Zondag 26/06/2022

'Wij doen aan schaarstebeheer'

Waarom het minst avontuurlijke en meest gereglementeerde land van Europa (na Luxemburg en Zwitserland) zich tot hoger doel heeft gesteld in de sport bij de beste tien van de wereld te behoren. En waarom ze meer medailles zullen winnen dan de negentien van Atlanta. Hans Vandeweghe - acht jaar aan het werk in de Nederlandse sport - ontleedt het sportpoldermodel van onze noorderburen.

Hans Vandeweghe

Dat Nederland niet avontuurlijk zou zijn, is niet helemaal waar. Nederland heeft twee gezichten.

Enerzijds krijg je een boete bij 104 waar je 100 mag rijden, anderzijds kun je je in de grootsteden suf spuiten op kosten van de overheid.

Enerzijds hangen op elke hoek snelheidscamera's, anderzijds is de verkoop, het bezit en gebruik van radardetectors toegelaten.

Enerzijds hangt overal in Nederland een kruidenrekje in het keukentje, staat er een kaboutertje in het tuintje (dat wij koertje zouden heten, zo klein is het) en hangen er nette gordijntjes voor de ramen. Anderzijds ontvlucht de Nederlander bij voorkeur per sleephut en door ons land twee tot drie keer per jaar massaal zijn formicahuisje om ergens anders als een nomade te gaan leven.

Waarom Nederland zo graag aanvalt, vroeg ik in 1986 aan de voetballer Johan Cruijff. Over zijn antwoord hoefde hij niet na te denken: "Omdat wij in de geschiedenis een tijdlang hebben geheerst over de wereld."

Wat Cruijff zegt, daar is iets van.

Maar het klopt ook niet helemaal. Nederland speelde vergeleken bij België saai, lomp en brutaal voetbal, tot diep in de jaren zestig Johan Cruijff opstond bij Ajax en die Rinus Michels als coach kreeg. Michels was een schopper geweest als voetballer, maar had intuïtief verstand van teambuilding en wilde zijn getalenteerde voetballers bij Ajax de vrijheid gunnen om een nieuw soort voetbal te ontwikkelen: totaalvoetbal. Hard in de verdediging, wervelend in de aanval, met vaste posities en aanverwante taken, maar zonder vaste bezetting en gebaseerd op tactisch meedenken en techniek. Eén van de theorieën die het voetbaltechnische overwicht van de Nederlander mede verklaren, is de planmatige aanleg vanaf de jaren vijftig en zestig van mooie egale grasveldjes in elke gemeente, later gevolgd door sporthallen en zwembaden. Dat alles binnen de strakke ruimtelijke ordening die Nederland zo onderscheidt van België.

In het voetbal van Michels mocht iedereen doen wat hij wilde, als het hogere doel en het concept maar overeind bleef. Die vrijheid werkte en Nederland ontwikkelde een eigen voetbalcultuur die de wereld zou veroveren.

Hoe een klein land toch groot kon zijn.

De Nederlander in de geschiedenisles om de oren geslagen met de Gouden Eeuw en de koloniale avonturen maar in de realiteit van het dagelijkse nieuws geconfronteerd met de mediocriteit van zijn land in de zich ontwikkelende globale wereld en Europa genoot.

Het Oranjegevoel bestond allang, met prinsjesdag bijvoorbeeld, maar nam pas de absurde vormen van vandaag aan toen in1988 Oranje de beste van voetballend Europa werd. Meer nog dan het veroveren van de titel ten koste van Rusland was de plek waar dat gebeurde belangrijk: in Duitsland, het Europese land waar Nederland het meeste mee gemeen heeft, maar dat willen de Nederlanders niet geweten hebben. Meer nog dan de plek was het de halve finale tegen Duitsland die in het geheugen werd gegrift: 1-2, beslissende goal van Van Basten, op die dag heilig verklaard.

Het was schrikken toen het Nederlandse volk vorig jaar niet die wedstrijd tot Sportmoment van de Eeuw uitriep maar de olympische volleybalfinale van 1996 die Nederland met 3-2 won van Italië. Volleybal, B-sport, klopte voetbal. Het kwam door de kleur van en het verhaal achter de medaille. Dat de Nederlandse sportfan voor het volleybalgoud koos, zegt veel, zo niet alles over de manier waarop topsport in Nederland tegenwoordig wordt beleefd en de plaats die het inneemt in de maatschappij.

Ooit was het anders. "Nederland is een slecht land voor topsport", concludeerde Sport International in 1982. Tien jaar later sprak wisselslagwereldkampioen zwemmen Marcel Wouda: "Ik moet hier weg, hier is geen ruimte voor topsport." Vier jaar later had hij totaal andere teksten: "De situatie is drastisch veranderd. Ik kan nergens beter zijn dan hier."

De denkomslag kwam halfweg de jaren tachtig. Tot dan werd aangenomen dat door het calvinisme de Nederlander niet wilde/mocht excelleren in lichamelijke oefening. Dat fabeltje wordt ook vandaag nog bij elke misser opgedist. Sportminnend Nederland begrijpt maar niet dat wie zijn nek uitsteekt en naar het hoogste mikt, ook wel eens op de bek kan gaan. Of - in het extreme geval - vijf penalty's kan missen in één wedstrijd.

Het begrip voor de topsportbedrijvende landgenoot die het wereldtoneel bestormt, is tegenwoordig erg groot in Nederland. Topsport heeft er, net als in Frankrijk en Engeland, nationalistische trekjes gekregen. De Nederlandse topsporter pronkt met het oranje, de driekleur en de tulpen op de olympische uitrusting. Een Belg die in een trainingspak met azalea's door Sydney zou moeten lopen, bedankt voor zijn selectie.

Nederland stelt in de wereld niet veel voor. Op Europees vlak scoort het niet slecht met drie bedrijven (Shell op drie, Unilever op zeven en Philips op zestien) in de toptwintig, maar politiek komt Nederland er niet aan te pas. De vaudeville rond de aanstelling van Duisenberg als baas van de Europese Bank doet de Nederlander erg veel pijn.

Sport is voor de Nederlander een metafoor voor de verloren gegane glorie en het (vermeende) gebrek aan respect waarmee Europa en de wereld het kleine grote landje aan de Noordzee bejegent. Nederland wil nu de eerste zijn, de beste zijn en legt zich niet bij voorbaat neer bij de suprematie van de grote landen of het zou de VS moeten zijn. En nu het clubvoetbal van zijn pluimen laat, zijn ook de andere sporten ineens belangrijk geworden.

Toen Nederland in 1987 op het EK in België kwam volleyballen, wonnen ze met veel moeite van België. Vijf jaar later waren ze tweede van de wereld. Dat bleven ze tot in 1996. Toen werden ze eerste van de wereld. Het Bankras-model, genaamd naar de hal in Amstelveen waar een twintigtal volleyballers zich onder een despotische trainer jaren het lazarus trainden, is een goed voorbeeld van het sportpoldermodel.

De eerste generatie Bankrassers werd al snel verdreven door de tweede generatie onder aanvoering van ene Ron Zwerver. In 1990 ontstond herrie en een aantal spelers koos voor de vrijheid en het geld. Ron Zwerver niet. Die bleef. Hoewel hij bij het volleybalteam van Berlusconi in Milaan een half miljoen dollar (22,5 miljoen frank of 557.760 euro) kon verdienen, koos hij voor de 50.000 frank (1.239 euro) per maand van een bijna failliete bond en vooral voor het model. Hij werd daardoor bijna onsterfelijk populair in Nederland. Uiteindelijk zou hij na het olympische zilver van Barcelona toch naar Italië gaan (bij Benetton, ook niet mis als het op betalen aankomt) en olympisch kampioen worden met Nederland. Dat uitgerekend de bewaarder van Het Model de laatste bal sloeg, heeft er toe bijgedragen dat de gouden finale van De Lange Mannen in Atlanta 1996 het Sportmoment van de Eeuw werd.

Dit jaar liep het iets minder goed en Nederland vroeg zich collectief af of het slecht had gekozen. De volleyballers konden zich pas in laatste instantie en na een cadeau van de internationale bond voor Sydney plaatsen. Sportminnend Nederland-op-oranje-klompen reageerde zoals zo vaak bij nederlagen: na de ontgoocheling, de verdringing. "Laten we het daar niet meer over hebben", in tegenstelling tot bepaalde landen waar het een nationale sport is om zo vaak mogelijk met de nationale onkunde te spotten.

Het Nederlandse volleybal leed onder het derde generatiesyndroom, zo werd aan de tapkasten van de sporthallen geanalyseerd en het publiek en de hoofdsponsor keerden zich af. De realiteit is een stuk complexer. Het volleybal is veranderd en ook de fysieke eisen die aan de spelers worden gesteld. Simpel gezegd: volleyballers moeten superatleten zijn. Nederlanders hebben goede atleten die kunnen nadenken en zich ondergeschikt maken aan het teambelang, maar Nederland heeft geen superatleten.

Nederland heeft wel de langste jeugd ter wereld. Hoe dat komt, is een lang verhaal, maar de meest plausibele theorie grijpt terug naar voedingsgewoonten. Groot betekent in de sport meestal beter, uitgezonderd in turnen en specialismen zoals shorttrackschaatsen, klimmen per fiets of lopen. Roeiers zijn bijvoorbeeld gebaat bij lang en sterk: Nederland is regerend olympisch kampioen in de achtriem, de zogeheten Holland Acht I.

Nederland kickt op alles wat in team gebeurt. Nederland heeft dan ook een sterk ontwikkeld verenigingsleven. Dat is recentelijk onder druk komen te staan van de 24-uurseconomie, maar de basis van vele vooral calvinistische gemeenschappen blijft de Vereniging. In sommige van die gemeenschappen wordt lichamelijke inspanning op zondag niet geduld. Tot er te veel geld mee kan worden verdiend, dan wordt het door de vingers gezien. In Barcelona had Nederland vier teams, in Atlanta zeven (meer dan welk land ook, behalve de VS) en in Sydney ook weer zes. Het hadden er acht kunnen zijn, maar de vrouwelijke softbalsters verknalden het en de handballende Meiden met een Missie mislukten in de opdracht. Dat handbalteam is een prima illustratie van de nieuwe Nederlandse sportpolitiek. Rond een gedreven coach en twintig gedreven vrouwen werd een kader gebouwd, voorzieningen geregeld waaronder een inkomentje en een autootje, en trainen maar. De sprong van de derde klas in Europa naar de acht beste landen ter wereld bleek iets te groot, maar de Missie bleef overeind: "Wij zijn groot, wij zijn sterk, wij hebben gevoel voor techniek en samenspel, wij kunnen handballen als de besten." Opvallend, in navolging van het voetbalmodel dat ontstond in de jaren zeventig, is de bijna identieke aanvallende drang die uitging van het volleybal- en handbalmodel.

Als de Belgische sportprestaties in een historische context worden besproken, wordt vaak verwezen naar 1976 als een scharnierjaar. Op de bijgaande grafiek kan men aflezen dat Nederland toen nog minder medailles won dan wij. Dat was nooit gebeurd tenzij in 1956 en 1960, twee mindere Olympische Spelen omdat Nederland in 1956 de Spelen van Melbourne had geboycot. Over het algemeen scoort Nederland duidelijk beter op de Olympische Spelen. Ook in 1980 was er ondanks de westerse boycot weinig reden tot vieren voor Nederlandse olympiërs. In die periode speelde het Nederlandse voetbal de pannen van het dak en won Joop Zoetemelk een Tour, dus zo slecht ging het niet met de Nederlandse sport.

Nederland staat in de all time olympische medailletabel op de zestiende plaats. Polen en Tsjechië moeten de komende jaren wellicht hun kleine voorsprong inleveren maar een veertiende plaats is in de nabije toekomst het hoogst denkbare. In Atlanta won Nederland negentien medailles en stond daarmee in de medaillestand vijftiende (volgens gouden medailles) of veertiende (alle medailles opgeteld). In de klassering volgens aantal inwoners staat Nederland op een indrukwekkende zesde plaats. Slechts vijf landen winnen meer medailles per 1 miljoen inwoners. In de medaillestand volgens bruto nationaal product staat Nederland pas op een 48ste plaats. Het kan dus nog beter, nog efficiënter, dachten de topsportarchitecten van het NOC-NSF (het Nederlandse BOIC) toen ze die cijfers onder ogen kregen. Ze stelden meteen een hoger doel: "In 2004 moet Nederland meedoen voor de tiende plaats in de medailletabel."

De Bruggeling Stefaan Obreno werd in de zomer van 1998 bondscoach van de Nederlandse zwemmers.

Vandaag is Obreno een spons. Hij geeft wat hij in zich heeft, onvoorwaardelijk, en waar hij kan, zuigt hij kennis op. Het digitale hersentype Obreno past perfect als coördinator naast de chaotische maar geniale zwemcoach Jacco Verhaeren. "Ik leer", zegt Obreno, "elke dag weer."

"Nederland heeft geen betere trainers dan België, maar er wordt anders gewerkt. Met overleg, met een structuur en een visie."

Dat laatste begrip staat centraal in de Nederlandse topsportpolitiek.

Waar willen we staan in 2004?

Wat zijn de implicaties?

Wat is daar voor nodig?

Hoe vullen we dat traject in?

Als Joop Alberda over visie op topsport een boom opzet, haken de meeste Nederlandse coaches snel af omdat de gouden volleybalcoach zelfs naar Nederlandse begrippen een beetje doordraaft. Maar toen Alberda deze winter als gast van het Vlekho-postgraduaat 'masters of sports management' de visie achter de Nederlandse topsport kwam uiteenzetten, vielen de Belgische monden open.

Nederland plant alles, tot het absurde toe. Dat tijdens Euro 2000 de grachtenviering in Amsterdam al tot in de puntjes was geregeld, nog voor de halve finale tegen Italië was gespeeld, dat had minder te maken met arrogantie dan wel met een obsessie om alles op voorhand in kaart te brengen en te regelen. Improvisatie, daar heeft de Nederlander een broertje aan dood.

Dus denkt de zwembond uit Nieuwegein nu al aan de Spelen van 2004 en 2008. De analyse van de Nederlandse zwemsport heeft uitgewezen dat de grootste bedreiging zich in Eindhoven situeert. Daar woont de club PSV en dat is anno 2000 de sterkste zwemclub ter wereld. En toch is PSV een bedreiging omdat de rest van Nederland niet volgt. Eén van de prioriteiten is minstens twee andere zwemclubs op het PSV-niveau tillen. "Het sportmodel in Nederland doet aan schaarstebeheer", is een waarheid opgetekend uit de mond van de huidige volleybalcoach Gerbrands, een hoge manager bij Rijkswaterstaat, de Nederlandse Openbare Werken. Hij bedoelde dat Nederland als klein land het aanwezige talent steeds moet koesteren. Alles is relatief: Nederland gaat met 240 sporters naar Sydney voor vijftien miljoen inwoners. België heeft zeventig sporters voor tien miljoen inwoners. Hoewel in Nederland de selectielat meestal hoger ligt, heeft het meer potentiële topsporters dan België.

Schaarste, dat is sedert de Olympische Spelen van 1996 niet meer van toepassing op de middelen waarmee de Nederlandse topsport wordt ondersteund. In 1999 werd ongeveer 950 miljoen frank (23,5 miljoen euro) in de Nederlandse topsport gepompt. Het NOC-NSF bracht zelf 180 miljoen (4,5 miljoen euro) in. Het staatssecretariaat VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) bracht 220 miljoen (5,5 miljoen euro) mee, maar de dikke melkkoe is SNS/De Lotto (de Nederlandse Nationale Loterij), die 550 miljoen frank (13,6 miljoen euro) doorstortte. In 2000 is het totale bedrag ruim meer dan 1 miljard frank, want alleen al VWS voorzag 270 miljoen (6,7 miljoen euro). Het plan is om de staatsinbreng in topsport tegen 2002 op te trekken tot 320 miljoen frank (7,9 miljoen euro).

De hoogte van het bedrag is minder belangrijk - en ook niet te vergelijken met België omdat bij ons de gegevens ontbreken - dan de verdeling. Slechts een fractie is voorzien voor rechtstreekse betalingen aan de topsporters. Het meeste geld gaat naar de ondersteuning in de rand.

In Nederland krijgen driehonderd topsporters een basisinkomen van 36.000 frank (892 euro) per maand. Dat is ook het bedrag waarmee bijvoorbeeld de zwemster Kirsten Vlieghuis (dubbel brons in Atlanta) de vier jaar naar Sydney heeft overbrugd. Volgens een studie van het NOC-NSF leeft driekwart van de Nederlandse topsporters met minder dan 180.000 frank (4.462 euro) per jaar. Weeral, Belgische studies ontbreken, maar sporters van identiek niveau verdienen in België vaak vijftig procent meer.

En zo is het vandaag. De negentien Nederlandse medailles van Atlanta werden behaald door het gros van de atleten dat een basisinkomen had van 9.000 frank (223 euro) per maand en moest zien rond te komen met parttimebaantjes of leven op de zak van de familie. In 1993 bleek uit een vergelijkende studie dat de Nederlandse overheid minder geld in de sport (top- en breedtesport) pompte dan Vlaanderen alleen. Maar er wel efficiënter mee omging.

Als naast die efficiëntie één andere peiler van het sportpoldermodel opvalt, dan ongetwijfeld het opofferingsvermogen van de Nederlandse topsporter, het zelfvertrouwen en de onvoorwaardelijkheid waarmee hij/zij de beste van de wereld wil zijn. Van coach Alberda, die zijn baan bij de universiteit in Groningen opgaf, over de roeier Rienks, die zijn bedrijf tijdelijk verwaarloost, en de vastberadenheid van de wereldzwemmers Vlieghuis en Wouda, die samen een klein rijtjeshuis huurden in een Eindhovense volksbuurt, tot de heroïek van Zwerver: de Nederlandse topsporter heeft vertrouwen in zijn sportsysteem en zichzelf, stelt zich geen vragen en gaat blind voor het hoogste goed in de sport.

'Nederland gaat met 240 sporters naar Sydney voor vijftien miljoen inwoners. België heeft zeventig sporters voor tien miljoen inwoners'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234