Donderdag 17/10/2019

Interview

Willem Lemmens, de man van Kathleen Cools: ‘Misschien is dit het geheim van een goede relatie’

Willem Lemmens: ‘Toen ze in het begin om me lachte, wist ik niet of ze me uitlachte of me echt leuk vond.’

In tegenstelling tot zijn vrouw, VRT-journaliste Kathleen Cools (55), mijdt filosoof Willem Lemmens (56) doorgaans de media. Eén enkele keer mengt de hoogleraar ethiek aan de Universiteit Antwerpen zich in het debat over euthanasie op basis van ondraaglijk psychisch lijden, maar voorts buigt hij zich het liefst in alle rust over de zin van het leven.

Handig, een filosoof als interviewee, zo hoeven we zwaarwichtige vragen voor een keer niet links te laten liggen.

Welaan dan, professor: hoe zou u het leven omschrijven?

“Als een cadeau, als een mysterie en als iets fascinerends. Alleen al het feit dat we bestaan vind ik fascinerend. Eigenlijk is het leven een soort opgave die je zo goed mogelijk moet volbrengen. Daardoor kan het leven minder of meer geslaagd zijn. Een mens heeft dat tot op zekere hoogte zelf in de hand, maar er komt ook veel geluk bij kijken.”

En u hebt geluk gehad?

“Heel veel zelfs. Ik heb goede ouders die me veel hebben meegegeven, ze waren echte intellectuelen. Maar ook op menselijk vlak heb ik heel wat meegekregen. Ik heb veel geluk gehad in mijn studies, met mijn vrouw, en met mijn gezin en mijn familie. Het gaat goed met hen, dat is een cadeau. En dat ik als werk kan doen wat ik graag doe, is natuurlijk ook een cadeau.”

U lijkt dat goed te beseffen. Bent u een dankbaar persoon?

“Zeker, al maak ik weleens een onrustige, soms zelfs zwaarmoedige indruk. Dat is het resultaat van een zeker plichtsgevoel: ik zie het als mijn plicht om de kansen te grijpen die ik dankzij mijn job krijg. Ik ben een perfectionist, en dat brengt stress en onrust met zich mee. Soms kan het allemaal wat wegen. Zo maak ik me veel zorgen om mijn moeder die alzheimer heeft. Die machteloosheid alleen al...”

Hoe gaat u daarmee om?

“Ik probeer het te aanvaarden en tracht mijn vader te steunen, voor wie het natuurlijk het zwaarste is. Ik ben niet de enige die zorg moet dragen voor zijn ouders, maar ik kan zoiets niet goed van me afzetten. Het doet allerlei vragen rijzen, ook over de zin van het leven. Het leven gaat nogal snel voorbij, maar tegelijk laat de confrontatie met lijden, miserie, machteloosheid en kwetsbaarheid me de zin ervan nog beter inzien. Het leven is breekbaar. Iets wat heel waardevol is, heeft iets kwetsbaars, het kan verloren gaan. Dat kan leiden tot bezorgdheid, maar het doet je de waarde ervan ook veel beter inzien.”

U zegt dat u geluk hebt gehad met het gezin waarin u bent opgegroeid. Uit wat voor familie komt u dan?

“Mijn ouders hebben allebei Latijn en Grieks gestudeerd, zowel in de middelbare school als aan de universiteit in Leuven, waar ze elkaar hebben leren kennen. Daarna zijn ze in Brugge gaan wonen, waar ze allebei als leerkracht hebben gewerkt. Mijn moeder werd schooldirectrice en mijn vader was een legendarische leraar. Hij was heel goed in wat hij deed en hij had een uitgesproken visie. Zijn leerlingen apprecieerden dat, sommigen keken echt naar hem op. Samen met mijn twee broers en mijn oudere zus heb ik een mooie jeugd gehad, aan de rand van Brugge.”

Wanneer wist u dat u filosofie wilde studeren?

“In het vijfde middelbaar. Ik had het gevoel dat filosofie het meeste aansloot bij wat ik graag las. Ik las eerder de zwaardere literatuur. (lacht) Kafka, Flaubert, Joyce, Proust. Ook Nietzsche ben ik al op mijn zeventiende beginnen te lezen. En Jan Wolkers!”

Was u een voorbeeldig student?

“Eigenlijk was ik op een bepaalde manier lui en roekeloos. Ik werkte vooral hard als ik iets graag deed. Ik ontdekte al snel dat ik het niveau goed aankon, maar toch had ik in mijn eerste jaar een tweede zittijd, omdat ik bepaalde vakken gewoon in september had ingepland; in juni legde ik die examens niet eens af. In het begin van het tweede jaar zei een prof dat hij niet begreep dat ik tweede zit had, want bij hem had ik ‘zo’n schitterend examen afgelegd’.

“Pas in mijn latere jaren ben ik harder beginnen te studeren. Filosofen als Arnold Burms, Herman De Dijn en Paul Moyaert maakten tijdens mijn studies een grote indruk op mij. Zij gaven me het gevoel dat ik iets kon. Daarna heb ik er antropologie bij gedaan. Ook aan cultureel antropoloog Renaat Devisch heb ik heel veel te danken. Ik heb lang gestudeerd: vijf jaar filosofie en nog eens twee jaar antropologie.”

Tijdens die studentenjaren liep u ook uw toekomstige echtgenote tegen het lijf. Had u als jongeman gedacht dat u met een ambitieuze journaliste als Kathleen Cools zou trouwen?

(lacht) Nee, maar ik herinner me wel dat een vriendin uit mijn studentenjaren me zei dat ik een dynamische, krachtige vrouw van de wereld moest vinden. Toen heb ik daar eens mee gelachen. Kathleen en ik brandden overigens niet van ambitie toen we elkaar leerden kennen. We hadden allebei filosofie gestudeerd, een richting waarvan iedereen zich afvroeg: ‘Wat kun je daarmee doen?’”

Hoe kwam u precies met haar in contact?

“We leerden elkaar kennen aan de KU Leuven toen we 21 waren. Zij had al twee jaar filosofie gevolgd in Antwerpen, zelf was ik als 18-jarige naar Leuven gekomen. De meeste Antwerpse filosofiestudenten kwamen over naar Leuven om hun licentiaat te behalen, dus plots stroomde daar een groep nieuwe studenten binnen. En één meisje viel me dus echt wel op. Ik heb haar aangesproken tijdens de les.”

Was u op slag verliefd?

“Nee, maar ik vond haar wel intrigerend en aantrekkelijk. Aanvankelijk viel ik op haar uiterlijk. Ze viel nogal op omdat ze mooier gekleed was dan de meeste filosofiestudenten. Ze was ook goedlachs en heel vriendelijk. Gaandeweg leerde ik haar kennen als een heel vitale, levendige en nieuwsgierige vrouw met een breed interesseveld. Als een heel sociaal en extravert iemand ook. Tijdens de les ging ik af en toe naast haar zitten en ik maakte zo sympathiek mogelijke opmerkingen. Ze lachte dan om me, maar ik wist niet goed of ze me uitlachte of dat ze me echt leuk vond.

“Op een dag ben ik dan maar op haar afgestapt en heb ik voorgesteld om een koffie te gaan drinken. Zo is het begonnen. Ik herinner mij dat nog heel goed.”

Willem Lemmens: ‘Ik ben me meer dan vroeger bewust van de onnoemelijke wreedheid waartoe mensen in staat zijn, maar ook van de schoonheid van de mens.’

Was u niet bang om afgewezen te worden?

“Nee, ik had niet de reputatie maar wel het uitzicht van een zelfzeker iemand. Ik was een beetje leidinggevend, waarschijnlijk gedroeg ik me als een alfamannetje, hoewel ik me niet zo voelde. Ik was ook praeses, al was dat binnen de filosofie niet te vergelijken met de status van een praeses van de rechten of van de economie – dat zijn vaak de ministers van morgen.

“Toen het tot een relatie kwam, kon ik dat niet geloven. Ik was zó gelukkig. ‘Allee, ze ziet me echt zitten’, dacht ik. Ik had totaal niet verwacht dat ze ook verliefd zou worden op mij.”

Zijn jullie meteen gaan samenwonen?

“Eerst hebben we een aantal jaren samen gestudeerd en op kot gezeten in Leuven. Drie jaar later, in 1987, zijn we naar Antwerpen verhuisd. Na nog een paar jaar zijn we getrouwd en teruggekeerd naar Leuven. Intussen zijn we 29 jaar verder.”

Was Kathleen uw allereerste vriendin?

“Nee, maar voordien heb ik nooit een langdurige relatie gehad. Ze was niet mijn eerste liefde, maar wel de eerste met wie ik een mooie, harmonieuze relatie had.”

Hebt u ooit last gehad van bindingsangst?

“Ik wel, ja. Ik dacht altijd dat ik een eenzaam, heroïsch bestaan als schrijver of filosoof zou leiden. De gedachte dat het leven een andere richting uitging, heeft me eventjes doen twijfelen. Bij Kathleen speelde dat niet.

“Het idee om mij aan niets of niemand te binden, was ontstaan tijdens mijn legerdienst, na mijn studies, omdat ik er niet mocht doen wat ik wilde. Maar aan het einde van die legerdienst is er een déclic geweest: toen besliste ik om de stap te zetten en te trouwen. Plots zag ik het als een avontuur. Als mens kun je duizend-en-één redenen vinden om je níét te binden, maar ik vond dat het iets fascinerends had. Vandaag kan ik met zekerheid zeggen dat het beter met mij gaat sinds ik Kathleen ken. We vullen elkaar goed aan. Misschien is dat het geheim van een goede relatie: elkaar aanvullen, elkaars kwetsbaarheid dragen en samen sterker worden.”

U hebt uw legerdienst nog gedaan. U ging na uw studies dus niet meteen aan de slag aan de universiteit?

“Neen, ik had met grote onderscheiding twee diploma’s gehaald, maar ik wist niet goed wat ik daarmee moest. Ik kwam in contact met Lode Bostoen, de toenmalige hoofdredacteur van De Standaard, en dacht: ‘Misschien kan ik wel aan de slag als journalist.’ Maar dat was net voor mijn legerdienst begon. Had Bostoen me gezegd dat ik na mijn legerdienst mocht beginnen, dan had ik het gedaan, maar hij bood me niets aan. Ik twijfelde trouwens of ik daar ooit echt zou willen werken, ik vond de sfeer op die redactie nogal hectisch. Het eerste wat Bostoen wilde weten, was of ik connectie had met de christelijke zuil. Hij wilde weten aan welke kant ik stond, wat mijn ideologische achtergrond was, maar ik heb geen bepaalde ideologie die ik wil waarmaken. Het is wellicht geen toeval dat ik mijn doctoraat heb geschreven over een sceptische filosoof, David Hume, die je leert je overtuigingen in vraag te stellen. Achter een vlag lopen is niets voor mij. In dat opzicht ben ik een typische filosoof: ik heb een kritische houding die maar met weinig jobs verzoenbaar is. En blijkbaar niet met de journalistiek, besloot ik toen, al moet een journalist bij uitstek kritisch zijn.

“Tijdens mijn legerdienst besefte ik pas echt hoe graag ik filosofie deed. Ik leerde er dat je je kansen moet grijpen in het leven. Het leven van een filosoof in het leger is geen lachertje. Ik heb ooit oefeningen moeten doen bij de artillerie in Elsenborn, bij -20 graden sliepen we op het schietveld… Intussen had ik geen flauw idee hoe mijn toekomst er zou uit zien.”

Toch werd u assistent. Hoe is dat gegaan?

“Alweer met veel geluk. Ik zag in de krant een vacature: de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen (UFSIA), later deel van de Universiteit Antwerpen, zocht een assistent-filosoof voor de faculteit Economie. Ik had mijn thesis geschreven over Georges Bataille, een zeer aparte surrealistische filosoof, en in de jury die me moest benoemen zat een econoom die Bataille een interessant filosoof vond. Ik denk dat ik onder meer bij hem een goede indruk heb gemaakt, waardoor ik kon beginnen. Mijn doctoraat voltooien was zwaar en eenzaam, maar het was ook een mooie tijd.”

Gelukkig kon u altijd terugvallen op Kathleen. Waren jullie intussen al getrouwd?

“Ja, en we kregen al snel onze eerste zoon Hendrik. Zijn geboorte was een van de mooiste momenten in mijn leven. Twee dagen erna, tijdens het jaarlijkse weekend van het Wijsgerig Gezelschap, vroeg mijn vorige leermeester Arnold Burms hoe het met me ging. Toen zei ik iets dat ik nog nooit in mijn leven gezegd had: ‘Geweldig!’ Ik had het gevoel dat ik de wereld aankon omdat ik vader was geworden. Ik was toen 28 jaar.

“Kathleen werkte intussen bij Studio Brussel. Ze had meegedaan aan het journalistenexamen en kon er snel beginnen. We hadden allebei veel werk, maar we deden het heel graag. Vijf jaar later kregen we een tweede zoon, Abel, en nog later onze dochter Emma. Het was een periode waarin we als jong gezin aan de weg timmerden. Dat verliep uitstekend, we genoten van het leven.”

Jullie hebben beiden een succesrijke carrière en een druk gezinsleven, maar daar zat dus geen plan achter?

(knikt) Als assistent kreeg ik ruimte om aan een doctoraat te werken, en stap voor stap kwamen er nieuwe kansen, waardoor ik aan de universiteit kon blijven werken, iets waarvan ik steeds meer ben gaan genieten.

“Kathleen is ook pas vrij laat op televisie gekomen, in 2004. Ze doet dat heel graag, maar het was nooit haar ambitie als 25-jarig meisje. Haar overstap naar het scherm was het begin van haar bekendheid, op die manier kon ze doorgroeien. Toen ze nog maar net op tv kwam, was ik soms gespannen. Maar na een tijdje had ik door hoe goed ze haar stiel kende, hoe koelbloedig ze kan zijn als het moet. Vandaag kijk ik daar heel nuchter naar. ‘Heel goed interview. Ik heb met plezier gekeken’, zeg ik dan als ze thuiskomt. Maar als het minder was, zeg ik het ook: ‘Saaie uitzending vandaag.’ Ik mag dat. (lacht)

“Ik zou Kathleens werk niet graag doen. De voorbije jaren ben ik af en toe in de schijnwerpers gekomen, vooral rond het thema bio-ethiek, en eigenlijk vind ik die media-aandacht niet leuk. Maar ik vind dat ik het moet doen, vanuit mijn functie als ethicus. Ik ben een keer op tv gekomen om over euthanasie te praten. Toen hebben ze echt aan mijn mouw moeten trekken, want ik wilde eerst niet op de uitnodiging ingaan, onder meer omwille van mijn connectie met Kathleen.”

Bleef u ook zo nuchter naar Terzake kijken tijdens dat beruchte interview met Dries Van Langenhove?

“Ja, ik zat zelfs geamuseerd te kijken. Sommigen vonden dat Dries Van Langenhove haar had overrompeld en een fantastische indruk had gemaakt, maar ik vond hem onbeleefd en ondiplomatisch. Veel mensen hebben Kathleen gefeliciteerd. Zelf had ik het gevoel dat ze haar vrouwtje stond, en dat ze het goed aanpakte.”

Kon ze die nacht goed de slaap vatten?

“Ze heeft toen normaal geslapen, ik denk niet dat ze ervan wakker lag. Maar als ze vindt dat ze een fout heeft gemaakt, dan kan dat haar wel uit haar slaap houden.”

Zoals u zelf al aangaf, kwamen er heel wat reacties op dat interview. Kan de bagger op sociale media u raken?

“Ja. Als je een publiek figuur bent, mag men blijkbaar alles over je zeggen. Als ik op café zou zeggen dat iemands vrouw een hoer of een rotwijf is, dan aanvaarden mensen dat toch ook niet?”

Maar op sociale media gebeurt dat wel.

“Als zoiets over mijn vrouw wordt gezegd, dan kan ik daar niet tegen. Ik word daar een beetje kwaad van.”

Komt u zelf nooit in de verleiding om te reageren op commentaren?

“Het is mij al wel overkomen. Dan deel ik een artikel over euthanasie op Facebook en word ik nijdig op iemand die daar naar mijn oordeel dom op reageert. Achteraf besef ik dan wel dat ik te persoonlijk of te denigrerend heb gereageerd. Maar schelden heb ik nooit gedaan, ik ben daar zeer gevoelig voor.”

In tegenstelling tot sommige politici.

“Een gebrek aan fatsoen...”

Onderschatten politici de impact van hun woorden op sociale media?

“Ja, maar dat doen we allemaal, ook ik. Een goede vriend van mij, de Joodse professor Raphael Cohen-Almagor, heeft een mooi boek geschreven over de donkere kant van het internet. Daarin poogt hij minimale regels vast te leggen voor ons online gedrag. Hij was gechoqueerd over het online pestgedrag, dat jongeren zelfs tot zelfmoord heeft gedreven, en over het feit dat we menen dat we alles zomaar op internet kunnen gooien. Hij vindt dat daar regels over moeten worden opgesteld, maar hij roept een beetje in de woestijn.”

Hoe komt het volgens u dat we ons zo laten gaan op sociale media?

“Dat heeft te maken met de moeilijke combinatie van intimiteit en de publieke ruimte. Die twee botsen met elkaar. Als je op een marktplein komt, gedraag je je; dat vinden we vanzelfsprekend. Zelfs in stresserende omstandigheden blijf je meestal beleefd tegen elkaar. Maar op sociale media verdwijnt elke context en blijft enkel de impuls van het moment over. Op café kon je vroeger dingen zeggen waarvan je achteraf dacht: ‘Heb ik dat nu écht gezegd?’ Vandaag zetten we die uitspraken op Twitter.”

Doet het uw geloof in de mens verminderen?

“Dat niet. Net zoals ik het leven als een avontuur en een mysterie beschouw, vind ik ook de mensen nog de moeite waard. Ik besef wel meer dan vroeger hoe kwetsbaar we zijn. Ik ben nog altijd een in zichzelf teruggetrokken kamergeleerde, dus ik wil mezelf niet te mooi voorstellen, maar ik denk wel dat ik gevoeliger ben voor die kwetsbaarheid. Ook blijf ik vinden dat mensen fantastische dingen kunnen doen.

“Ik maak me wel grote zorgen over de toestand van de wereld. De verharding van de politiek, het terrorisme, dat zijn zaken die mij de voorbije jaren getroffen hebben. Natuurlijk heeft dat ook te maken met de alomtegenwoordigheid van de media, want als je wat geschiedenisboeken leest, wéét je dat terrorisme van alle tijden is. Maar als ik zie wat IS allemaal heeft uitgestoken, en de harteloosheid en onverschilligheid waarmee wij daarop reageren… (lange stilte) Ik voel me ongemakkelijk bij de selectiviteit van onze verontwaardiging.

Willem Lemmens: ‘Aanvankelijk viel ik op Kathleens uiterlijk. Ze viel nogal op omdat ze mooier gekleed was dan de meeste filosofiestudenten.’

“Ik ben me meer dan vroeger bewust van de onnoemelijke wreedheid waartoe mensen in staat zijn, maar ook van de schoonheid van de mens. Vroeger vond ik dat allemaal vanzelfsprekend. Misschien is dat eigen aan mijn generatie, die in de jaren 70 en 80 in onbekommerde omstandigheden is opgegroeid. We hadden door de oliecrisis een paar autoloze zondagen, maar die waren gewoon plezant. En er was het grote probleem van de werkloosheid, maar vandaag worden we met dingen geconfronteerd die ik als jongere niet kende. Die hele internetcultuur, ik ben daar niet altijd gelukkig over. (lange stilte) De wereld is veel complexer geworden. We zijn voortdurend onderhevig aan prikkels en uitdagingen. Dat creëert onrust. Mijn kinderen zijn veel met media bezig en minder met boeken, al neem ik hen dat niet kwalijk. Tot mijn grote vreugde kunnen ze nog altijd wel genieten van een goed boek. Maar ik denk dat er veel jongeren zijn die de wereld enkel kennen via sociale media, en die ook met zo’n bril naar de wereld kijken.”

Een vriend van mij klaagde er onlangs over dat hij amper tijd heeft om te rouwen na de dood van zijn geliefde, dat hij na een paar dagen alweer moest gaan werken.

“Het probleem is niet zozeer dat die vriend zo snel weer aan de slag moest, maar wel dat hij terug in een wereld moet stappen die niets wil horen van een overleden geliefde. We communiceren nog meer dan genoeg met elkaar, maar de manier waarop verandert. Daardoor lijken we bepaalde patronen te missen die in een traditionele maatschappij wel nog een plaats hadden, patronen die te maken hebben met fatsoen, rituelen, respect. Die hebben we meer nodig. Dat begint bij de opvoeding, bijvoorbeeld eenvoudigweg rechtstaan voor een oudere in de bus, maar er is een permanente aandacht voor nodig. Onze waarden verdwijnen niet, maar het is allemaal wat minder duidelijk geworden.”

Begrijpt u mensen die religieus zijn?

“Zeer goed. De Duitse filosoof Jürgen Habermas zegt: ‘Ik ben religieus toondoof. De religieuze muziek hoor ik niet.’ Die uitspraak vind ik zeer mooi en zeer begrijpelijk. Maar voor de hardnekkige, bijna agressieve afkeer van religie heb ik steeds minder begrip. Alsof orthodoxe joden of moslims, maar ook onze voorouders, ergens een vijs los hebben en het ware licht nog niet hebben gezien. Die neerbuigendheid is vaak een blijk van onzekerheid: ‘Er zou iets kunnen zijn dat ik niet begrijp, dat ik niet controleer.’ Als je religieus leeft, geef je je over aan iets waarvan je beseft dat het groter is dan jezelf; je stelt je kwetsbaar op. 

“Tegelijk leven we in een tijdperk waarin we alles willen kunnen controleren en alles willen kunnen oplossen, waarin we vooral willen genieten en niet worden geconfronteerd met onze eigen kwetsbaarheid. We geloven graag dat we in de beste van alle tijden leven. Vanuit die houding is men vaak heel antireligieus, maar het getuigt ook van een onvermogen om om te gaan met iets dat jezelf overstijgt. Zelfs als je niet gelovig bent, moet je erkennen dat je een zeer kwetsbaar iemand bent die ooit zal verdwijnen en die niemand nog zal kennen. Antireligieuze mensen staan vaak afkerig tegenover die gedachte, en gaan op in de illusie dat we alles kunnen controleren. Ze wenden zich liever af van wat ze moeilijk kunnen begrijpen.”

Voor we helemaal worden vergeten, hebben we hopelijk nog wel even te gaan. U bent zelf ook nog niet uitgefilosofeerd.

“Ik heb in ieder geval totaal geen zin om met pensioen te gaan. Als ik tot mijn zeventigste zou moeten werken, dan zou ik dat met veel plezier doen. Ik besef dat niet iedereen een job heeft die dat toelaat, maar bij mij is dat anders. Ik heb in zekere zin jaren nodig gehad om een zelfstandig denkend filosoof te worden, en nu ken ik mijn metier steeds beter. (wijst naar boekenkast) Al die boeken moeten nog worden gelezen. Boven liggen er ook nog heel wat. Ik denk niet dat ik me ooit zal vervelen.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234