Zaterdag 22/02/2020

WintercircusMahy

De Sint-Pietersnieuwstraat, slagader van het studentenleven in Gent. Passanten lopen doorgaans argeloos voorbij de grijze poort die zich onder het balkon van het bekende studentencafé De Ploeg bevindt. Het ijzeren geval is al jaren op slot, en niets in de gesloten gevelrij laat vermoeden welke verrassing zich achter deze poort openbaart. Vandaag echter staat de entree van het Nieuw Circus uitnodigend op een kier. Binnen weerklinken holle stemmen, werklieden zijn druk in de weer met ladders en stellingen. Het moet lang geleden zijn dat hier nog acrobatie werd beoefend, en eveneens dat zich hier nog zo’n volkstoeloop heeft voorgedaan: meer dan tien aanwezigen, inbegrepen de kinderen van de fotograaf, die het walhalla voor skaters hebben ontdekt.

Duivendrek

Stephan Vanfleteren staat onder hoogspanning wanneer we hem ontmoeten. Een dikke week later gaat zijn tentoonstelling in première. De prints zijn vanmorgen gearriveerd. Honderdveertig levensgrote afdrukken, een bloemlezing van twintig jaar portretkunst. Behalve met de tijdsdruk kampt hij met nog een vijand: duiven. Tonnen krengen en drek hebben ze hier de voorbije weken al geruimd. Het Stadsontwikkelingsbedrijf Gent heeft nochtans kosten noch moeite gespaard om het Circus duivenvrij te maken. Kapotte ramen werden provisorisch hersteld, reten en kieren in het golfplaten dak gedicht. Niet zonder resultaat, maar toch zitten er in de fuik alweer acht inbrekers op vergassing te wachten. “Ik denk dat ik morgen een karabijn meebreng”, moppert Stephan.Het Nieuw Circus, in Gent ook bekend als het Wintercircus, is al dertig jaar gesloten voor het publiek. Dierentemmers of clowns waren toen al niet meer dan een vage herinnering, hun laatste optreden dateert van 1944. Na de oorlog werd de amusementstempel verbouwd tot een garage, wellicht de grootste, zo niet de spectaculairste ter wereld. Ghislain Mahy kon dan ook best wat ruimte gebruiken. Behalve dealer van onder meer Fiat en Simca was hij een gepassioneerde verzamelaar van oldtimers. Ook na de sluiting van de garage in 1977 bleef hij autowrakken naar de Sint-Pietersnieuwstraat slepen, waar hij ze samen met zijn twee zonen en een handvol monteurs nieuw leven inblies. Zo kennen de meeste Gentenaars het gebouw: als depot van de grootste collectie oldtimers ter wereld. In 2005 werd het complex door de stad aangekocht. Van oude wagens is geen spoor meer, slechts twee benzinepompen zijn als stille getuigen achtergebleven.De keuze voor het verlaten circusgebouw als tentoonstellingsruimte is een half toeval. Lannoo, organisator van de expo en uitgever van het bijbehorende boek, zocht een uitzonderlijke locatie. Het boekenbedrijf viert dit jaar zijn eeuwfeest, en daar past een weids gebaar bij. Lange tijd werd een piste in Antwerpen bewandeld. Toen dat spoor doodliep, moest Stephan niet lang piekeren over een alternatief. “Als middelbare scholier zat ik op kot bij een familie op de Plattenberg, aan de achterkant van het circus. Uit nieuwsgierigheid ben ik ’s avonds wel eens binnengeslopen, zo moeilijk was dat niet. Ik keek mijn ogen uit, al die oldtimers! Ik kende het gebouw dus, maar toch was ik verrast toen ik hier op prospectie kwam voor de tentoonstelling. Nu het helemaal leegstaat, maakt het pas echt een verpletterende indruk.”Daar is geen woord van overdreven. De arena, 40 meter in doorsnee, wordt 28 meter hoog overspannen door een koepel. Alleen al het metalen vlechtwerk onder deze reusachtige lampenkap is een bezoek waard. De tentoonstelling wordt niet alleen voor fotografieminnaars een buitenkans. Het circusgebouw bleef dertig jaar lang verboden terrein, zelfs voor initiatieven zoals Open Monumentendag werd geen uitzondering gemaakt. Te onveilig, luidde het steevast bij de brandweer. Nogal wat jonge Gentenaars weten niet eens dat er zoiets als een Wintercircus bestaat, ook al omdat het gebouw helemaal ingesloten ligt en ondanks zijn kolossale dimensies volledig aan het oog wordt onttrokken.

Mirakel

Eigenlijk is het een mirakel dat het circus er nog staat. Projectontwikkelaars kregen natte dromen van deze site, en het is in Gent lang zoeken naar een architectenbureau dat er geen plannen voor heeft getekend. Voorstellen voor een volledige dan wel gedeeltelijke sloop wisselden elkaar af. Nu eens zou er een bioscoop komen, dan weer een congrescentrum of een ijspiste met skate- en klimfaciliteiten. Het Circus zou in het Forum worden geïntegreerd, het prestigieuze kunstencentrum waar Gerard Mortier zijn naam en reputatie aan verbond. Terwijl alle initiatieven om uiteenlopende redenen spaak liepen, stak in de Gentse gemeenteraad bij tijd en wijle een debatje op over de klassering van het monument. Het stenen circusgebouw, een van de laatste in Europa, werd nooit als monument beschermd, de status van beschermd stadsgezicht kon wel volstaan. “Na de aankoop hebben we meteen aan de alarmbel getrokken”, zegt Bernard Ottevaere van het Stedelijk Ontwikkelingsbedrijf, dat het gebouw in zijn portefeuille kreeg. “De scherven vielen uit de glazen koepel en door betonrot kwamen overal stenen naar beneden. Ook de buren hadden eronder te lijden, want het circus is verstrengeld met de omliggende woonhuizen. We maakten ons vooral zorgen over de stabiliteit van de balkons die boven de daken van de omliggende woningen uit springen, een handigheidje van de architect om extra plaatsen te winnen. Als een van die balkons zou instorten, waren de gevolgen niet te overzien. We hebben de stad voor de keuze geplaatst: onmiddellijk slopen of dringende instandhoudingswerken uitvoeren.”De stad opteerde voor instandhouding. Alle betonrot werd weggekapt, het glas van de koepel werd door een doek vervangen. Binnenkort wordt een architectuurwedstrijd uitgeschreven die een veel ruimere perimeter dan het circus bestrijkt. De hele zone tussen de Sint-Pietersnieuwstraat, Lammerstraat en de Waalse Krook gaat op de schop. Tegen 2015 moet het stadsdeel klaar zijn. Aan de kant van het water verrijst de nieuwe stadsbibliotheek, het Circus zelf wordt wellicht een overdekt plein en zal tevens onderdak bieden aan een nog op te richten audiovisueel archief, naar het voorbeeld van het Media Park in Hilversum.“Er kan veel worden gesloopt”, zegt Ottevaere. “Maar de contouren van het circus en de structuur van de koepel moeten behouden blijven, en voor de kelderverdiepingen denken we zelfs aan een volledige restauratie.” Uit die kelders komt een bericht dat Bernard Ottevaere zuur opbreekt. Op de min twee aan de Plattenberg werd een openstaande deur gerapporteerd, een invitatie voor vandalen en andere nachtelijke insluipers die hij kan missen als de pest. Overigens, als de vernissage straks niet door duivendrek en glasscherven wordt ontsierd, dan is dat deels te danken aan vijf jonge graffitispuiters die hier onlangs op heterdaad werden betrapt. Vijfmaal veertig uur werkstraf te verrichten op de plaats delict, dat ruimt aardig op.

Laddertje in een gat

We gaan op zoek naar het lek in het meest authentieke deel van het circus. De stallingen en opslagplaatsen stammen nog van het eerste circus uit 1894, een bakstenen gebouw met een ijzerskelet dat werd opgetrokken in opdracht van de Cercle Equestre Gantois. Na een verwoestende brand in 1920 verrees bovengronds een nieuwbouw in gewapend beton, een vooruitstrevende materiaalkeuze van de bekende architect Jules-Pascal Ledoux. De kelder bleef goeddeels gespaard, zowel van de brand als van de bouwdrift van garagist Mahy. De manege met haar gemetselde troggen is bij wijze van spreken gebruiksklaar. Behalve honderdveertig paarden konden de stallingen twaalf olifanten herbergen, en ook voor roofdieren groot en klein was er plek. Bernard Ottevaere vestigt onze aandacht op een kleine ruimte, precies in het epicentrum van het circus. “Daar stond het laddertje dat door artiesten werd gebruikt om in het midden van de piste te verdwijnen of op te duiken. Dat gat is er niet meer, Mahy heeft het dichtgegoten.”Mahy, de naam klinkt Guy Puttevils (87) als een vloek in de oren. Mahy is de man die het decor van zijn kindertijd om zeep heeft geholpen. Hoe die garagist na de oorlog huis heeft gehouden in het grootste en mooiste wintercircus van Europa. De piste, de balkons, de binnenkoepel met zijn fraai beschilderde stucwerk, hij heeft alles afgebroken en het meubilair verpatst. In de plaats liet Mahy burelen en smeerputten bouwen, en er kwam zelfs een zwevende piste in beton, zodat hij met zijn auto’s van de kelder naar de tweede verdieping kon rijden. Gelukkig bezit Puttevils over een rijk archief en een onfeilbaar geheugen om de gloriedagen van de Nouveau Cirque te memoreren. Niet voor niets staat de gepensioneerde chef protocol van het Gentse stadhuis bekend als de levende encyclopedie van het circus- en variétéleven in Vlaanderen en aanpalende gebiedsdelen.Hoe de passie is ontstaan? “Mijn grootouders waren grote circusfans”, vertelt hij in zijn huis, dat letterlijk uitpuilt van de porseleinen clowns, affiches en circusparafernalia. “Toen ik een manneke van zeven was, namen ze me mee naar het beroemde Circus Gleich op het Sint-Pietersplein. Daar zag ik een kanonman afschieten die vijftig meter door de lucht vloog. Zoiets maakt indruk, ik was verkocht voor de rest van mijn leven.” Het hielp ook dat zijn ouders café hielden in de Sint-Pietersnieuwstraat, waar ze artiesten van het Nieuw Circus en de vlakbij gelegen Minardschouwburg als stamgasten mochten verwelkomen.“Moeder wist altijd waar ze me kon vinden”, vertelt hij. “Na mijn huiswerk zat ik aan de overkant in het Circus. Iedereen kende me daar, ik mocht altijd binnen. Dat had zijn aangename kantjes. Ik mocht kijken naar de danseressen die zich omkleedden, ze trokken zich van mij niets aan. En ik leerde beroemde artiesten kennen. Weet je dat ik als dertienjarige Alfred Court heb geïnterviewd voor het schoolblad van het Atheneum? De grootste dierentemmer ter wereld, de eerste die in een kooi optrad waarin zowel leeuwen, zwarte panters, luipaarden, Siberische tijgers, ijsberen als grizzly’s zaten. In die tijd waren circusdieren nog echt gevaarlijk. Tegenwoordig worden ze gekweekt, maar de dieren van Court en zijn generatiegenoten kwamen recht uit de jungle. De cijfers spreken voor zich: tussen 1880 en 1960 zijn er wereldwijd driehonderd dompteurs doodgebeten, na 1960 nog maar negen. Voor hij temmer werd, had Court als voltigeur gewerkt. Dat was al even gevaarlijk, want er werd zonder riemen of vangnet gevlogen. Ik heb in Gent Miss Lissy zien vallen, een bekende trapeziste. Haar beide dijbenen staken eruit, maar twee jaar later trad ze alweer op in de Ancienne Belgique. Ze is uiteindelijk honderdentwee geworden.”

Katholieken in kiekenkot

Grasduinend in zijn archief brengt Guy Puttevils een lang vervlogen wereld tot leven. Het Gentse nachtleven, bruisend als een opgeschudde champagnefles. Het Sint-Pietersplein fungeerde als foorkwartier, voor andersoortig entertainment kon men op en rond het Zuidplein terecht. Het bioscoopcomplex Capitole, de boks- en revuetempel Coliseum, de Minardschouwburg, het socialistische cultuurpaleis Vooruit, ze dongen allemaal naar de gunst en de portemonnee van de op vermaak beluste Gentenaar. Het Wintercircus, geëxploiteerd als naamloze vennootschap, was goed gewapend om de concurrentiestrijd aan te gaan. Behalve in de dode zomermaanden was er zowat iedere avond ambiance. Er werden catchwedstrijden gehouden, en bokskampen waarbij het bloed in het rond spatte. Legendarisch was het carnavalsbal, een feestje dat door niet minder dan vier orkesten werd opgeluisterd. Tango, jazz, zigeunermuziek en klassiek, iedere smaak was voorradig.Onze verteller heeft het allemaal gehoord en gezien, net als de operettes en revuespektakels waarbij soms honderden muzikanten en dansers waren betrokken. Hij heeft er Henry Garat weten zingen, destijds even beroemd als zijn landgenoot Maurice Chevalier. En natuurlijk heeft hij de passage van Mistinguett niet gemist. Wisten we trouwens dat de benen van die Franse diva destijds voor een miljoen Franse frank waren verzekerd? In 1935 woonde Puttevils de creatie van A travers le feu la glace bij, een pantomime in vijf bedrijven dat de achtervolging van een ontsnapte gangster door een detective evoceerde, met de assistentie van echte kamelen en ijsberen. “Op zulke avonden was het Circus tot de nok gevuld”, vertelt hij. “Vierduizend toeschouwers voor een revue. Bij een circusvoorstelling stonden er geen stoelen op de piste, dan was de capaciteit beperkt tot 3.500.”Ook al gaat wandelen erg moeizaam, ik moet niet aandringen om hem voor een fotoshoot naar het Circus te lokken. In de auto verkneukelt hij zich, hij is in geen jaren meer in de buurt geweest. We rijden binnen via de poort in de Sint-Pietersnieuwstraat, en het manoeuvre wakkert een nieuwe golf van herinneringen aan. Over de Italiaanse illusionist-dierentemmer die op bevel krokodillen en leeuwen kon doen slapen. Op een keer gebruikte hij daarbij zoveel chloroform dat ook de toeschouwers op de eerste rij in slaap vielen. Puttevils pivoteert op zijn wandelstok om eens goed rond te kijken. Eindelijk heb ik een gezaghebbende bron gevonden om het mysterie van de twee ingangen uit te klaren. Hij is formeel: de Sint-Pietersnieuwstraat was er voor de bourgeoisie, die verschafte toegang tot de dure plaatsen in de loges en het eerste balkon. De entree in de Lammerstraat was er voor het gewone volk, dat zich tevredenstelde met een zitje op het tweede of het derde balkon, als het al geen staanplaats in het kiekenkot was, waar een kaartje maar 2 frank kostte. Hij was er vanzelfsprekend bij toen het kiekenkot in 1935 zelf het toneel werd van een merkwaardig spektakel. Het gebeurde tijdens de première van Un soir d’oubli, een Franse revue die de Gentse geschiedenis in zou gaan als de eerste podiumvoorstelling waarbij een blote boezem te bewonderen viel. “Drie dagen lang hebben de katholieken daarover spel gemaakt”, zegt Puttevils. “Ze bliezen verzamelen op het kiekenkot. Zodra dat meisje opkwam, brak het tumult uit. Protesteren tegen een blote borst, en ondertussen zelf hun ogen uitkijken.”

Zwevende helling

We rijden terug buiten, langs het hok waar hij bij de allerlaatste voorstelling in 1944 zelf aan de kassa heeft gezeten. “Een vriendendienst voor het circus De Jonghe, een van de beste Belgische circussen aller tijden. Ze waren met drie broers. Mechelaars, maar hun vader, die het circus had opgericht, was een rasechte Gentenaar. Het waren briljante clowns, ze maakten er een punt van het publiek steeds in zijn eigen taal aan te spreken. In Oostende spraken ze plat Oostends, in Antwerpen plat Antwerps, in Zoutenaaie haalden ze onversneden Zoutenaais boven. Ach, het circus... Alleen al in Gent waren er voor de oorlog zestig circusfamilies, dat kunnen we ons vandaag niet meer voorstellen. Normaal gezien stond De Jonghe op het Sint-Pietersplein, maar tijdens de oorlog was dat verboden omdat de stad verduisterd moest worden. Ik heb mijn contacten aangesproken om ze in het Wintercircus onder te brengen. Ze speelden in hun eigen tent, want de piste was intussen al afgebroken.” Hoe ging dat afbreken in zijn werk? Niemand kan dat beter uitleggen dan Ivan Mahy (71), ooggetuige en medeplichtige. Met de balkons bijvoorbeeld werd na de oorlog korte metten gemaakt. “De stoelen hadden we eerder verwijderd”, vertelt de zoon van wijlen Ghislain Mahy. “Maar het skelet van de tribunes stond nog overeind, lelijk in de weg voor de garageactiviteiten. Vader liet een takel vastmaken aan een van de steunpalen, het andere uiteinde hing aan de jeep die ik moest besturen. Ik durfde niet voluit gaan, want de paal gaf zich niet zomaar gewonnen. Vader, die geen tegenspraak duldde, maakte zich boos. ‘Heb ik u misschien gevraagd om te stoppen? Vol gas vooruit!’ Ik drukte het pedaal in, en even later hoorde ik een donderend lawaai achter mijn rug. De hele tribune lag plat.”De ombouw tot garage verliep al even organisch. Een sloopvergunning? Nergens voor nodig. Echte plannen waren er evenmin, al kreeg Mahy hulp van een bevriende ingenieur en architect. Hier werd een muurtje opgetrokken, daar weer een pijler verplaatst. De grootste ingreep was de zwevende helling die tot op heden het aanzicht van het circus bepaalt. “In 1954 ging de garage open”, zegt Ivan. “Het was een unicum in de wereld, zelfs in Amerika spraken ze ervan. In het midden van de piste was een fontein, aan de kant van Lammerstraat lag zelfs een kapsalon. Klanten konden zich laten coifferen terwijl hun auto een beurt kreeg. Aan het plafond hing een heel bijzondere luchter: een sportvliegtuig dat vol spots stak. Eén keer per jaar werd het met takels naar beneden gehaald om het op te blinken. Zo was vader, alles moest altijd pico bello zijn.”We spreken elkaar in Leuze-en-Hainaut, waar Ivan Mahy tien jaar geleden het gros van de autocollectie heeft ondergebracht. Met steun van de gemeente, die een reusachtig fabrieksgebouw ter beschikking heeft gesteld. Leuze moet het mekka worden voor erfgoed op vier wielen. Met achthonderd voertuigen, waaronder talloze unieke exemplaren, is dit voor liefhebbers inderdaad een must. Helaas is de belangstelling veeleer mager, zeker in vergelijking met de drommen bezoekers die Autoworld naar het Brusselse Jubelpark lokt. Ook die succesformule draagt overigens de signatuur van Ivan Mahy: Autoworld werd mede op zijn initiatief in 1986 opgericht, met 250 juweeltjes uit de familiecollectie als startkapitaal.Anders dan het Jubelpark is Leuze-en-Hainaut geen voor de hand liggende locatie voor een publiekslokker. Ivan Mahy zucht. Leuze, zo mag duidelijk zijn, was niet zijn eerste keuze. Hij heeft hard genoeg geprobeerd om de collectie in Gent te houden. Niet in het Circus, dat was louter geschikt als depot. Verschillende projecten op betere locaties werden op de valreep geaborteerd. Eén keer ontbrak alleen nog de toelating om een lichtreclame te plaatsen. De stad weigerde, met het argument dat een automuseum niet als een culturele maar als een commerciële activiteit wordt beschouwd.

Gravensteen

Er is nog meer wat hem steekt, Ivan Mahy onderhoudt een moeilijke relatie met zijn geboortestad. In Gent worden de Mahy’s wel eens afgeschilderd als beeldenstormers die het Circus om zeep hebben geholpen, en als slordige eigenaars die het gebouw dertig jaar lang hebben verwaarloosd. Mahy reageert korzelig. “Kom me niet vertellen dat wij geen respect hebben voor erfgoed”, zegt hij terwijl hij naar de oldtimers wijst. “Als het Circus zo verloederd is, dan ligt het aan de stad en vooral aan de mannen van Monumentenzorg. Er zijn genoeg investeerders gepasseerd die het wilden kopen en renoveren. Alle pogingen zijn mislukt. Of de vergunning werd geweigerd, of investeerders haakten af omdat ze te horen kregen dat het Circus als monument zou worden geklasseerd. Dat zou natuurlijk je reinste waanzin zijn geweest. Je kunt zo’n gebouw wel restaureren, al zou dat een fortuin kosten. Maar welke bestemming geef je er dan aan? Een circus of schouwburg? Komaan zeg, de tijden zijn veranderd. Het Circus valt in de winter niet te verwarmen. Vroeger pikten de mensen dat, ze deden een extra sjaal om. Tegenwoordig eisen bezoekers comfort.”Het zal Mahy een troost wezen: tijdens de rondgang klonken de verantwoordelijken van het Stadsontwikkelingsbedrijf opvallend genuanceerd over de erfenis van Mahy. De visie op patrimonium is geëvolueerd. Het Circus geldt nu als toonbeeld van hybride erfgoed. Niet alleen de negentiende-eeuwse kelders zijn waardevol, ook de bovengrondse garagearchitectuur uit de fifties verdient onze aandacht. Maar waarom heeft zijn vader in ’s hemelsnaam voor dit onmogelijke gebouw gekozen om er een garage te vestigen? “Ruimte”, antwoordt Ivan Mahy. “Het Circus was trouwens niet zijn eerste keuze. Eigenlijk was hij van plan het Gravensteen te kopen en als garage in te richten, dat gebouw stond toch leeg nadat er in 1938 een textielfabriek in failliet was gegaan. Het is dat ons moeder hem dat plan uit zijn hoofd heeft gepraat, anders waren we nooit in het Circus beland.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234