Zaterdag 23/10/2021

Wij zijn allebei trots, ja

Bijna veertig jaar zijn ze een koppel, en ze spreken min of meer als de neefjes Duck: de ene begint een zin, de ander valt in. Meestal is het Simone die invalt, corrigeert en aanvult, en Jan die zich terugtrekt. Hoffelijk. Zeker nu, het is immers haar moment de gloire. Haar eerste roman kreeg in Vlaanderen de Debuutprijs 2009, uitgereikt door Boek.be, en werd in Nederland genomineerd voor de Academica Debutantenprijs.Als plastisch kunstenaar heeft Jan Vanriet een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan, volgend jaar krijgt hij in het Museum voor Schone Kunsten een grote tentoonstelling, waar hij eigen werk zal confronteren met stukken uit de collectie. Lezers van De Morgen kennen zijn illustraties bij essays in Zeno (zie ook pagina 66 en 67) en zijn stukjes die een tijdlang op de laatste pagina van het dmmagazine verschenen. Want Vanriet is ook schrijver en dichter. Hij begon zijn carrière nota bene als journalist bij Panorama.Was zijn vroege plastische werk vooral licht en decoratief, dan kwam er met de jaren meer diepgang en plaats voor de donkere kanten van het bestaan. Ook de eerste en meteen bekroonde roman van Simone Lenaerts, Zeewater is zout, zeggen ze, schuwt de rauwe kanten van het leven niet. Hij speelt zich af in een Antwerps arbeidersgezin in de jaren vijftig. ‘Over grote idealen, kleinburgerlijkheid en de warmte van taal’, zo staat er op de omslag. Thema’s die Lenaerts en Vanriet allebei raken.

De prijs voor het beste debuut krijgen op je 62ste, dan mag je een laatbloeier heten.

Simone: “Ik ben mijn hele leven bezig geweest met schrijven, maar nooit met het idee om te publiceren. Door een aantal praktische omstandigheden - ik werkte, er waren drie kinderen, mijn leven met Jan - heb ik me nooit geconcentreerd op een tekst die echt een boek zou worden. Beneden liggen stapels schriftjes die ik ooit heb volgeschreven en ik heb er ook al veel weggegooid. Ik heb ooit een roman geschreven, nog op zo’n oude Commodorecomputer, en een printer waar het papier in viervoud uitkwam. Je moest de exemplaren losmaken door er opzij een strookje af te scheuren. Ik had die laten inbinden, telkens in twee delen, anders werd het te dik. Bij de grote schoonmaak dacht ik ‘één exemplaar is wel genoeg’ en heb ik twee bundels weggegooid. Toen bleek dat ik twee dezelfde delen had weggegooid, zodat ik nu nog twee exemplaren bezit van een halve roman van twintig jaar geleden. (lacht) Maar onlangs heb ik er weer eens in zitten lezen, en ik vind er toch stukken in die niet zo slecht waren. Maar het is moeilijk om zelf te oordelen, en ik heb mijn schrijfsels nooit aan iemand laten lezen.”

Ook niet aan Jan?

Jan: “Ik heb van Zeewater is zout, zeggen ze pas de definitieve proef gelezen, een tiental dagen voor het boek in druk ging. Met heel veel angst. Het was fundamenteel voor me dat ik het manuscript niet zou lezen, want indien ik kritiek zou hebben was dat fnuikend geweest. Heel waarschijnlijk had Simone dan haar hoofd laten hangen, en daarom wou ik me er niet mee bemoeien. Ik heb zelf een heel andere stijl, en ik ben ook al geen romanlezer. Ik bleef er dus beter ver van.“Zelfs toen het bericht kwam dat De Geus het wilde publiceren heb ik nog gewacht, werkelijk tot de allerlaatste fase. Simone had zoveel research gedaan, en ik wou toch wel even checken of alles klopte. Uiteindelijk bleek dat wel nuttig, ik heb er namelijk een neus voor om op inhoudelijke fouten te vallen, zoals een onmogelijke datum of een verkeerde architect. Zo heb ik gezien dat Simone de leider van het koor van het Rode leger een verkeerde naam had gegeven. Taalkundig moeide ik me echter niet, want daarin is Simone veel sterker.”Simone: “Ik ben altijd schooljuffrouw geweest en gedrild om foutloos te schrijven. Maar zelfs dan is het goed dat er nog iemand van de uitgeverij overheen gaat.”

In recensies noemde men je taal ‘een ballet van woorden’.

Simone: “Aanvankelijk had ik het geschreven vanuit het perspectief van de verteller. De schrijver is degene die alle touwtjes in handen heeft en die de dingen laat gebeuren. Ik was al heel trots dat ik erin geslaagd was om iets van a tot z af te ronden. Ik heb het boek maanden laten liggen, maar ik had het gevoel dat ik er geen afscheid van kon nemen. Toen dacht ik: er zit tenslotte niemand achter me aan, ik ga proberen het op een filmische wijze te vertellen. Ik wou bijvoorbeeld aangeven hoe die mensen elke avond in dat huisje zaten, dat claustrofobische, zonder het echt te beschrijven. Ik denk dat het een beetje de invloed is van mijn zoon Bram, die is filmregisseur. Als we samen naar een film van Ken Loach zaten te kijken - dat is een beetje diezelfde sociale achtergrond als in mijn boek - maakte hij mij er attent op hoe er wordt ingezoomd op een rekwisiet, zonder dat je als kijker weet waarom. Pas later in de film blijkt het een functie te hebben. Er wordt bijvoorbeeld gefocust op een pak Tampax. Dan weet je: ja, het gaat over een vrouw die geen kinderen kan krijgen, ze heeft weer haar regels, het is weer eens mislukt. Dat moet je zelf aan elkaar knopen, zonder dat het wordt gezegd. Zo ben ik ook trucs gaan zoeken, bijvoorbeeld de man die zegt ‘de lampenkap hangt vol stof’ en ‘zie daar haar Oost-Indische vaasjes staan’. Op het einde van de avond, als ze naar bed gaan, weet je als lezer hoe ze wonen, zonder dat je het moet vertellen. Zo heb ik ook elk personage zijn eigen taal laten spreken. Ook dat vertelde iets over hen, zonder dat ik het moest uitleggen.“Met die fase ben ik nog langer dan een jaar bezig geweest, en daar heb ik veel plezier aan beleefd. Het was niet altijd simpel, want het mocht niet gekunsteld overkomen. Maar al schrijvende kwamen er ook steeds nieuwe herinneringen boven.”Jan: “Simone heeft het geheugen van een mammoet. Ze herinnert zich heel scherp data, plekken, mensen, hele gesprekken. Vandaar dat ze zulke sterke dialogen neerschrijft. Je kunt er zo de planken mee op. Ik heb dat niet. Bij mij gaat het het ene oor in, het andere weer uit. Mij moet je op weg helpen vooraleer iets begint te dagen. Ik delete. Simone herinnert zich verpakkingen, interieurs, specifieke handelingen, bijvoorbeeld hoe men vroeger de was deed. Maar dan ook in alle details, van naaldje tot draadje. Aan de reacties op haar boek kon je uitmaken dat ze ook bij heel veel van die lezers de schuif met herinneringen had opengetrokken, hoe die in gedachten zelfs de geuren uit hun jeugd opsnoven. Simone had daarvoor geen research nodig, dat borrelt maar naar boven.”Simone: “Ik wou vooral dat er een soort naturel van uitging. Toen ik dat spelletje volbracht had, heb ik het manuscript opgestuurd.”

Als Simone Lenaerts, terwijl je al vele jaren door het leven ging als Simone Vanriet.

Simone: “Ik heb het inderdaad onder mijn meisjesnaam naar De Geus gestuurd, niet naar de Bezige Bij, omdat we daar te veel mensen kennen. Eerst dacht ik nog dat er met de naam Vanriet misschien sneller een licht zou opgaan, maar uiteindelijk is het iets van mij, Jan heeft er niets mee te maken. Men hoefde niet te weten dat ik de vrouw van Jan was. Psychologisch was dat beter.”

Volgende week wordt in Antwerpen je tweede roman Spinnenverdriet gepresenteerd, samen met werken en een boekje van Jan over Jef Van Extergem, de communist.

Jan: “Jean Van de Sande, die restaurant-galerij De Rode 7 in Antwerpen openhoudt, is een vriend van mij. Hij kent nogal wat mensen uit de kunstwereld. Jan Fabre heeft er al geëxposeerd, Panamarenko ook, en nu was het aan mij. Ik heb speciaal een aantal werken gemaakt over de wereld van Jef Van Extergem. In plaats van een catalogus hebben de mensen van De Rode 7 een fantastisch schoon boekje samengesteld met documenten uit het archief van de Kommunistische Partij en documenten die we hebben gekregen van het Letterenhuis. Die waren aan het verpulveren en nu zijn ze gereproduceerd en bewaard voor de eeuwigheid. Het milieu van dit boekje over Jef, van de twee romans van Simone en van mijn laatste tentoonstelling liggen in wezen heel dicht bijeen.”

Is dat ook het milieu waaruit jullie afkomstig zijn?

Simone: “Wij komen allebei uit een antiklerikaal milieu. Ik ben atheïstisch opgevoed met een communistische vader, we gingen naar het officieel onderwijs, wij zaten in de socialistische turnkring, waarna we samenkwamen in het Volkshuis. Mijn vader was geen vakbondsafgevaardigde of zo maar wel een overtuigde communist. Discussies over politiek waren er thuis niet echt, maar hij reageerde wel luidop op dingen die hij in het radionieuws hoorde. De manier waarop hij commentaar gaf, alsof hij tegen de muren sprak, dat is altijd in mijn oren blijven hangen. Bijvoorbeeld toen Foster Dulles stierf (Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken onder president Eisenhower in de jaren vijftig, AG), begon mijn vader - die eigenlijk een triestige mens was - ineens in het rond te dansen en ‘hoera hoera’ te roepen. Mijn jongste broer zei me: nu ik dat boek lees, hoor ik mijn vader weer spreken.”

Die hele achtergrond van socialisme, communisme en verzet hebben jullie gemeen en duikt op in het werk van jullie beiden.

Jan: “Natuurlijk. Ik vind dat een belangrijk gegeven. Als je een mening hebt, moet je daar voor uitkomen. Of je nu schildert of schrijft, je moet dat op de goede manier doen. Het mag niet vrijblijvend zijn, maar toch ook geen pamflet worden. Ik ben altijd zeer geïnteresseerd geweest in de avant-gardekunst van de jaren twintig, die ook maatschappelijk avant-gardistisch was, links dus. Wat me boeit, is hoe die bevlogen ideeën ontspoord zijn, en hoe heel veel mensen vandaag met een kater zitten. er is een gebrek aan ideologisch perspectief. “In de jaren twintig was er iets raars, je had linkse mensen die ook geweldig Vlaams-nationalistisch waren. Jef Van Extergem had een grote sympathie voor August Borms, die toen nog niet de grote collaborateur was die hij later zou worden. Van Extergem is in de Tweede Wereldoorlog zelf in het verzet gegaan, opgepakt, naar een concentratiekamp gevoerd en niet meer teruggekomen. (Vanriets ouders zaten ook in het verzet, en werden weggevoerd, een thema dat in zijn werk herhaaldelijk terugkeert, ag).“Wat er in de Rode Zeven gaat gebeuren, daar past het boek van Simone perfect in. De Club Jef Van Extergem komt er zelfs in voor. Wanneer de Suezkwestie ter sprake komt, zegt de vrouw: ‘Hij moet weer naar ’t Sint-Jansplein.’ Daar was dus het lokaal van de Kommunistische Partij.”

Hoe hebben jullie elkaar leren kennen?

Simone: “Op 17 februari 1968 in de Sint-Mathijs.”Jan: “Ik had daar afgesproken met een kameraad van de SJW (Socialistische Jonge Wacht, ag) en plots kwam daar een soort indiaan binnen.”Simone: “Ik had toen heel lang, zwart haar, in twee staartjes.”Jan: “We hebben de eerste keer gezoend in De Mok. Ik zat in het eerste jaar van de academie, Simone was afgestudeerd aan de normaalschool.”Simone: “Als je in die tijd je diploma had, was je klaar om te trouwen en kinderen te krijgen. De meeste meisjes van mijn klas leerden dan een onderwijzer kennen en trouwden. Ik wist dat Jan nog drie jaar te gaan had en thuis zou blijven wonen. Thuis was het bij mij niet echt gezellig en mentaal had ik er niet genoeg aan om voor de klas te staan. Omdat ik altijd graag toneel gespeeld heb, ging ik daarnaast cursussen volgen aan het conservatorium. Ik kreeg er onder andere les van Jet Naessens en Luc Philips, en toen ik er pas drie maanden zat, botste ik op straat op Jet, die zei: ‘Jou heb ik nodig!’ Ze nam mij langs de artiesteningang mee naar binnen in de KNS. Dat was toen nog een monument, en naar die acteurs keek je ontzettend op. Voor een stuk dat Hugues C. Pernath had vertaald hadden ze een jong meisje nodig voor de hoofdrol. ‘Deze hier moet die rol spelen’, zei Jet. Ik ben toen totaal in paniek geslagen. Ik had mijn job moeten opzeggen, maar dat geld had ik nodig. Uiteindelijk heeft Frieda Pittoors de rol gespeeld. Toen heb ik voor mijzelf gezegd: als je deze kans niet grijpt, betekent het dat het niet echt is. Indien je ambitie zou hebben om in het theater verder te gaan, dan had je deze kans met twee handen gegrepen en alles ervoor laten vallen.“Zo denk ik ook over schrijven. Als je iets wilt doen, doe het dan. Je moet niet zeggen: ik heb het niet eerder kunnen doen, want ik had werk en een gezin, dat is eigenlijk bullshit. Jarenlang heb ik met het latente gevoel geleefd dat het ooit zou gebeuren.”

Wat schreef je dan?

Simone: “Geen sprookjes. Als kind zag ik soms een foto in de krant staan, en daar begon ik zinnetjes rond te schrijven. Wat ik ook altijd graag deed, was opstellen maken. In de normaalschool kregen we in het begin van de maand een titel, en moesten we op het eind een opstel afgeven. De meesten vonden dat een verschrikkelijke calvarietocht, ik deed het graag. Op ministerpapier, weet je nog? Van die grote, gelijnde bladen, met een marge van zeven centimeter om de verbeteringen in te schrijven.“Weet je trouwens dat ik eens een prijs heb gewonnen bij De Morgen? Er was een verhalenwedstrijd uitgeschreven en jij zat in de jury. Wij kenden elkaar en om je niet in verlegenheid te brengen heb ik mijn verhaal over Haarlem door een vriendin laten insturen, onder haar naam. Want als je het goed had gevonden, was het vervelend voor jou, en als het slecht was ook.”Jan: “En daardoor kom jij onrechtstreeks in de aanhef van Spinnenverdriet, de tweede roman. (leest voor) ‘Linda schrijft voor het dagblad De Dageraad een verhalenwedstrijd.’“Die roman gaat over drie vrouwen, maar ook over veel meer, over moederliefde, politieke overtuigingen, kinderwens, religie... Er gebeuren vreselijke dingen in. Toen ik het uit had, was mijn eerste reactie: ik zit hier wel met een zieke geest in huis. (lacht) Het is een echte Griekse tragedie. Het gaat over mensen die seksueel niet aan hun trekken komen, over mensen die geweldig aan hun trekken komen, er zit een enorme wraakzucht in. Het is de kroniek van een aangekondigde moord.”Simone: “Het is een heel geconstrueerd boek. Het verhaal is gebaseerd op ware feiten, iets waarmee ik in aanraking ben gekomen, dat al jaren in mijn hoofd speelde en dat ik wou verwerken. Maar hoe? Ik wou geen novelle schrijven over een moord, maar weten hoe het zo ver was kunnen komen. Daarom had ik die twee andere vrouwen nodig. Het zijn allemaal facetten van mij en hun verhalen zijn gesponnen rond dat van de eerste. Daardoor komen verschillende kringen aan bod. Er zit bijvoorbeeld een passage in over hedendaagse kunst - je schrijft natuurlijk altijd over wat je kent - en ik heb me gebaseerd op het type West-Vlaamse industrieel die zich financieel ontwikkelt en dan ineens kleren van Yamamoto gaat dragen en kunst begint te verzamelen.”Jan: “Ik wist niet dat Simone daarover kon schrijven, maar ik moet toegeven dat ze op een prachtige manier een vernissage heeft beschreven.”Simone: “Maar er komt ook vierde wereld in voor. Het feit dat ik jaren in gevangenissen heb rondgelopen...”

Hoezo?

Simone: “Het boek is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Op een zeker ogenblik werd ik van nabij geconfronteerd met een moordzaak. Dat heeft mij enorm aangegrepen. Ik stelde vast dat ik op een of andere manier begrip ging krijgen voor de dader. Als gevolg daarvan wou ik mensen in de gevangenis helpen en heb ik me kandidaat gesteld als moreel consulente, met de intentie om die mensen te helpen. Dat heb ik een jaar of twee, drie gedaan, en elke week praatte ik met ‘mijn’ gevangenen, maar op de duur kreeg ik gewetensproblemen, Aanvankelijk waren dat sukkelaars die een klein vergrijp hadden gepleegd. Maar op de duur kreeg ik te maken met zware gevallen, die me soms probeerden te manipuleren en die soms zo met zichzelf bezig waren in de gevangenis dat ze de schuld gaven aan het slachtoffer. In die periode werd er bij mij borstkanker vastgesteld, en als je zelf problemen hebt, is het niet ideaal om anderen te helpen. Toen ben ik ermee opgehouden.”

Uit uw beider werk spreekt een groot engagement. Heeft zich dat ooit in actieve politiek vertaald? Ben je nooit aangezocht, Jan?

Jan: “Eén keer, toen de PVV overging in VLD, hebben ze me gevraagd om naar een vergadering te komen, als verruimingskandidaat. Daar heb ik beleefd voor bedankt. Ik hou niet zo van dat ‘verbreden’ met mensen die bekend zijn omdat ze in een of ander televisieprogramma hebben gezeten.“Ik ben wel heel even actief geweest in de SP van Hoboken, maar heb daar een serieuze aanvaring gehad met iemand die me op een partijvergadering compleet heeft afgemaakt. Als dit het partijleven is, dacht ik, laat het dan maar aan mij voorbijgaan. Sindsdien loop ik er met een grote bocht omheen.“Ik heb wel in de periferie gewerkt, heb in de redactie gezeten van Links, het weekblad voor een strijdend socialisme, ik heb ooit geschreven voor De Nieuwe, ben gevraagd om mee in de groep van De Nieuwe Maand te stappen. Ik vind politiek ontzettend boeiend, maar ik weet dat het niets voor mij is. Ik zou eraan ten onder gaan. Ik heb daar geen karakter voor, ben er niet weerbaar genoeg voor.”Simone: “Jij bent soms wat te oprecht en te naïef. Het moet bij Jan al heel erg zijn voor hij doorheeft dat iemand slechte bedoelingen heeft. Misschien komt dat door mijn jeugd, maar ik ben nooit argeloos geweest. Als kind zat ik altijd in een soort oorlogssituatie, waardoor ik het sneller dan Jan ervaar wanneer er dingen worden gezegd die slecht bedoeld zijn. Ik heb hem toch al een paar keer op iets gewezen.”

Hoe kijken jullie dan naar de huidige politieke toestand in Antwerpen? De Lange Wapperaffaire, om maar iets te noemen?

Jan: “Ik vind het pure volksverlakkerij om de Antwerpenaar op te roepen om te stemmen over iets waarvan hij technisch niets begrijpt. Je moet de modale Antwerpenaar, die nog geen plan van een huis kan lezen, daar zijn gedacht niet over laten zeggen. Dat is vaandelvlucht van de politiek. Er is al een volksraadpleging geweest. Drie jaar geleden hebben wij verkiezingen gehad voor de gemeenteraad en het was toen al een issue. Intussen hebben we verkiezingen gehad voor het Vlaams Parlement. Wij hébben ons al kunnen uitspreken. We hebben de verantwoordelijkheid gelegd op de schouders van onze mandatarissen en die hadden niet de hete aardappel moeten doorschuiven en zich verschuilen achter het oordeel van mensen die er geen fluit van afweten en zich laten opjutten door actiegroepen en door de BAM. Als je het mij vraagt, kies ik voor een brug, maar intellectueel denk ik dat een tunnel beter is.”

Jan, ben je trots op Simone?

Jan: “Ja, ik vind het fantastisch wat ze heeft gedaan. Ik weet ook dat het niet afgelopen is. Met die eerste roman denken ze nog: dat madammeke moet haar ei kwijt, ze heeft het gelegd en het zal nu wel afgelopen zijn. Maar nu ligt nummer twee er al en aan de derde is ze volop bezig. Het is een fantastisch thema, iets wat weer totaal buiten deze staat.”Simone: “Ik ben al mijn hele leven trots, dan mag hij nu ook wel eens zijn.”

En Jan, ben je niet gefrustreerd dat zij dag en nacht met haar boeken bezig is?

Simone: “Dag en nacht, kom...”Jan: “Simone, jij kunt toch om negen uur ’s morgens beginnen en doorwerken tot een uur of elf ’s avonds of tot twee uur ’s nachts.“Ik zit hier ’s avonds eenzaam naar filmpjes te kijken op tv, terwijl zij haar uren klopt. Ik vond het heel handig dat er beneden iemand zat te tikken. We hebben een vriend die zou zeggen: als ze dat doet, doet ze geen ander kwaad. (lacht)”Simone: “Maar toen ik telefoon kreeg van De Geus was het wel een kick hoor! Ik had mijn tekst ingestuurd in de overtuiging dat ik vier, vijf maanden later een beleefd briefje zou krijgen. Met het eerste boek had ik niet het gevoel dat ik een roman aan het schrijven was. Ik stuurde het manuscript op met de gedachte: als ze het weigeren stuur ik het nog naar drie, vier andere uitgeverijen, zeker niet meer. Ik zou me erbij neergelegd hebben dat ik het niet kon. Ik ben daar heel nuchter in, ik zou niet depressief of chagrijnig geworden zijn. Met de tweede was het al anders, psychologisch werk je niet meer op dezelfde manier. Je beseft dat je aan een object bezig bent dat waarschijnlijk uitgegeven zal worden.”

Simone, het was niet zo dat je jezelf ‘het aanhangsel van de kunstenaar’ voelde en eindelijk zelf eens iets wou realiseren?

Simone: “Neen, ik heb mij nooit ‘de vrouw achter de kunstenaar’ gevoeld, ik was nooit gefrustreerd. Ook zonder het schrijven had ik altijd mijn eigen leven.”Jan: “Kijk, ik krijg hier net een sms’je: Gefeliciteerd mijnheer Lenaerts. (lacht) U hebt veel geld verdiend.”Simone: “Ik heb het altijd leuk gevonden dat ik getrouwd was met een boeiende mens. Stel je voor dat ik op een van onze bals in de Billiard Palace verliefd was geworden, dan was ik waarschijnlijk een getrouwde onderwijzeres, en waarschijnlijk al twintig jaar gescheiden. Het leven met Jan is alleen maar een surplus geweest, het heeft mijn leven een extra gegeven. Jan heeft altijd zijn eigen zaken geregeld, ik ben nooit zijn secretaresse geweest - wat hij nu wel is voor mij. Hugo (Claus, AG) schreef boeken, punt uit. Veerle moest al de rest doen. Dat was hier niet zo. Jan heeft zijn zaken zelf beredderd. “Wat ik wel mee doe, zeker de laatste jaren, is de accrochage. Daar heb ik een goed oog voor.”Jan: “Ze reikt me goeie researchideeën aan, omdat ze weet waarmee ik bezig ben en wat ik zoek. Ik heb ook graag dat Simone meegaat als we een tentoonstelling voorbereiden. Ze is een klankbord.”Simone: “Ik heb natuurlijk bewondering voor zijn werk, maar ik durf ook kritiek te geven, ik sta niet in beate adoratie.”Jan: “Meestal ben ik het met haar eens, want vaak merkt ze iets op waaraan ik zelf twijfel. Het is het nuttig dat iemand je in zo’n geval over de meet trekt. Dan heb ik maar een paar dagen voor niets gewerkt. Het gebeurt maar zelden dat ze absoluut fout is en dat ik zeg: ‘Mens, je begrijpt er niets van.’ En dan blijf ik ook op mijn stuk staan.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234