Donderdag 29/10/2020

Taalcolumn

#WoordVanDeWeek: Met woorden zal ik mezelf weer aan mekaar lijmen

Beeld Bob Van Mol

Elke week kiest onze taalcolumniste Ann De Craemer het #WoordVanDeWeek. Dat kan een actueel woord zijn, een hip nieuw woord, een woord dat een snaar raakt, een totaal vergeten woord of een woord dat allang had moeten bestaan. Deze week: voornemen.

Geen woord dat tijdens de eerste week van januari zo vaak wordt uitgesproken als dit: voornemen.

Mensen nemen zich aan het begin van een onbeschreven jaar vanalles voor. Stoppen met roken. Beginnen met sporten. Ze kijken terug op 365 dagen waarin ze daar niet of niet voldoende in zijn geslaagd. Omdat 1 januari ons collectief het gevoel geeft dat we gratis en voor niets een schone lei in handen krijgen, schrijven we er in ons sierlijkste handschrift maar wat graag ‘voornemens’ op. Het is een woord als een mild stuk zeep waarmee je na een lange fietstocht het zweet van je lijf wast.

Zelf heb ik maar één voornemen. Of nee, misschien twee, al beschouw ik ze als één en ondeelbaar: genezen en mijn (vierde) roman afwerken.

In een aantal columns in 2017 heb ik op deze plek voorzichtig verwezen naar hoe ik me voelde. Ik schreef dat ik me in de kelder van mijn gedachten bevond en daar de lichtschakelaar maar moeilijk kon terugvinden, en de trap naar boven al helemaal niet. Nooit gebruikte ik het woord dat ik vandaag wel durf te gebruiken: ik had een depressie. Misschien durf ik die term nu wel in de mond te nemen omdat ik denk — hoop — dat het ergste voorbij is. Misschien dacht ik dat als ik het woord gebruikte, het alleen maar erger zou worden. Misschien omdat ik als schrijver ben opgetrokken uit woorden, vreesde ik dat mijn fundamenten helemaal zouden instorten als ik de term ‘depressie’ boven aan op het wankele kaartenhuisje van mijn geest zou leggen.

Elke depressie heeft een trigger, en soms kost het je moeite en tijd om te achterhalen wat die precies is geweest. Wat mijn trigger was, is hier niet zo belangrijk, maar wel weet ik nog dat ik in juni vorig jaar in een ligstoel op mijn terras zat, en dat de hemel staalblauw was en de zon zalvend, maar dat ik plots naar adem moest happen, en het angstzweet mij uitbrak, en ik letterlijk niet meer kon bewegen, en urenlang in die zetel bleef zitten, en mijn handen trilden, en ik fysiek niet in staat was om iemand te bellen en ik huilde – alleen maar huilde tot de badhanddoek die ik ter bescherming van mijn zomerzweet in de zetel had gedrapeerd nat was van mijn tranen.

Ik keek daarna in de spiegel naar iemand die ik amper nog herkende en wist dat tussen al die tranen ook oude tranen zaten die ik jarenlang had verdrongen. Ik had jaren alleen maar gewerkt; elk jaar tussen 2010 en 2015 een nieuw boek geschreven; ik had gegeven, gegeven, gegeven, aan lezers maar ook aan geliefden en vrienden, en ik was mezelf een miljoen keer vergeten. Ik was sterk en onverwoestbaar en koppig en niemand zou me klein krijgen. Zo deed ik me voor, maar zo voelde ik me niet altijd. Vandaag weet ik hoe belangrijk het is om eerlijk tegen jezelf te zijn.

De zomer van 2017 ging totaal aan me voorbij. Meestal bleef ik binnen en huilde ik. Ik zag alleen mensen met wie ik kon praten over de zwarte vuist die als een steen in mijn maag zat en waarvan de vijf vingers zich maar niet meer konden ontspannen.

Ik overwoog om te stoppen met boeken te schrijven. Ik overwoog ook om een tijd met deze taalcolumn te stoppen. Op het moment dat ik er na een maand vakantie – ik had vakantie toen ik ziek werd; ook dat zal wel geen toeval zijn geweest – weer mee begon, kreeg ik geen samenhangende zin op papier. Twee dagen lang bleef ik vechten tegen het lege blad. Ik was als een kind dat opnieuw moest leren schrijven. Toen er eindelijk vijfhonderd woorden op papier stonden, voelde ik dat de vuist in mijn maag zich even had ontspannen. Ik wist dat taal de grootste pleister tegen mijn verdriet zou zijn. Ik wist dat als je in scherven op de grond ligt, je met woorden jezelf weer aan elkaar kunt lijmen.

Daarom heb ik maar één voornemen voor 2018: columns schrijven waarin ik de kracht van taal laat zien, en een roman schrijven waarvan ik, als ik die eenmaal in handen zal hebben, zal kunnen zeggen dat de taal mij van een ondergang heeft gered.

Op 1 januari van dit nieuwe jaar heb ik dit gedicht van Johan Daisne naast mijn computer gehangen, dat ik met u allen wil delen:

Het grootste wonder van dit leven is,

dat op elk ogenblik het kan gebeuren:

het wonder, straks en thans nog ongewis,

maar dra en plots kunnen de wolken scheuren!

Men moet als een kind weer kunnen zien,

het kind dat elke wijze weer moet worden:

'nooit' is een tijd die niet bestaat, 'misschien'

het eeuwige beginsel onzer orde.

Misschien dat straks de zonneschepen landen,

misschien dat eensklaps dit ziek hoofd geneest,

misschien dat morgen weder deze handen

een hart ontvangen en een lieve leest.

Laat ons dan lijden, bloeden, eenzaam brullen,

maar nooit versagen in het eerlijk spel:

elk ogenblik kan 't wonder zich onthullen -

demain c'est l'éternel!

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234