring, hij heeft de originele facturen van de motorfiets en de camionette van zijn vader, hij heeft zelfs bewegende beelden van zijn vader.

“Via via heeft Michel Wuyts mij ooit een filmpje opgestuurd met levende beelden van de Ronde van Vlaanderen in 1939, daar stond mijn vader op. Op het moment dat ik dat bekeek, heb ik geweend.”

Het is een opmerkelijk emotionele mededeling van Jacques. Liever praat hij over de prestaties van zijn vader dan over wat het gemis van zijn vader voor hem betekend heeft. Eén van de aangrijpendste zaken in zijn archief is het verkreukelde briefje dat Lucien in het station Liège-Guillemins tussen de spleten van de beestenwagon kon duwen bij zijn deportatie naar Siegburg. Ik lees het briefje hardop, Jacques prevelt het mee.

Lucien Storme, coureur, Neuve-Eglise, Flandre Occidentale, laisser savoir ma femme que je suis parti pour l'Allemagne. Tout va bien.

Een zekere Marcel Grandjean uit Luik was zo vriendelijk het briefje op te sturen naar Nieuwkerke, vergezeld van de volgende brief.

Le train de Bruxelles arrivait ce matin le 6 mars à 8 heures du matin en gare de Liège-Guillemins, de la voiture cellulaire le papier ci-joint a été jeté, bon courage.

Voor Jacques zijn de brieven die vader Lucien vanuit het werkkamp in Siegburg naar zijn moeder schreef het meest aangrijpend.

“Ik kon daar niet aan beginnen. Toen ik op pensioen ging, heb ik de noot dan toch doorgebeten. Soms moest ik stoppen na een half blad. Dat zijn zeer emotionele momenten.”

De laatste brieven zijn in het Frans, omdat de censuurcontroleur van het kamp Frans sprak. A5’jes zijn het, tot de laatste vierkante millimeter volgekribbeld.

Mon petit Jacqueske est bien changé, Il est beaucoup grandi, il est bien beau, tu sais. Ici, ils disent qu'il me ressemble bien, et alors, je suis fière d'avoir un petit fils comme moi. Je vois bien que vous vous aimez bien fort tous les deux, Il parle des fois encore de son papa? Il va plus me reconnaitre, n'est-ce pas, quand je reviendrai? Ca me fait bien du peine, tu sais. Il m’aimerait bien vite comme avant, n'est-ce pas, chérie? Car je veux toujours rester tout près de lui, et de sa petite mère.

“Hij had met dat smokkelen heel goed verdiend, daarvan had hij goudstaven gekocht. Daar konden mijn moeder en ik de jaren na de oorlog heel goed van leven. Maar dan is mijn moeder hertrouwd, tussen die stiefvader en mij ging dat niet. Hij heeft ons geld ook opgedaan met een faillissement. Ik herinnerde die stiefvader ook altijd aan de vorige man van mijn moeder, dus dat ging niet. Ik heb mijn plan moeten trekken vanaf dan. Pas op, dat heeft mij ook hard gemaakt, en dat is ook goed.”

Vanachter zijn stapels mappen, artikels en herinneringen aan zijn vader denkt Jacques na over hoe anders het leven van Lucien had kunnen lopen, en dus ook zijn eigen leven.

“Als hij die vuistslag aan die officier niet had gegeven, was hij hoogstwaarschijnlijk niet naar Duitsland gebracht. En als hij in Duitsland niet was gaan lopen bij de bevrijding, was hij blijven leven. Ik heb eigenlijk nooit een vader gehad, en ik heb mijn vader hard gemankeerd. Ik kon ook goed met de fiets rijden. En ik weet één ding. Als mijn vader was blijven leven, dan was ik geen militair geworden, zoals mijn stiefvader. Dan was ik coureur geworden.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234