Woensdag 21/10/2020

wielrennen in woorden

Wielercommentator Michel Wuyts: 'Ik spreek in korte zinnen, heel staccato en dan moet het publiek mee'

Renner 'volledig choco' te Merelbeke

Een coureur is nooit gewoon moe of uitgeput. Een coureur ziet af, komt zichzelf tegen, zit op zijn tandvlees of sterft op de fiets. Geen taal bloemrijker dan de wielertaal. 'Omdat we met het hert spreken, zullen we misschien het hert bereiken!'

Marije Randewijk en Jeroen de Preter

Zondag 4 april 2004, aan de meet van de Ronde Van Vlaanderen ligt een hoopje mens. Alleen het oog van de kenner kan de renner herkennen. Het is de onfortuinlijke Dave Bruylandts.

Dave was van Brugge naar Meerbeke gefietst, dwars door het Vlaamse land, over alle kinderkopjes en de kuitenbijters, in stortbuien en stormachtige wind en had daar bij aankomst pas ontdekt dat er twee sneller waren geweest dan hij. Hij had, bij de enige kans die hij ooit zou krijgen, de Ronde verspeeld. Was Dave een voetballer geweest, hij had wellicht gewoon 'shit' gezegd. Maar Dave was toen nog een coureur. Hij zei: "Ik ben volledig choco."

Wielertaal, het zijn niet alleen de renners, maar ook de ploegleiders, verslaggevers en commentatoren die er zich graag van bedienen. En aan hun zoektocht naar woorden die de sensaties kunnen beschrijven die de renners werkelijk ondergaan, zal nooit een einde komen. Want nooit zal een van hen erin slagen om de lezer, de kijker of de fan de pijn van de "dwangarbeiders van de weg" echt te laten voelen.

Wielercommentator Michel Wuyts doet nochtans zijn best. "De kijker mag een beetje van dat jargon meekrijgen", vindt hij. "Ik denk dat we een vrij traditiegericht publiek hebben en die mensen willen dat ook, die verwachten dat een beetje."

Wuyts speelt naar eigen zeggen niet bewust met taal. De woorden komen als vanzelf, alsof hij het Wuytsiaans, zoals hij het noemt, zo uit de lucht kan plukken. "Ik ben niet het type dat alles berekenend doet. Als ik de finale ga rijden, staat er geen maat meer op, dan denk ik geen seconde meer na. Ik spreek in korte zinnen, heel staccato en dan moet het publiek mee."

Het publiek meekrijgen, dat was ook al de grote ambitie van Wuyts' grote voorganger, de journalist en stichter van de Ronde van Vlaanderen Karel Van Wijnendaele. Hij schreef eind jaren dertig zijn bekendste werk, Het rijke Vlaamsche wielerleven, als een tegenreactie op de bestaande wielerboeken. Ze deden hem denken aan de akten van een notaris. "Bij mij zal de voelende mensch meer vinden dan de denkende", schreef Van Wijnendaele. "Omdat we met het hert spreken, zullen we misschien het hert bereiken!"

Het hart bereiken was in die tijd allicht een iets makkelijkere opgave dan nu. De verslaggevers waren in de jaren dertig nauwelijks op de hoogte van wat er gebeurde en daarmee verplicht hun literaire talenten te gebruiken om te beschrijven wat er zich in de koers had afgespeeld. Het verschafte de grondleggers van de wielertaal, Henri Desgrange en Van Wijnendaele, de vrijheid hun fantasie de vrije loop te laten. Een vrijheid waar ze in de eerste helft van de twintigste eeuw gretig gebruik van maakten. Het was de tijd van gruwelen en schruwelen, van een plastisch taalpalet, van gezwollen en bombastisch proza vol hyperbolen en metaforen. Van Hilaire die "zijn kloefen afsmeet" (aan de haal ging), zodat er "direct look in den meersch was" (het spel op de wagen zat).

Dat het wielerjargon sterk is beïnvloed is door de Franse taal mag geen toeval heten. Frankrijk is de bakermat van de wielersport. Veel bekende Nederlandse wielerzegswijzen zijn letterlijke vertalingen uit het Frans, zoals de man met de hamer (l'homme au marteau), de deur dichtdoen (fermer la porte), een tandje bijsteken (mettre une dent de mieux) en in iemand zijn wiel springen (sauter dans la roue).

Als antwoord daarop bedacht Van Wijnendaele, ook wel de Homerus der koersen genoemd, zelf woorden. Terminologie als 'opgeven', 'ontsnappen', 'lossen', 'afstoppen', 'in de slag zitten', 'tempobeul', 'kuitenbijter', 'een kwak geven', 'een grote molen steken' worden door Johan Taeldeman, professor, dialectoloog en promotor van talrijke scripties over wielertaal aan de Universiteit Gent, aan hem toegeschreven. Zoals Taeldeman hoopte, heeft een aantal daarvan inmiddels de weg gevonden naar de officiële woordenboeken. Van Dale heeft inmiddels, zij het zeer summier, een speciale uitgave voor wielerliefhebbers op het internet gezet. Het was een antwoord op Het groene wielerboekje van Jan Zomer. Ook tekenaar Dik Bruynesteyn en Gerard Koel waagden zich aan de uitgave van een wegwijzer in het wielerjargon, Vals plat.

In 1989 bracht uitgeverij Thomas Rap Het wielerwoordenboek uit, samengesteld door Marc De Coster, die voor een wetenschappelijkere aanpak koos dan Zomer. Daarin worden regelmatig uitdrukkingen toegeschreven aan Gerrie Knetemann. Maar de invloed van wijlen Kneet op de wielertaal is in vergelijking met Desgrange en Van Wijnendaele klein. Wat hij zei, was vooral leuk voor de buitenstaander die erbij wilde horen. In het peloton zelf lieten de renners Knetemann vaak het alleenrecht op diens vreemde vondsten.

Knetemann was het voorbeeld van iemand die geen oog had voor het gevaar dat loert bij wielertaal. De stap naar het cliché, naar de overdrijving is klein. "Ik heb niet de gave van de beperking", geeft Wuyts toe. "Een wielerwedstrijd is als aan een uitgebreide dis zitten en genieten van alle gerechten. En dan kun je natuurlijk ook wel eens verzadigd raken."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234