Vrijdag 15/01/2021

‘Wij zijn marchands de bonheur’

Op zijn menukaart staat bovenaan ‘Genieten is beseffen wat men degusteert’. Een onverholen uithaal naar wat men ‘de schuimpjeskeuken’ is gaan noemen? “Neen, neen, dat is altijd mijn motto geweest”, reageert Stéphane Buyens, (49) restaurateur met twee Michelinsterren achter zijn naam. Maar hij wil er ook niet flauw over doen: hij is geen aanhanger van de moleculaire keuken, van roners, pacojets en stikstof. “Mijn moeder en mijn grootmoeder waren goede kokkinnen en ook bij hen kwam het product eerst. De aankoop is belangrijk voor mij. Wij krijgen ’s morgens vis binnen, wij maken hem schoon, en bij de lunch of ’s avonds moet hij erdoor. “Ik heb problemen met al die mensen die vandaag zoveel handelingen uitvoeren op een product. Ik ben er zelfs een beetje bang voor. Om dat allemaal in perfecte toestand te houden moet je een enorme discipline hebben. Een tarbot die ’s morgens binnenkomt, fileer en bereid ik liever direct. We moeten hem natuurlijk niet meer koken tot hij rubber is, zoals vroeger, maar het lijkt mij toch vrij goed te lukken zonder al die toestellen.“Natuurlijk, on ne peut pas mourir idiot, ik weet wat er gaande is, ik luister, ik kijk en ik proef. Maar als ik zie dat sommige mensen staan te koken met vacuüm hier en vacuüm daar, dan mis ik toch de spanning van de coup de feu. Vacuüm is een goede methode voor banketten van achthonderd man, maar in een gewone keuken een vast menu van twaalf gerechtjes maken die elke dag terugkomen, dat lijkt mij vrij vervelend.”

Uw moeder en uw grootmoeder kookten, was het vanzelfsprekend dat u ook in het vak zou stappen?

“Ja, ik kan niets anders. Ik heb van jongs af aan mee moeten helpen in de zaak. Eerst heb ik een hele tijd service gedraaid, daardoor kom ik nog altijd graag in de zaal. Als je privébezoek ontvangt, wil je ook niet dat de gastheer de hele avond in de keuken staat. Aan iedereen die mij vraagt: ‘Maar wie kookt er dan, als jij bij de gasten langskomt?’, zeg ik: ‘Dezelfden die koken wanneer ik in de keuken sta’.”

U hebt een trouwe souschef.

“Geert Vanhulle is de man die hier binnen is gekomen op zijn veertiende, in korte broek, met een leercontract. Vijfentwintig jaar later staat hij nog elke dag tegenover mij. Daarom staat zijn naam ook naast de mijne op de menukaart. De bestellingen komen bij hem binnen, hij steekt alles in gang en ik werk af. Ik weet welk product er in de pan gaat, hij kent perfect zijn cuissons. De sausen afwerken wil ik zelf blijven doen. Maar als je zelf de hele tijd aan het fornuis staat, heb je weinig voeling met de envoi, met de passe. In de zaal voel je snel de trend van een tafel, je voelt aan welke richting ze uit willen. Het enige nadeel is dat je er altijd moet zijn. De mensen zijn dat hier al vijfentwintig jaar gewoon, het is een verplichting die ik mezelf heb opgelegd. Maar op lange termijn komt dat je ten goede.”

Wat gebeurt er dan als u op een cruiseschip gaat koken, zoals volgende week?

“Dan sluiten we natuurlijk. Ik doe dat niet zo vaak, het is niet mijn corebusiness. Ook de opnamen voor de televisie doe ik in mijn vrije dagen. Ik kan me niet permitteren om een week weg te zijn, ook al is mijn vrouw hier. Zij heeft hotelschool gedaan en ze beheerst het vak zeer goed. Maar een restaurant is een totaalconcept. Ik geloof niet wat sommigen zeggen: ‘Enkel het bord telt en de rest on s’en fout’. Alles moet kloppen. Dit is het moederschip, en het is zeer gevaarlijk om het moederschip te laten dobberen om op andere schepen kapitein te gaan spelen.“In 1991 hebben we La Braise geopend, lang voor de bistrohype. Mijn ma was te jong om te stoppen, en mijn broer en ik hebben toen iets kleins gecreëerd, zodat ze bezig kon blijven. Het is uitgegroeid tot een vrij druk beklante zaak, maar het bleek toch niet eenvoudig om twee keukens gaande te houden. We zijn bezig met voeding, het zijn geen kleren of schoenen die je verkoopt. Als je er niet constant bij kunt zijn, kan het snel afglijden.”

En de reputatie straalt af op uw eerste zaak.

“Zeker en vast. Ik vraag me af hoe het bij Geert Van Hecke loopt (Hij opende dit jaar de Refter, een brasserie, naast de Karmeliet, AG). Wij zijn in die periode 25 procent van de Foxklanten kwijtgespeeld aan La Braise. Die mensen hadden niet het gevoel dat ze ons ontrouw waren, want ze gingen toch ‘bij de familie’. Na een jaar of drie, vier is dat gestabiliseerd, maar je gaat je toch afvragen: is het dit wel waard? We hebben er leuke centjes verdiend, maar het slorpte ook veel tijd op en we hebben het vrij snel laten gaan. Het is al moeilijk genoeg om één ding goed te doen.“Mijn broer wou toen geen gastronomie meer doen, hij was het beu om in kostuum rond te lopen. Hij heeft dan een klein restaurantje geopend een beetje verderop, en nu heeft hij plannen om iets op te zetten in Marrakech. Hij is meer een globetrotter dan ik. Ik blijf veeleer onder de kerktoren. Ik ben van hier, van de zee. Men zegt dat mensen van de zee er altijd naar terugkeren. Ik moet niet terugkeren, ik ben er gewoon gebleven. Het bindt. Het leven gaat een beetje als de golven: soms is het heel druk en dan weer rustig. Files ken ik niet. Ik bewonder de mensen die elke dag naar Brussel rijden. Ik zou het niet kunnen, zelfs niet voor tien keer mijn loon.”

Profiteert u dan ook echt van de zee?

“Il n’y a que le Parisien qui ne va pas sur la Tour Eiffel, daar zit waarheid in. In de zomer, als het druk is, gaan we niet naar het strand, dan hebben we daar geen plezier aan. Maar gisteravond bijvoorbeeld, toen we bij vrienden iets hadden gegeten, zei ons dochtertje van tweeënhalf toen we thuiskwamen: ‘Papa papa, naar ’t strand!’. Het was halfelf, de zee was vrij dichtbij en dan met ons tweetjes op het donkere strand lopen, dat zijn fantastische momenten.”

U bent ook niet ver weg gegaan om te studeren, u bent naar de hotelschool van Koksijde geweest.

“Ik heb wel stages gedaan aan de Côte d’Azur en in Zwitserland, maar telkens voor korte periodes. Ik kwam altijd terug naar huis om het seizoen te doen. Bij ons was het een beetje als bij de boeren, daar moesten de kinderen ook terugkomen om te helpen bij de oogst.”

Was het een strenge school? Ik heb horen vertellen dat de eerstejaars de trappen moesten schrobben met een tandenborstel.

“Dat heb ik gedaan, ja. En meer dan dat. Maar het was vooral een leuke school.”

Echt waar?

“Maar ja gij! Ter Duinen had een fenomenale structuur, het is jammer dat het ministerie daar nu in gehakt heeft. Ze mogen in de twee eerste jaren geen stages meer doen. Jongens en meisjes van veertien, vijftien jaar komen nu niet meer in contact met de gastronomie, terwijl je precies op die leeftijd zoveel leert. Al is het maar zilver poetsen en bestek leggen. Dat moet je toch niet meer gaan leren als je achttien bent?“De eerste twee jaren waren vrij zwaar, ja. Je was commis en je moest lopen voor de oudere leerlingen, die je natuurlijk af en toe wel eens klootten. Maar het maakte dat je tegen een stootje kon en dat je bij de stages kon meedraaien in de grote huizen. Ik voorspel dat het wenen en schreien wordt als ze die jongens nu gaan lossen. Wij waren er klaar voor, in die tijd, en ik zweer het je: de chefs bij wie je terechtkwam, mensen als Michel Coppens, Eddy Van Maele, Pierre Romeyer... Dat was geen cadeau. Je trok maar beter een kogelvrij vest aan en je zette het best een toque van een ruiter op in plaats van een koksmuts.”

En jullie kwamen niet in opstand?

“Neen, het was gewoon zo. Wie daar niet tegen kon, viel af. Het was ook niet alle dagen dril hoor, het was een fantastische school. We mochten op restaurant, lekkere dingen eten, een glas wijn drinken. Er was natuurlijk discipline. Je haar mocht niet tot aan je kraag komen, de oren moesten vrij zijn, je liep de hele dag in col en cravate. In het begin choqueert dat misschien een beetje, maar als iedereen het doet, wen je er snel aan.“Het was ook leuk dat je begon als kleine commis en eigenlijk als een volleerde chef buitenkwam. Wij deden in het laatste jaar toch 24 couverts met verschillende bereidingen, dat is niet niks. Het valt op dat al de groten van vandaag in die glorieperiode in Ter Duinen zijn afgezwaaid: Van Hecke, Goossens, Paesbrugghe, noem maar op.“Ik vrees dat daar binnenkort een enorme terugslag komt. Het zal ook moeilijker worden om plaatsen te krijgen in het buitenland, omdat ze nog maar twee maanden stage mogen doen. De grote huizen in Frankrijk vinden dat niet zo leuk. Die hebben liever iemand die wat langer meedraait. Als je aan Peter (Goossens) vraagt waar hij de stiel heeft geleerd, zal hij zeggen in Le Pré Catalan, bij Geert Van Hecke was dat Chapel, de ene bij Blanc, de ander bij Lameloise. Frankrijk wordt nu wel verketterd, maar daar hebben ze toch mooi een culinaire cultuur die niemand hen zal afnemen.”

Men verwijt Frankrijk een gebrek aan vernieuwing.

“De Fransen zitten wat in dezelfde situatie als wij. De mensen gaan al decennialang op restaurant en ze weten wat ze willen. Als een Fransman binnenkomt voor een duif, moet je hem geen ris de veau geven. Hij wil een duifje, en hij weet hoe hij zijn duif wil hebben. Als je er bij wijze van spreken garnalen gaat overgooien, zegt die: ‘Merci, c’est pas mon truc’. Er zijn nu ook wel wat jonge gasten die serieus verandering aan het brengen zijn, en dat is net mooi, die balans tussen klassiekers en vernieuwers.”

Iedereen kijkt nu naar Spanje, naar Scandinavië, zelfs naar Nederland.

“Ik ken Spanje vrij goed, en als je daar dertig jaar geleden naartoe ging, was het voor het mooie weer. Het eten was er slecht. Nu geeft men zo hoog op over Spanje, maar die nieuwe keuken is er toch maar beperkt geïntegreerd. Er zijn enkelingen die de foodie kunnen bekoren, maar in de meeste streken vind je er weinig van terug.“Een land waar je goed eet, dat is voor mij een land waar je kunt stoppen op een kruispunt, zij het in Zuienkerke of in Knesselare, een bistrootje binnenstapt en fatsoenlijk gespijsd wordt. Je zult daar niet achterovervallen van de creativiteit, maar je bent niet bedrogen. Bij ons bestaat dat, maar in veel landen niet. Nederland is daar het beste voorbeeld van. Neem daarentegen Italië. Daar kun je in elk dorpje lekker eten, in de kleinste trattoria. Precies in die landen is men veel minder in het verhaal van de vernieuwde keuken gestapt. Voor wie geen traditie heeft, is the sky the limit.“Dat vind ik wat gevaarlijk aan alle dingen waarmee die jonge gasten nu bezig zijn. Kobe (Desramaults, van restaurant In de Wulf, AG) vind ik nog de sterkste van zijn generatie, die weet wat hij doet. Maar er zijn er zoveel die meegesleurd worden in de stroom van ‘lo mejor de la gastronomía’, terwijl ze vergeten dat die structuren in het zuiden helemaal anders zijn. Hoeveel zijn er nog hun eigen baas? Overal wordt gewerkt met kapitaal van grote bedrijven, banken, verzekeringen... Dat zijn geen patrons cuisiniers meer. Ze leren daar technieken die zeer veel werk en machines vereisen en handenvol geld kosten: 3.000 euro hier, 5.000 euro ginder, 10.000 euro daar, dat tikt aan, voor één gerechtje. Je kunt in een menu toch geen tien pacojetgerechten steken. Al die stikstof en snelvriezers, stop daar toch mee, jongens!”

Vindt u niet dat de hotelscholen te behoudsgezind zijn?

“Neen, misschien zit er in de opleiding wat te weinig speelsheid, maar ja, dan kom je bij het verhaal van de drie biggetjes: de ene bouwt zijn huis van stro en de andere van steen, en welk huisje blijft er staan? In de keuken is het ook zo: eerst rustig werken, goed weten wat je kunt en niet kunt. Je mag inspiratie opdoen, natuurlijk, maar je moet je niet laten opjagen door al die nieuwigheden. Met hoeveel mensen werken ze niet in die keukens? In Vlaanderen kun je dat niet dragen. Als je het toprestaurant Noma in Kopenhagen ziet, twintig handen voor één gerecht, daar spelen wij niet in mee. Ik geef eerlijk toe dat ik dat niet kan. Als ik dat morgen doe in mijn zaak, sta ik volgende maand in het staatsblad. Zij hebben misschien een andere structuur, een ander kapitaal.“Hoewel, met kapitaal is ook niet alles opgelost. Neem Kasteel Withof. Daar wás dan geld, maar die Nederlander heeft het volgens mij volledig verkeerd aangepakt. Hij ging overal mensen wegkopen, hing goud aan de muur en dacht: ‘Yes, we maken het’. In de sector wordt dat niet aanvaard. Misschien pakt dat wel in het voetbal, maar niet in de horeca. Ook dat is deontologie. Als je een zaak opent, schrijf je vacatures uit en de mensen komen zich aanbieden. Je gaat niet overal de besten weghalen.”

Wat vindt u ervan dat de televisieseries soms de indruk geven dat je in enkele weken een topchef kunt worden?

“Tja. (bedachtzaam) Nu ik er zelf aan ga meedoen kan ik moeilijk...”

Er zijn soorten programma’s, natuurlijk.

“(opgelucht) Inderdaad. Piet Huysentruyt doet dat heel goed. Het resultaat is er: hij scoort, hij heeft succes. Voor mij is dat altijd het eindpunt. De beste kok die voor lege stoelen werkt, is nog altijd geen goeie kok. Het is natuurlijk televisiemaken. Als ik Peter (Goossens) bezig zie in zijn eerste reeks van Mijn restaurant en nu, dan stel ik vast dat hij heel erg veranderd is. Hij durft meer uit de hoek komen. Hij is zich sterk bewust van de camera en weet goed wanneer hij moet uithalen. Ze leren je dat ook. Toen ze mij vroegen, heb ik meteen gezegd: ik ga het doen op mijn manier en ik zal me daaraan houden. Ik weet niet of het goede televisie zal zijn, maar ik zal niet de man zijn die mensen tegen de muur zet. Daarvoor heb ik te veel respect voor de horeca. Er zijn natuurlijk overal klungelaars, en de vestigingswet is niet streng genoeg. Er zijn nu zelfs ministers die de vestigingswet willen laten vallen. Komaan Quickie, als er één beroep is waar zo’n wet nodig is, is het hier wel. Het gaat over gezondheid. Wij kunnen iemand laten doodgaan.”

Wat heeft u over de streep gehaald om mee te doen aan het televisieprogramma?

“Ik zie het als een uitdaging om te zien waar het me brengt, wat het me oplevert. We zitten volledig in de televisiehype, het is bijna niet meer doenbaar om erbuiten te blijven. En ik moet eerlijk zeggen: het is een mooi contract. Ik stel me er niet te veel vragen bij. Ik heb aan Eyeworks verteld dat ze niet moeten verwachten dat ik de bullebak ga spelen. Ik doe dat hier niet, waarom zou ik het dan op televisie doen? Ik leg liever dingen uit dan te roepen. Roepen is voor de trainer aan de zijlijn, anders horen ze hem niet. In de keuken win je daar niets mee. Ik heb ook gezegd dat ik het programma wil doen omdat ik misschien toch íémand zal kunnen helpen met zijn zaak. Als het misloopt, zal het niet mijn fout zijn en was het ook niet Luc Bellings zijn fout. Ik hoor nu dat Bellings in Dag Allemaal zegt: ‘Dat die pipo’s nu failliet zijn, is mijn grootste overwinning ’. Dan denk ik: jongen toch, lul niet uit je nek. Voor mij mag hier aan de overkant een pitakraam komen, ik wens die mens toe dat het lukt. Dat is horecadeontologie.“Ik voel me met mijn twee sterren niet hoger of beter dan een ander. Ik ben voorzitter van de plaatselijke horeca van De Panne, en ik denk dat ik de enige sterrenkok ben die zich bezighoudt met de prijs van een pintje op café. Dat vind ik nodig. Ik heb hier een status, en die status kan ik misschien gebruiken om de mensen beter te doen werken.“Wij hebben in de familie alles gedaan: wij hebben een mosselrestaurant gehad, een brasserie, een nachtrestaurant, we hebben spaghetti’s verkocht, we hebben een familiepension gehad, nu baten we een viersterrenhotel met een tweesterrenrestaurant uit. Bloody hell, het komt allemaal op hetzelfde neer: probeer uw klant gelukkig te maken. Ik kan zo tevreden zijn als ik ’s avonds, na de service, ergens een spaghetti ga eten met een goed flesje wijn en het smaakt me. Dan is de patron content omdat ik content ben, dat is toch de schoonste kruisbestuiving?”

U hebt een dochtertje van tweeënhalf, twee grote zonen, u staat in de keuken en in de zaal, u hebt een boek geschreven en u bent voorzitter van de vereniging De 33 meesterkoks van België. Hebt u nog tijd voor familie en vrienden?

“We sluiten twee dagen in de week, en vijf keer per jaar gaan we voor een periode dicht, ook voor de jongens die hier werken. In topgastronomie klop je vele uren, en met dubbele brigades werken is in België onmogelijk, dan wordt het onbetaalbaar. Wij sluiten in januari, in de paasvakantie en met Sinterklaas, ook voor de mensen met kindjes. Daar investeren we in.“Vriendschappen buiten de horeca liggen inderdaad moeilijk, door onze uren. Maar mijn beste vriend is apotheker. Dat is ook heel nuttig: ik heb altijd Motilium in huis. (lacht)“Ik ben ook een grote voetbalfan, maar ik besef zeer goed dat ik pas een abonnement zal kunnen nemen als ik met pensioen ben.”

Een abonnement op Club?

“Natuurlijk, Club Brugge. Er is toch maar één ploeg in België. Ik ben een fervente Clubsupporter. Ik heb vroeger zelf gevoetbald, maar daar ben ik moeten mee stoppen. Dat is horeca. Ik denk dat Tom Boonen ook niet alles zal kunnen doen wat anderen van zijn leeftijd doen. Hoewel, die laat het nog niet aan zijn hart komen (lacht).”

Ik hoor dat koks zich ook wel van middelen durven te bedienen.

“Ik hoor dat ook, al heb ik het nog niet zelf gezien. Daar ben ik radicaal tegen. Als je dope moet pakken om te presteren aan het fornuis, dan ben je godverdomme slecht bezig. Ik ben bijna vijftig en ik geniet er nog elke dag van om in mijn keuken te staan. Ik vraag me af hoe die mannen zullen zijn als ze mijn leeftijd hebben. Bovendien zien die gastjes dat ook. Een commis die terugkeerde van een groot huis vertelde het me zopas nog. Dat vind ik geen reclame. Ik ben totaal tegen drugs. Zelf heb ik nooit een sigaret gerookt, nooit iets genomen, en als er een in mijn keuken mocht afkomen met speed, dan gooi ik hem buiten. Hier heerst nultolerantie op dat gebied.”

Hebt u dan geen zwakke punten?

“Misschien dat ik te goed ben. Dat verwijten ze me nu soms, dat ik niet neen kan zeggen. Ik vind het een kwaliteit wanneer je dat af en toe wel kunt. Het heeft wellicht te maken met het feit dat wij van iets heel kleins gegroeid zijn tot waar we nu staan, ver boven de anderen. Dan gaan de mensen je bekijken als snobrestaurant en dat willen we echt niet.“(denkt na) Ik heb wel de indruk dat ik consequenter en kolerieker was toen ik jonger was.”

Dat worden wel meer mensen met het ouder worden.

“Kijk (zijn dochtertje komt uit haar middagslaap en kruipt op zijn schoot), dat meisje van tweeënhalf, dat is een cadeau. Dat heeft me een heel nieuwe impuls gegeven. En ik heb ook leren relativeren. Op mijn vijfendertigste heb ik darmkanker gekregen. Het was een serieuze tumor, maar hij zat goed ingekapseld en ik had het geluk dat ik niet rookte en nog jong was. Daardoor was de darmwand nog sterk. Chemotherapie, dikke darm eruit, het verandert je kijk op het leven, hoor.”

U had toen al een Michelinster, kon de zaak blijven draaien?

“Mijn broer is bijgesprongen, en ik had mijn souschef. En ik moet zeggen: chapeau toen voor Michelin. Ik heb Van Craenenbroeck (de toenmalige inspecteur voor België, AG) op de hoogte gebracht en hij zei me: ‘We laten je even met rust en we komen terug als je er bovenop bent’. Zeven weken na de operatie stond ik opnieuw aan het fornuis. De ster is gebleven.”

Maar het was allicht een moeilijke periode.

“Het waren stormachtige jaren. Mijn echtscheiding, de ziekte, de twijfels. Je gaat in extremen denken: hoe lang heb ik hier nog? Ik zal toen wel niet de gemakkelijkste mens zijn geweest. Nadien ben ik Ellen tegengekomen en hebben we beslist er helemaal voor te gaan. Mede dankzij haar hebben we in 2005 de tweede ster behaald.”

Een groot moment?

“Geloof me, die sterren blijven belangrijk. Het staat nu goed om kritiek te geven op Michelin. Vorig jaar had ik een punt minder bij GaultMillau, ik weet nog altijd niet waarom, maar daar heb ik geen klant minder door gehad. Alleen Michelin heeft invloed, wat de media ook vertellen - Michelin én redactionele artikels in kranten en tijdschriften. Zonder sterren zaten die mensen uit Antwerpen en uit Londen hier vanmiddag niet. Als morgen Peter Goossens zijn ster verliest of Viki Geunes (van restaurant ’t Zilte, AG) een derde krijgt, dan is dat voorpaginanieuws. Zo simpel is het.”

Toen Comme Chez Soi van drie naar twee sterren terugviel, hebben we het geweten.

“Inderdaad, en eigenlijk vind ik het ook wel logisch. Comme Chez Soi is een prachtig huis, maar Lionel (Rigolet, de schoonzoon, AG) kan zich nu bewijzen. Als er opnieuw een derde ster komt, dan is het de zijne. Nu moet hij nog altijd ‘merci papa Wynants’ zeggen.”

U bent voorzitter van De 33 meesterkoks. Hecht u daar veel belang aan?

“Ik vind dat heel leuk. Wij zijn niet de schoonsten, niet de besten, niet de rijksten, maar als we samenzitten maken we plezier. Als ik nu hoor dat die nieuwe generatie zegt: ‘Wij zijn niet langer concurrenten van elkaar, zoals vroeger, wij zijn collega’s’... Alstublieft zeg, dat doen wij al sinds 1962. Wij komen iedere maand samen, wij eten samen, wij drinken een pint en wisselen gedachten uit. Toen onlangs iemand een ongeval had, hebben wij met vijf restaurateurs mensen gestuurd om dat op te vangen. Dát is collegialiteit. Collegialiteit is niet elke dag in elkaars kot gaan zitten, daar krijg je vodden van. Collegialiteit is eens kunnen babbelen over je problemen. Ook de dames, want die worden vaak vergeten. En achter elke grote chef staat uiteindelijk een nog grotere dame. Wat ben je met een uitzonderlijke kok als dat een klootzak is?“Wij zijn marchands de bonheur. Vanmiddag zat hier een dame die me zei: ‘Ik ben weduwe geworden, ik heb het niet breed, maar met uw lunchmenu van 50 euro hebt u me een prachtige ervaring geschonken. Bedankt’. That makes my day!”

U bent een tevreden mens?

“Ik weet ook niet wat de toekomst brengt. Voor mij is de grote vraag nu wat mijn kinderen gaan doen. Mijn zonen zitten op de hotelschool. Als ze morgen zeggen: ‘Papa, wij willen het overnemen’, dan is dat het schoonste. Ze zullen het niet voor niks krijgen, ik heb er ook voor moeten betalen. Het gemakkelijkste zou zijn als we morgen stoppen, het licht uitdoen en alles verkopen. We hebben 20 meter façade op een paar stappen van de dijk, er zijn al veel miljoenen voor geboden.“Ach, we zien wel. Je bent van zoveel factoren afhankelijk. Ik heb altijd een plan b. Stel dat de zaak niet meer loopt, dan ga ik niet, zoals Jacques Brel zegt, achter une inaccessible étoile aan. Dan begin ik met een toffe brasserie. Ik heb de basis mee, à la rigueur maak ik een heel goeie omelet, een tomate crevettes, een sole à la meunière. Dat lukt altijd.”

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234