Zaterdag 25/01/2020

‘Wij zijn alleen maar de regisseurs’

Het succes is niet altijd aan de tafelspringers. Niet usual suspects Toyo Ito of Ben Van Berkel wonnen de architectuurwedstrijd rond de Waalse Krook, maar het Gentse bureau Coussée & Goris en het Catalaanse RCR Arquitectes. Geen grote namen bij het brede publiek, maar wel architecten met een sterk oeuvre en een duidelijke visie. ‘Een gebouw moet niet staan schreeuwen: ‘Hé, ik ben hier!’’

Coussée & Goris, het architectenduo achter de ‘bibliotheek van de toekomst’ aan de Waalse Krook in Gent

Deze week opende in de Gentse openbare bibliotheek een expo over het winnende ontwerp van de ‘bibliotheek van de toekomst’. Een ontwerp dat schittert in zijn eenvoud en een mooi contrast vormt met de vaak imposante gebouwen die de vier andere geselecteerde architecten ontwierpen.

Ralf Coussée (49) en Klaas Goris (50) mogen dan geen klinkende namen zijn, in architectenland hebben ze in twaalf jaar tijd wel hun sporen verdiend. Met de renovatie van het Groot Vleeshuis in Gent bijvoorbeeld, of die van de Transfosite in Zwevegem. De bouw van het sportcentrum De Boerekreek in Sint-Jan-in-Eremo leverde hen vorig jaar zelfs de Belgische Prijs voor Architectuur op. En twee jaar geleden kregen ze voor hun hele oeuvre ook al de Vlaamse Cultuurprijs voor Architectuur.

Het is er niet aan te merken. Coussée en Goris hebben iets bescheidens over zich als we hen ontmoeten in de Gentse openbare bibliotheek. Met gedempte stem geven ze uitleg bij hun ontwerp, alsof ze het aanwezige publiek zouden storen. Tot het interview echt begint. Dan maakt de bescheidenheid plaats voor bevlogenheid, en trots. Trots dat ze dit grote project binnenhaalden, het belangrijkste in hun carrière tot nog toe. “De benadering is dezelfde als die bij veel van onze projecten”, legt Coussée uit. “We gaan niet enkel uit van de opdracht op zich. Voor ons gaat het altijd om meer dan louter een gebouw ontwerpen. We kaderen het steeds binnen zijn omgeving. We beschouwen het gebouw dus niet als een object op zich, maar als deel van zijn buurt. Daardoor creëer je een band met de stad. Het gebouw verwerft zijn plaats. Het dringt zijn plaats niet op.”

Goris: “Ze vroegen om een icoon, maar dat vinden wij een begrip uit de vorige eeuw. Het gebouw als een sculptuur, daar geloven wij niet in. Wij vinden dat het gebouw mee een drager moet zijn van de structuren die in een stad of een landschap bestaan. Ook de eenvoud van onze bibliotheek is tekenend. Het is een gebouw dat als een eenvoudige geste is ontstaan. We hebben het opgebouwd uit een aantal elementen die terugkeren. Die herhaling geeft het gebouw ritme en dat is ook een van zijn sterktes.”

In besprekingen van jullie werk komen steeds dezelfde codewoorden voor: sereniteit, nederigheid en authenticiteit.

Goris: “Dat is een reactie op de tijd waarin men architecten nog dwong om hyperaanwezig te zijn. Elke architect moet zijn kasteeltje bouwen, die mentaliteit. Wij gaan terug naar de visie uit de achttiende eeuw. Als je een huis bouwt in een stad moet dat er naadloos in passen. Het moet niet schreeuwen ‘Hé, ik ben hier’. Met een openbaar gebouw met de allure van een bibliotheek van de eenentwintigste eeuw ligt dat natuurlijk iets anders. Dat moet zich op de een of andere manier wel tonen. Het moet een punt vormen in een stad en die stad mee gestalte geven.”

‘Het is nog maar tien jaar dat we met onze projecten ook sociaal iets te vertellen hebben’, zeiden jullie in een interview. Hoe komt dat?

Goris: “Wij geloven in een langzame vooruitgang. Architecten hebben daar vaak problemen mee. Er zijn weinig architecten die zichzelf de tijd geven om hun werk te laten groeien. Wij wilden eerst goed leren bouwen. Op een bepaald moment volstond dat voor ons echter niet meer. Toen zijn we ons meer gaan toespitsen op publieke projecten. Heel bewust. Als je woningen bouwt, blijven die voor het grote publiek onzichtbaar. Je krijgt geen reactie op wat je doet. Dat is anders bij publieke gebouwen. Je krijgt soms kritiek, maar altijd krijg je stof tot nadenken.”

Jullie hebben de reputatie geen tafelspringers te zijn.

Goris: “Nee, we zijn heel omzichtig met ons werk en de manier waarop we het naar buiten brengen. In 2006 hebben we een boek over ons werkuitgebracht en dat is geen monografie. Dat zegt al veel, hé. Het is ook geen salontafelboek. We hebben er echt in willen meegeven hoe wij denken over architectuur en laten zien hoe onze gebouwen functioneren. De subtiele aanpak, alweer.

“Architecten maken een soort huid, een mantel. Op een bepaald moment moeten zij kunnen aanvaarden dat mensen hun gebouwen in gebruik nemen. Het grote probleem vandaag is dat architecten alles willen ontwerpen, tot het laatste schuifje toe, en dat de mensen hun gebouwen ook niet echt meer willen innemen. Het is alsof men vergeet dat architecten niet zelf de ziel in een gebouw kunnen leggen. Dat kunnen alleen de mensen. Daarom lijken heel veel woningen vandaag op showrooms. De architect gaat te ver in zijn ontwerp en de mensen durven hun woning niet meer innemen. Wij zijn heel ongelukkig over de manier waarop het Groot Vleeshuis in Gent er nu bij ligt, maar de prachtige middeleeuwse hal is door onze aanpak wel gered en dat mooie gebouw is weer een echt publiek gebouw.”

Respect voor het bestaande: het is iets wat vaak terugkomt bij jullie.

Goris: “Er wordt te veel afgebroken en te weinig nagedacht over wat je met oude, leegstaande of verkommerde gebouwen kunt doen. Gelukkig is er een kentering merkbaar en ik durf te zeggen dat wij daar pioniers in waren. Het heeft niks te maken met nostalgie. Wij beschouwen een oud gebouw als een soort patina, waarbij het tijdselement in de materie gekropen is. Dat tijdselement is heel belangrijk, omdat je dat nodig hebt als je in een stad wandelt. Je moet kunnen zien hoe die stad gegroeid is.”

Coussée: “Wij voelen ook niet altijd de behoefte om echt iets te maken. Koen Van Synghel schreef over onze renovatie van het Fabriekspand in Roeselare: ‘Je merkt niet dat er architecten geweest zijn.’ Wij vonden dat een compliment. Wij wilden het patrimonium in stand houden en hebben dat met een aantal minimale ingrepen gedaan. Wij zijn maar de regisseurs, niet de acteurs. Wij doen gebouwen functioneren. Bij ons gaat het niet om: ‘Wat een mooie trap’, maar wel om hoe die trap functioneert in het gebouw.”

De nederigheid van de architect, alweer.

Goris: “Het is nederigheid, ja, maar meer dan naar nederigheid zijn wij op zoek naar expressiviteit. Onze gebouwen moeten ‘iets’ hebben, een soort kracht die je niet kunt aanraken.”

Coussée: “Nederigheid is bij ons: weten wanneer je moet stoppen. Bij het Fabrieks"pand hadden we makkelijk meer kunnen doen - meer afbreken en meer nieuwbouw zetten - maar dat hebben we bewust niet gedaan.”

Voor Dubai hebben jullie een nieuw stadskwartier ontworpen. Hoe houd je zoiets authentiek?

Coussée: “Door de crisis is dat project jammer genoeg ‘on hold’ gezet, maar het is inderdaad atypisch in ons oeuvre.”

Goris: “We waren nooit in Dubai geweest en ook toen ik er was, interesseerde de stad me niet. Maar het is net omdat die stad zo lelijk was dat we de kracht vonden om toch aan de architectuurwedstrijd deel te nemen. We wilden tonen dat het ook anders kan. Het is een horizontaal gebouw dat de cultuur van Noord-Afrika interpreteert. Voor ons was de uitdaging dan ook: kunnen wij ook in een andere cultuur opereren? Juryvoorzitter Arata Isozaki, toch niet de eerste de beste architect, schreef in zijn verslag dat hij het bijna niet kon begrijpen hoe het mogelijk was dat mensen die niet uit de islamitische cultuur komen een ruimte hadden gemaakt die de islam zo goed begrijpt. Een ongelooflijk compliment. Ik herlees dat verslag af en toe nog eens (lacht).

“Kijk naar de maquettes die hier staan. Ik zie veel projecten die heel verdienstelijk zijn, maar ze kunnen op eender welke plek staan. Dat willen wij te allen prijze vermijden. Vandaar dat we de plekken waar we bouwen of renoveren zo goed bestuderen. Elk gebouw is gemaakt voor de plek waar het staat en kan niet zomaar worden verplaatst.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234