Zondag 27/09/2020

‘Wij, gebronsde helden vol testosteron, waren elke zomer klaar voor de strijd’

‘De haven was ons venster op de wereld’, vertelt presentator Kurt Van Eeghem over zijn wonderjaren in Zeebrugge. ‘Tijdens de spannende jaren zestig zette de wereld zijn deuren open, en in Zeebrugge tochtte het toen heel fel.’

Presentator Kurt Van Eeghem (57) groeide op in Zeebrugge

“Ik heb in Zeebrugge gewoond tot ik op mijn 18de naar Studio Herman Teirlinck trok in Antwerpen. Natuurlijk kwam ik geregeld terug. In eerste instantie met mijn vuile was, in tweede instantie voor het lekkere eten van mijn moeder. In derde instantie, en intussen steeds meer, voor de zee. Als ik naar de kust ga, is het ook alleen maar naar Zeebrugge, op zoek naar de smaak van mijn jeugd. Letterlijk ook. Als kind ging ik met de buurman mee garnalen vissen om die dan van deur tot deur te verkopen. Die versheid vergeet je nooit.

“Oostende kan ik ook wel appreciëren, maar dan wegens het stadsgevoel. Al heeft Zeebrugge ook wel iets dat in kleine mate vergelijkbaar is. Toen ik er opgroeide, was de haven er al, zij het niet zo groot als nu. Die verruimde onze blik op de wereld. Engeland was vlakbij, je kon er met de boot naartoe. Wij zagen ook vaak mensen van andere origine. In West-Vlaanderen had men nog nooit een zwarte gezien, wij wel. We kregen de blues te horen, beleefden de Beatles bijna zoals de Engelsen. Het is niet voor niets dat zoveel muzikanten hun roots in Zeebrugge en omgeving hebben. Met gitarist en producer Jean-Marie Aerts ben ik opgegroeid, en ook Paul Couter - met wie Arno later Tjens Couter en TC Matic oprichtte - was een vriend van me.”

“Het waren de jaren zestig, de wereld zette zijn deuren open en in Zeebrugge tochtte het toen hard. Spannende tijden waren dat, waaraan ik waanzinnig goede herinneringen koester. Met de tram gingen we naar het casino in Knokke, waar ik Jacques Brel nog zag optreden. Of naar Blankenberge, waar ik jaren lang de belichting van jazzoptredens heb verzorgd. Of ik ging mee helpen met het schilderen van Brels boot, die dan om vier uur een oranje fles Veuve Clicquot opende en zei: ‘En menneke, drinkt ge mee of mag dat niet van thuis?’ Uiteraard zei ik ja. Zoiets maakte je in Lissewege niet mee, hoor.

“Met de polders heb ik geen band. Daar reed je doorheen met de fiets. In de polders zaten de boeren tot over hun enkels in de klei. Hoewel het er prachtig is, had ik daar als kind niets te zoeken. Nee, dan liever het strand, de open zee en de boten, en de meisjes die jaarlijks uit het binnenland werden aangevoerd. Wij, de jonge gebronsde helden vol testosteron waren elke zomer klaar voor de strijd. Nu nog moet ik één keer per jaar op het strand liggen, bij Simone, die er stoelen en zeilen verhuurt. Met haar ga ik dan even bijpraten, dan weet ik weer wat er gebeurd is. Meestal is dat niets. (lacht)”

“Hét Zeebrugge bestaat niet. Zeebrugge is eerder een vreemde melange van een industriële haven, een vissershaven, een kleine dorpskern en een badstad. Dat maakt daar opgroeien heel dubbel. Je bewoog je tussen het mondaine en het volkse, wat toch wel uitzonderlijk was. Ook dé Zeebruggeling kun je moeilijk definiëren. Je had er die met hun gezicht richting polders leefden. Dan waren er de vissersfamilies, met hun door zout en wind gekliefde gezichten en hun weltschmerz, want allemaal hadden ze wel iemand verloren aan de zee. In de strandwijk woonden dan weer de echte kustmensen. En dan heb je natuurlijk de mensen van de industrie.

“Die haven is een artificieel gegeven, die begon als een puist op onze 67 kilometer lange kustlijn en intussen een flinke zweer is geworden, waar tonnen en tonnen goederen passeren. Het is wel sterk dat hij in iets meer dan honderd jaar tijd van niets is uitgegroeid tot een economisch complex gegeven.

“Al heeft de haven op meer dan één manier zijn plaats in de geschiedenis verdiend. Op 23 april viert Zeebrugge nog jaarlijks St George’s Day, waarbij herdacht wordt hoe een Britse vice-admiraal in 1918 een aantal boten tot zinken bracht om de Duitse duikboten het uitvaren te verhinderen. Het is een feest dat ik in mijn jeugd geen enkele keer gemist heb. De fanfares, de Britten met hun medailles... Als klein jongetje luisterde ik dan ook met grote oren naar de verhalen van heldenmoed die mijn grootvader vertelde... Zeebrugge in die tijd, dat moet enorm geweest zijn.”

Om het havengebied van Zeebrugge met de wagen te betreden moet je toestemming vragen, maar je kunt er 50 kilometer rijden. Op het einde sta je 5 à 6 km in de zee. Op grond die er tien jaar geleden nog niet was. Indrukwekkend.

Waar nu de Zeesluis is, waren vroeger de bosjes van Heist. Het is de plek waar we vroeger gingen spelen, maar de bosjes zijn intussen verdwenen. Voor mij dus een beetje het Terug naar Oosterdonk-gevoel...

Onmiskenbaar een charmante plek, waar weliswaar geen vis meer wordt verhandeld, maar waar je wel nog oude visserscafés vindt.

De allereerste strandstoelverhuurplaats die je tegenkomt aan de Zeedijk als je van het station komt, is een historische plek. Daar verzamelden de jongeren vroeger, ze hingen er rond en maakten muziek. Ik heb heel wat grote talenten op die plek weten beginnen.

De kok van ’t Pakhuis was 25 jaar lang visser voor hij dit restaurant begon. Hier vind ik de smaken van mijn jeugd terug. Authentiek, gewoon de vis in de pan, zoals moeder dat vroeger deed.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234