Zondag 23/02/2020

‘Wij zijn heel passioneel, en we zouden het niet anders willen’

Ze speelden 25 jaar geleden al samen in Zwak/Sterk,

een voorstelling van

de toenmalige Blauwe Maandag Compagnie, en

ze zijn mekaar in theaters blijven tegenkomen. Hij: oerspeler, komisch talent, veel-kunner, gevoelig man. Zij: topactrice, wijf met kloten, flapuit, mooie vrouw. Ze zijn vrienden en collega’s in het NTGent, waar Wim Opbrouck (41) vers artistiek leider is en Els Dottermans (46) lid van het ensemble. Vanaf volgende week zijn

ze allebei te zien in Aida*.

Aida* is een groot muziektheaterproject waar het integrale personeel van het NTGent in meezingt, echt een sympathiek coming in with a bang- project. Is het ook om die bravoure gekozen als openingsproductie?

Wim Opbrouck: “Eigenlijk niet. Het is een oud idee. Ik heb de voorbije vijf jaar een paar keer samengewerkt met Christoph Homberger, en zo is de zin in dit project ontstaan. Natuurlijk is het mooi dat het hele huis wordt ingeschakeld voor de openingsproductie. Al was dat niet zo makkelijk te realiseren. Veel mensen durfden niet op een podium te gaan staan of ze waren bang omdat ze van zichzelf vonden dat ze niet konden zingen. Maar Christoph is een wonderlijk man, hij krijgt iedereen mee.”

Els Dottermans: “Na tien minuten dirigeren staat hij totaal in het zweet, en hoe hij dat doet: dat is een dansje op zichzelf. Hij heeft ook geweldige manieren om het ons te leren: we hebben eens met zijn allen in het pikkedonker op de grond gelegen, en dan, hup, uit één adem zingen. Prachtig. Mensen komen ook enthousiast naar de koorrepetities, om telkens dezelfde acht liederen te hernemen. Toch ook niet zo vanzelfsprekend, hé.”

Opbrouck: “Voor alle duidelijkheid, het is geen oefening in gezelligheid, geen teambuildingactiviteit, en het heeft ook niks met up with people-joligheid te maken. Christoph is streng en zo is hij erin geslaagd om een groot, onervaren koor in een paar maanden tijd vierstemmig te leren zingen. De warmte die van die scène afstraalt is omarmend. Maar of dit nu de grote crowdpleaser zal zijn die mensen blijkbaar verwachten, dat valt nog maar te bezien.”

Dottermans: “Precies. Aida* is een eigenzinnige, niet zo voor de hand liggende voorstelling aan het worden.”

Terwijl Aida traditioneel toch bekendstaat als een eventopera.

Dottermans: “Bepaalde voetbalploegen hebben de bekendste aria zelfs als lijflied.”

Opbrouck: “Maar de rest van die liederen kent geen mens. En wij maken van die carnavalschlager een treurmars. Aida gaat over ontheemde zielen, over mensen die verloren lopen. De muziek is bovendien stevig bewerkt en ontdaan van alle bombast. Ik vind het resultaat onwaarschijnlijk emotioneel.”

Dottermans: “De grote kracht van dit project zit ’m in de gezamenlijkheid. Als die sfeer overslaat, wordt het heel ontroerend, denk ik.

“Deze repetities zijn voor acteurs een oefening in nederigheid. Ego aan de kant en opgaan in de groep. We moeten allemaal samenklinken, er mag er niet één bovenuit schieten. Zeker voor iemand met zo’n luide stem als ik een echte opdracht. (lacht) Een heel gezonde, kleine confrontatie met mezelf.”

Opbrouck: “Voor mij zit de kracht van Aida* ook in de absolute vrijheid die we nemen. Alle grote theaterregisseurs trekken naar de opera, maar ze blijken daar weinig te kunnen veranderen. Wij doen dat wel: onze Aida* biedt mensen een totaal andere luisterervaring.”

Aida* is een muziektheaterproject. Wim, jij speelt met je groep De Dolfijntjes. Els, jij hebt vorig jaar getoerd met een liedjesprogramma en je gaat dit seizoen ook nog dansen met Koen Augustijnen. Zijn jullie in de eerste plaats spelers of is het maar een van de vele opties?

Opbrouck: “In de kern zijn we echte spelers.”

Dottermans: “Absoluut. Koen Crucke had onlangs Was will das Weib gezien, en hij zei: ‘Jij hebt een nieuwe vorm van zingen uitgevonden, je spéélt terwijl je daar staat.’ In het begin was ik heel onzeker over mijn zang, maar daar ben ik mee gestopt: ik wil iets vertellen, het zal er wel uitkomen. Door het zo te benaderen is dat zingen een verdieping en een verbreding van mijn acteren geworden.

“Verder hebben die uitstapjes een fijne meerwaarde. Want een actrice is altijd afhankelijk: je bestaat maar bij gratie van een stuk, een groep en een regisseur. Geen probleem, maar na al die jaren wil dat weleens opspelen, en dan doet zo’n liedjesprogramma dat je in je eentje draagt eens deugd. Maar ik voel nu al dat ik volgend seizoen weer veel zin zal hebben in een stevige theaterrol.”

Opbrouck: “Als ik muziek maak, kan ik de zaal doen ontploffen. Dat is prettig. De grote beloning als toneelspeler zit ’m in de stilte. Als je vandaag een zaal geconcentreerd krijgt en in één adem kunt doen luisteren en kijken, dat is voor mij nog straffer.”

Dottermans: “Zingen is fysiek harder werken, maar met een goed liedje spreek je mensen makkelijker aan. Toneelspelen is mentaal zwaarder. Toen ik bijvoorbeeld Steven Van Watermeulen en Elsie De Brauw Gif zag spelen, dacht ik: dit is op het scherp van de snee. Ze benaderen de perfectie van acteren. Adembenemend om mee te maken.”

Opbrouck: “Ik doe dit vak ontzettend graag. Vooral omwille van het samenspelen. Samen muziek maken zonder muziek, ruzie maken zonder woorden, sfeer doen ontstaan door handelingen, als die uitwisseling lukt en je publiek volgt, dat geeft een geweldig gevoel.

“En ik geniet ook van het gevecht vooraf, het werk tijdens de repetities.”

Het is nochtans vaak afzien: je moet je door onzekerheden worstelen, omgaan met wrijvingen in de groep.

Dottermans: “Awel, hout vasthouden, maar dat is lang geleden.”

Opbrouck: “Bij mij ook.”

Dottermans: “Tijdens al die repetities met Johan Simons (voormalig artistiek leider van het NTGent, hij staat nu aan het hoofd van de Kammerspiele in München, GO) heb ik niet één keer in een echte dip gezeten.”

Opbrouck: “In elk creatieproces komt er een moment waarop het begint te wringen. Spelers lopen er dan wat ongemakkelijk bij, zoals een kind dat op het punt staat om te leren lopen: dat is ook kribbig. Tot het lukt. Dan valt die hele last spontaan van zijn schouders.”

Dottermans: “De ellendigste repetitieperiode ooit was die van Ten oorlog.(Tom Lanoye en Luk Perceval bewerkten de koningsdrama’s van Shakespeare tot een marathonvoorstelling van een uur of acht. Er werd een jaar lang aan gerepeteerd, GO)”

Opbrouck: “Ja, Ten oorlog was een echte verschrikking. Een clash tussen mensen, bijzonder pijnlijk. Ik denk niet dat ik dat nu nog zou aankunnen. Ik heb toen een trauma opgelopen. Alle volgende jaren was ik weg als er nog maar een discussie in de lucht dreigde te hangen.”

Dottermans: “Als een ploeg niet overeenkomt, dan is dit vak de hel. Wel ongelooflijk eigenlijk dat het toch zo’n uitzonderlijke productie is geworden, zowel voor het publiek als voor ons. Dat is óók theater.”

Opbrouck: “Op dat vlak loopt het schitterend in het NTGent, vind ik. Wij durven kritisch te zijn tegenover mekaar, maar onze neuzen blijven evengoed in dezelfde richting wijzen. Dat is niet in elk gezelschap zo vanzelfsprekend.”

Dottermans: “De hamvraag voor dit seizoen is: wat blijft daar van over nu we als ensemble regisseurs van buitenaf gaan binnenhalen? Wat als het niet klikt met zo’n man? Wat als een productie mislukt? Wat als het huis onder vuur komt te liggen?”

Opbrouck: “Er is één groot voordeel: alle mensen die dit seizoen aantreden, zijn door de integrale spelerskern aanvaard. Die namen zijn niet lukraak geshopt op de internationale markt omdat ze goed klonken. Ook de jonge regisseurs hebben we gekozen na positieve ervaringen van een of meerdere van onze acteurs.”

Dottermans: “Goed dat we de jonge garde kansen geven, vind ik.”

Opbrouck: “De topregisseurs zoals Luk Perceval, Ivo Van Hove, Johan Simons, Guy Cassiers worden allemaal ouder. Er lopen regisseurs van veertig rond die ze nog altijd jong noemen, omdat de opvolging niet klaarstaat. Daarom vinden wij het als stadstheater onze plicht om de jonge generatie producties te laten maken voor de grote zaal, samen met hele goeie acteurs. Zo bieden we hen de ruimte om bij te leren, om zich te ontwikkelen. Geen idee of dat allemaal gaat lukken, maar ik wil het in ieder geval proberen.”

Van wie hebben jullie zelf het meeste geleerd?

Dottermans: “Van Luk Perceval. Dat was een speciale band, natuurlijk. Wij zijn een koppel geweest en ik heb veertien jaar met hem gewerkt, ook nog nadat we uit mekaar waren gegaan. Op mijn tweeëntwintigste ben ik in zijn gezelschap begonnen. Een harde leerschool. Als Luk vond dat je iets niet goed deed, dan zei hij: ‘Als je het zo gaat spelen, ga dan maar naar huis, dan doe ik het wel op de première.’ Ik herinner me die keer toen we repeteerden voor De meeuw, een stuk van Tsjechov. Ik had op het einde van het stuk een paar stevige scènes met Peter Van den Begin. Wij haalden alles uit de kast. We hadden geroepen, een palet aan emoties laten zien, de tranen liepen over onze wangen. Stilte bij iedereen die zat te kijken. En toen zei Luk gortdroog: ‘Jullie hebben heel hard gehuild, maar ik dus echt niet, hé.’ Een schok was dat, maar die les draag ik nog altijd mee.

“Het is ook goed dat ik na Luk met Johan Simons heb mogen werken. Bij Luk moest in die beginperiode alles heftig, vanuit een groot gevoel. Ik hoef nu niet meer te staan schreeuwen op een toneel hoe ongelukkig ik ben. De tijden zijn veranderd. Nu spelen we met zijn allen minimalistischer. Johan heeft me geleerd om te spelen vanuit een rust. Eerst Luk dan Johan, dat was voor mij de perfecte volgorde.

“Misschien heeft die evolutie ook te maken met ouder worden. Vroeger klom ik opgefokt en vervuld het podium op, en daar moest ik alles geweldig staan te voelen, elke avond opnieuw. Nu kan ik achtelozer het podium op stappen, om daarna evengoed het grootste drama te spelen. Nu spreek ik de zinnen uit en ontstaat er daardoor iets. De emotie komt nadien.”

Opbrouck: “Dat herken ik wel. Ik heb altijd geleerd dat ik moest acteren alsof het op leven en dood was. Maar uiteindelijk is het nooit die ultieme, allerlaatste keer, maar gewoon de zestiende voorstelling in de reeks. Die vraag aan acteurs was ooit een tegenreactie op de oubollige stadstheatercultuur: toen zaten acteurs letterlijk te kaarten tussen de bedrijven in. Maar die tijd is al lang voorbij. Als je je nu elke avond zo zwaar moet geven, brand je jezelf gewoon op.

“Het blijft een moeilijke oefening, vind ik. Als ik me niet in het zweet sta te spelen, ben ik toch bang dat het niet overkomt. Je moet durven loslaten, ervan durven uitgaan dat weinig genoeg is, en niet saai.”

Van wie heb jij veel geleerd, Wim?

Opbrouck: “Van ongelooflijk veel mensen. Van een van mijn leraressen in de muziekschool vroeger: zij heeft de basis gelegd. Op Studio Herman Teirlinck van Jan Decleir. Hij was een Romeo en Juliet aan het voorbereiden en er moest een tribune verplaatst worden. Dat kon pas maandag, zeiden ze op het bureau. Waarop Jan, zonder er nog één woord aan vuil te maken, zijn mouwen opstroopte en zelf met die tribune begon te zeulen. Dat is de spirit, vind ik. Later zat ik in een stuk van Johan Dehollander, we geraakten er niet uit. Op zondagochtend telefoon: mag ik bij jou boterkoeken komen eten? Wij vol ideeën naar het theater gereden en daar eigenhandig een decor getimmerd. Eén keer hebben we erin gerepeteerd, en daarna is het weer afgebroken. Het deugde toch niet. Die twijfel toestaan en blijven proberen, dat is ongelooflijk belangrijk.”

Dottermans: “Johan Dehollander heeft mij geleerd om zelfkritisch te zijn op een moment dat ik dat ook echt nodig had. In die beginjaren met Luk waren wij nogal vol van onszelf. Goed dat Johan ons weer met twee voeten op de grond zette. En Jan Decleir is voor mij ook een groot voorbeeld, zoals hij met totale overgave kan spelen. Hij voelt een beetje als mijn theatervader.”

Opbrouck: “Ik heb ook van bepaalde voorstellingen iets geleerd. Marche funèbre pour chat van de Enthousiasten, bijvoorbeeld: die vorm, die vrijheid, die anarchie op scène, onvergetelijk. En met Johan Simons werkte ik voor het eerst samen in De Leenane trilogie, een coproductie tussen ZT Hollandia en Het Toneelhuis. Op de avond van de première komt hij naar mij en zegt: ‘Vanavond lekker slecht spelen hé, lekker vet.’ Dat was zo bevrijdend. Veel regisseurs geven tot op het laatste moment notes.”

Dottermans: “Verschrikkelijk: dat ene zinnetje zo zeggen, en die passage niet zus maar wel zo benaderen.”

Opbrouck: “Toen Johan me op die manier losliet, kreeg ik vleugels. Van Luk Perceval heb ik trouwens ook veel vertrouwen gekregen. Dat doet enorm deugd.”

Het is de eerste keer dat het huis in volle werking is na Johan Simons’ vertrek als artistiek leider. Hoe voelt dat eigenlijk?

Dottermans: “Ik herinner me de afscheidsavond. Iedereen had mooie dingen gezegd en gedaan, en opeens was zijn vertrek echt een feit. Ik voelde mij verlaten: weer een artistiek leider die weggaat. Als je kiest voor een huis, geef je je helemaal over aan zo’n regisseur, want er moet wederzijds totaal vertrouwen zijn, anders werkt het niet. Johan vertrok en ook al weet ik dat hij gewoon zijn weg volgt, ik voelde me toch verweesd.”

Opbrouck: “Zo’n vertrek voelt raar, dat is zo. Zeker in dit geval. Want mijn verhaal met Johan was nog lang niet uitverteld.”

Dottermans: “Terwijl ik hem stond uit te zwaaien, dacht ik toch: het is de laatste keer dat ik dat doe. Hoewel, Wim, voor jou misschien nog één keer. (lacht)”

Opbrouck: “Voor een artistiek leider is het niet minder erg als er een speler vertrekt, denk ik. Ik was daar ook bang voor toen ik deze functie aanvaardde: stel je voor dat ze nu allemaal weglopen.”

Dottermans: “Maar wij zijn gebleven, hé.”

Opbrouck: “Ik hoop dat later zal blijken dat het een goeie beslissing was. Ik heb heel lang getwijfeld. Nu zegt iedereen voortdurend tegen mij: wat heb jij je in godsnaam op de hals gehaald? Maar het is ook maar zo zwaar als je het laat worden, hé.”

Dottermans: “Ik heb één fout gemaakt: ik ben te lang blijven hangen in Het Toneelhuis. Net in een moeilijke periode - kinderen gekregen, volop op zoek naar een goed evenwicht tussen werk en gezin - zat ik in een huis waar de artistiek leider en ik mekaar al te goed kenden. Met allerlei kwalijke neveneffecten tot gevolg. Niet slim.”

Opbrouck: “Ik ben toch blij dat je gebleven bent, anders hadden we nooit samen met Luk Macbeth gemaakt. Ook al was dat een zwarte repetitieperiode, ik had het toch niet willen missen.”

Jullie hebben altijd in dezelfde huizen gewerkt. Is dat per ongeluk zo gebeurd?

Dottermans: “Wij hebben dezelfde theatersmaak, denk ik. Maar Wim heeft een veel autonomer parcours gefietst dan ik. Hij moet altijd kunnen weggaan, ik ben veel honkvaster. Als ik in een gezelschap zit, dan is het dat helemaal voor mij.”

Opbrouck: “Ik engageer mij ook, maar ik moet mij toch altijd een vrije vogel blijven voelen.”

Dottermans: “Wim is ook ondernemender dan ik.”

Opbrouck: “Ik zou morgen opnieuw als freelancer kunnen werken. Ik begrijp niet goed waarom zoveel jonge theatermensen zich vastzetten.”

Dottermans: “Jij hebt een enorme vrijheidsdrang, ik hoor graag ergens bij. Ik ben zo opgevoed, opgegroeid in een groot gezin. Dat raak ik niet meer kwijt.”

Opbrouck: “Als ik er nu zo over nadenk: ik ben ook wel op zoek naar een groep, een familie. Mijn theaterhart lag altijd al bij één huis, maar ik moet kunnen ontsnappen naar andere disciplines. Dat is de renaissancemens in mij, Hugo Claus had dat ook.”

Dottermans: “Hij en mijnheer Claus... Nu zijn we vertrokken. (lacht)”

Wat vinden jullie mekaars grootste kwaliteit als speler?

Dottermans: “Wim is een schaamteloze speler die toch heel genuanceerd en verfijnd acteert. Hij houdt van laagdrempelig én van elitair. Het is een man van uitersten. Interessant, omdat er geen etiket op te plakken valt. Hij doet ontzettend veel, en alles op hoog niveau. Straf.”

Opbrouck: “Shit man, daar kan ik niet meer tegenop... Els is een hele sterke, genereuze tegenspeelster. Als zij op een scène staat, gebeurt er altijd iets. En kom ik zuchtend en puffend aan op een repetitie, dan trekt Els mij mee omhoog. Ik heb haar ook al weleens het tegenovergestelde zien doen in één of ander creatieproces, maar dat is de uitzondering die de regel bevestigt. (lacht) Ik hou ook van haar stil management. Zij kan op een hele mooie, bijna onbewuste manier kennis overdragen.”

Zijn jullie eigenlijk goeie collega’s of vrienden?

Opbrouck en Dottermans: “Vrienden.”

Dottermans: “Geen vrienden die bij mekaar in de tuin gaan zitten om samen te barbecueën, maar daarom niet minder echt. Als je samenspeelt, heb je zo’n innig contact, op het verliefde af soms. Daar blijft buiten het theater niks van over, maar op de scène moet dat zo.”

Opbrouck: “Het mag voor de buitenwereld al oppervlakkig lijken, maar ik voel vanaf dag één van de repetitie diepe vriendschappen. Een goed acteur draait zichzelf binnenstebuiten. Een stuk maakt het diepste in jezelf los, en daar moet je over spreken. Een repetitieproces is eigenlijk als een goed gelopen scoutskamp. Dat gevoel.”

Dottermans: “Wij gaan met mekaar over de grens van de beleefdheid. Ik stond onlangs in een repetitiekot met een Italiaanse danser. Hij zweette zich kapot, maar ik moest hem wel vastpakken. Toen ik daar zo stond, moest ik toch even denken: wat een vak. Lekkere geur of niet, je moet je over zulke dingen heen zetten.

“Intense banden zijn ook een kwestie van overleven. Je moet overeenkomen om te kunnen spelen, zo simpel is het.”

Wat vinden jullie mekaars fijnste eigenschappen, als mens?

Opbrouck: “Oei, dat zat toch al vervat in het antwoord over wat we goed vinden aan mekaars spelen?”

Een persoonlijke kwaliteit is toch iets anders dan een talent, nee?

(ze denken allebei lang na)

Vreemd dat jullie het moeilijk vinden om iets liefs te zeggen over mekaar.

Opbrouck: “Dat komt wel zwart op wit te staan. Dat is moeilijk.”

Dottermans: “Ik vind het interessant dat je dat vraagt. Ons theaterbestaan is totaal verweven met ons leven, en onze vriendschap is erg gelinkt aan ons werk, maar we zijn echte vrienden, dus moet ik iets beters kunnen bedenken dan: Wim is een toffe gast.

“Ik weet het: zijn talent om bruggen te bouwen. Hij brengt mensen samen. Dankzij Wim heb ik artistiek volk ontmoet dat ik uit mezelf nooit tegengekomen zou zijn. Wim kan sowieso heel goed met mensen omgaan, hij heeft een grote emotionele intelligentie en hij is empathisch.”

Opbrouck: “Els is een open boek, een hele openhartige vrouw. Je weet wat je aan haar hebt, en dat is het soort mensen bij wie ik graag ben. Geen sfinx waar je hoogstens van kan vermoeden wat er in haar hoofd speelt.”

Dottermans: “O, dat zou ik nu zo graag zijn, een sfinx, een totaal mysterieuze vrouw.”

Opbrouck: “Helaas. (lacht) Jij hebt het hart op de tong.”

Jullie zijn allebei hele passionele naturen. Is dat een cadeau of maakt dat het leven lastiger?

Opbrouck: “Ik zou het niet anders willen.”

Dottermans: “Ik evenmin. Passie is ook energie. Ik drijf op beweging en verandering in het leven. Stilstaan vind ik verschrikkelijk, als het te lang duurt toch.”

Opbrouck: “Ik hou niet van halve kracht. Op geen enkel vlak. Ik wil voluit gaan, in wat ik doe en in mijn leven thuis, met het gezin. Die combinatie is niet altijd zo simpel, want in de grond is passie een heel egoïstisch gegeven.”

Dottermans: “Dat is juist. Wie zijn passie volgt, gaat voor datgene wat zijn hart hem ingeeft.”

Opbrouck: “Maar ik krijg mijn werk en mijn gezin almaar beter met mekaar verzoend. Ik dacht vroeger dat ik leven en werk uit mekaar moest houden, maar dat hoeft niet. Sinds ik de dingen meer door elkaar laat lopen, gaat het alleen al daarom beter.”

Dottermans: “Jouw vrouw is geen actrice, dat helpt. Han (Kerkhoffs, ook een acteur, GO) en ik moeten de dingen heel goed verdelen. We mogen om de beurt werk aanvaarden, anders is het niet haalbaar. Want onze kinderen worden groter, maar ze hebben daarom niet minder aandacht nodig.”

Dat klinkt allemaal behoorlijk praktisch en nuchter. Hoe gevoelig zijn jullie aan de donkerte der dingen?

Dottermans: “Heel. Mijn demonen kunnen enorm opspelen en mij naar beneden trekken. Hoe langer hoe meer zelfs. Ik moet daar echt voor oppassen, want ik kan op zulke momenten helemaal wegzinken. Maar ik geraak er altijd wel weer uit. Ik heb ook talent voor vrolijkheid.

“Hoe ouder je wordt, hoe duidelijker de dingen zich aftekenen: je ziet de goeie én de vreselijke dingen helderder. Daarom komen ze ook heftiger binnen. Ik blijf dat het moeilijke vinden aan leven: de balans tussen die dingen bewaken.”

Opbrouck: “Ik ben een echte doemdenker. Als speler gaat het deksel voortdurend van de pot, dat kruipt onder je nagels, onvermijdelijk. Tegelijk is doemdenken ook een vorm van zelfbescherming, een laffe truc: je verwacht het ergste en dan valt het uiteindelijk allemaal nog mee, zoiets.

“Ik merk wel dat de zwarte kant, de achterkant van de dingen, mij sowieso fascineert.”

Dottermans: “Sommige dingen zijn te groot. Daar word ik fatalistisch van. Neem bijvoorbeeld het milieu. Het idee dat onze kinderen met een enorm probleem zullen zitten, maakt mij echt bang.”

Opbrouck: “Of je nu gelukkig of minder gelukkig bent, de wereld staat wel in brand. Kijk naar de documentaire Our Daily Bread van Nikolaus Geyrhalter, over ons consumptiegedrag: ronduit choquerend. Of lees het boek Dieren eten van Jonathan Safran Foer: dat geloof je niet. Maar ook over andere kwesties maak ik mij zorgen: de angst voor mensen en culturen die anders zijn, ons onvermogen om harmonieus samen te leven. Of lees wat er allemaal gebeurd is in de kerk... Op zulke momenten ben ik blij dat wij acteurs zijn. Ik kan mijn zwarte gedachten en mijn duistere krochten kwijt in mijn spelen. Erkennen en benoemen wat in je zit, is ook een manier om ervan af te geraken.”

Dottermans: “Ik probeer mijn eigen stoep te vegen. Doen wat je kunt, zelfs al is dat te weinig om de problemen op te lossen.”

Opbrouck: “Dat, en zo positief mogelijk proberen te blijven. Zoals in de baseline van Aida*: optimism is a moral duty.”

Dottermans: “Zeg dat wij het gezegd hebben.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234