Maandag 06/07/2020

Wie wint de Man Booker International Prize?

Op 22 mei wordt de winnaar van de vijfde Man Booker International Prize bekendgemaakt. Deze prestigieuze oeuvreprijs gaat sinds 2005 tweejaarlijks naar een levende schrijver die onafgebroken werelds werk publiceert dat in het Engels beschikbaar is. De vorige winnaars waren Ismail Kadare, Chinua Achebe, Alice Munro en Philip Roth. De tien genomineerden van dit jaar vallen op door hun politiek engagement, hun kale stijl en hun humor, maar wie zijn zij en hoe schat onze bookmaker Fleur Speet hun kansen in?

De Zuid-Indiase Udupi Rajagopalacharya Ananthamurthy (°1932) is een ruimhartige mensenvriend die de psychologische gevolgen ontleedt van het traditionele kastensysteem in het veranderende India. Bijna kafkaësk ontkracht hij de mythe van sociale rechtvaardigheid.

Ananthamurthy is een zwaargewicht in Zuid-Azië, alleen al als politicus en universitair docent. Onvermoeid maakt hij zich groot voor zijn moedertaal, het Kannada. Zijn laatste roman, Bharatipura, prijkte op de shortlist van de DSC Prize for South Asian Literature, maar helaas is geen enkel boek van hem in het Nederlands vertaald.

Exemplarisch voor zijn thematiek is het verhaal 'The Grasshopper'. Daarin krijgt luiwammes Venkata niet veel voor elkaar, wat hem op verwijten van zijn gezin komt te staan. Maar hij is relatief gelukkig. Als een sprinkhaan ziet hij op het naïeve af het kleine, dat daardoor schittert. Moet je wel blind sociale codes willen aannemen, is de centrale vraag.

In een reactie deelt Ananthamurthy de eer van de nominatie graag met alle geweldig schrijvende auteurs in het Indiase taalgebied. Hij greep direct de gelegenheid aan om twee wereldklasse Hinduschrijvers te bewieroken, die niemand kent omdat hun werk onvertaald bleef. Alleen al vanwege deze sympathieke reactie verdient hij de MBIP.

De in Roemenië geboren Israëliër Aharon Appelfeld (°1932) is de gedoodverfde winnaar van de MBIP. Hij is als geen ander in staat om verfijnd de complexe verwarring op te tekenen van vijand- en vriendschap tijdens de jodenvervolging in Midden-Europa. Op steeds nieuwe wijze bewandelt hij hetzelfde pad: dat van een kind dat meegaand maar alert moet zijn en hoewel het vragen stelt, nooit helemaal doorgrondt wat er aan de hand is. Daardoor is Appelfeld de schrijver van één groot boek.

Zonder oordeel verplaatst hij zich in de jonge geest, waarbij het vanzelfsprekende vertrouwen in de mensheid afbrokkelt en een kind plotsklaps volwassen wordt, zonder cynisme. Het breekbare van zijn hoofdpersonen, dat voortkomt uit ongeloof en tedere lijdzaamheid, blijft heel. Zijn romans zijn daardoor beklemmend tragisch, en tegelijk licht. Zelfs al welt er overlevingsdrang in de personages op, zij aanvaarden in verwondering het lot. Het werk van Appelfeld draait dan ook meer om het lichamelijke dan om de taal, die eerder obstakel is. In het oeuvre van Appelfeld is het zoals in Bloemen der duisternis staat: "luisteren naar het zwijgen tussen de woorden".

De eerdere MBIP-winnaar Philip Roth heeft Appelfeld hoog zitten en noemt hem een onthechte schrijver van ontwortelde fictie.

De Amerikaanse Lydia Davis (°1947) is een vlijmscherp observerend schraper en een writer's writer, die inmiddels door het grote publiek omarmd is. Ondanks dat ze van alle genomineerden bijna de minste pagina's publiceerde (Collected Short Stories en een roman) zit zij dus geramd, zou je denken. Maar zou het met zo'n diverse lijst niet jammer zijn wanneer een bekende wint?

Edoch, haar korte verhalen zijn van werelds niveau. Dit jaar viel een kleine prijzenregen over haar heen, nadat ze in 2007 genomineerd werd voor de National Book Award. Jonathan Franzen noemde haar de 'magician of self-consciousness'.

Haar taal is karig geworden nadat ze Proust vertaalde en diens wijdlopigheid verfoeide. Davis ontroert door afstand en intimiteit samen te brengen in een klein, verrassend, plotloos vraagstuk. Zo blaast ze lucht in de meedogenloze droefenis, en zelfs milde humor. Doordat Davis inzoomt op malende gedachten en die in een korte tijdspanne tegelijk relativeert - haar verhalen zijn soms enkele regels lang - roept ze een spectrum aan steeds intensere emoties op. En dat terwijl haar proza juist zo 'emotieloos', of kaal lijkt, ondanks het mededogen zo geobserveerd van buiten. Maar ze raakt ieders hart met dat wat tussen de woorden schuilt, omdat het troost te weten dat mensen elkaar niet verstaan.

De Pakistaan Intizar Husain (°1925) is een chroniqueur van de verandering met zijn nostalgische, modernistische epiek. Het is de schuld van Husain dat Nadeem Aslam, van wie zojuist een nieuw boek verscheen, verslaafd raakte aan literatuur. Het uiteenvallen van India blijft het grote raadsel voor Husain, die tevens journalist is.

Hij publiceerde over dit thema vijf romans en zeven verhalenbundels (niets vertaald in het Nederlands). In het Engels is onder meer de klassieker Basti verschenen. Hierin zoomt Husain in op het uiteenscheuren van Bangladesh en Pakistan in 1971. Hoofdpersoon Zakir kijkt als de luitenant uit De Kartuize van Parma van Stendhal verdwaasd, hoopvol en daardoor eenzaam rond, zelfs als hij in een vlechtwerk de uiteenlopende visies van hindoes, boeddhisten en moslims verneemt.

Husain is een fervent voorvechter van zijn moedertaal, het Urdu. Toch is taal ondergeschikt aan het verhaal, waardoor zijn werk uitgepuurd is. De vorm is wel belangrijk: Husains zinnen golven. Alsof hij een gebeurtenis steeds oppakt en betast, herhaling op herhaling stapelend. Dat werkt hypnotiserend. "Winkels zijn deels gesloten, deels open." Dit is waar, en dat. Met zulk politiek gevoed impressionisme gooit Husain ongetwijfeld hoge ogen, al is het maar omdat het zo verantwoord is.

De Chinees Yan Lianke (°1958) is een 'oplichter', die stroop om de monden van zijn personages smeert, maar ondertussen de spot drijft met het gezag. In zijn weelderige en lieflijk meanderende zinnen schuilt zoveel overdrijving dat Lianke duidelijk een spel speelt. De dagelijkse Chinese werkelijkheid is in Yans ogen evengoed een opeenstapeling van absurditeiten, met corruptie en onverschrokken landonteigeningen en huisontruimingen.

Twee van zijn romans waren tijdelijk verboden, meer vanwege majesteitsschennis dan vanwege de politieke lading. In Dien het volk bewijst een overspelig stel elkaar de liefde door revolutionaire memorabilia te vernietigen, zoals de buste van Mao. Het verboden Dream of Ding Village haalde de shortlist van de Man Asian Prize.

Yan schrijft, zeker in vergelijking tot de andere genomineerden, sterk evocerend. Het gekras van cicaden, "krachtig en melodieus als marsliederen". Hij vult veel in, gebruikt veel couleur locale en verzet zich alleen al met zijn stijl tegen de soberte van de partij.

Of hij kans maakt, is zeer de vraag. Hij behoort niet tot de top drie van China (Mo Yan, Yu Hua en de eerder voor de MBIP genomineerde Su Tong) en zijn stijl wordt zo zoetsappig (wat heel lollig is) dat het de vraag is of hij daarmee voldoende gewicht in de schaal legt.

De Franse in Duitsland wonende Marie NDiaye (°1967) is een vriendelijk betoverende 'heks', die de lezers met overtuigend realisme haar web in lokt, waarna het sprookjesachtige algauw gewoontjes aan het lijf plakt. Geen literaire experimenten, maar serieuze, zorgelijke ontsporing in dit nette proza.

NDiaye ontving de Prix Fémina en zowel de Prix Goncourt als de eerste Europese Literatuurprijs voor haar roman Drie sterke vrouwen, over drie landverhuizers. Dit boek is steviger dan haar overige werk verankerd in de realiteit. Toch komen er mysterieuze vogels in voor, zoals in Heksenschool. In die roman staan ze voor de heksendochters van de verteller, een zogenaamde 'nepheks' die zich in de nesten werkt. Vogels symboliseren zowel vrijheid als dreiging en dat dualisme ruist door heel dit oeuvre. Vaak draait het om ontaarde ouders, families bulken van de geheimen en problemen. Tegenover onderdrukking en uitbuiting plaatst NDiaye wilskracht en waardigheid.

Toch zet NDiaye in haar proza maar weinig op het spel. Het is te soepel, te Desperate Housewives met een toverachtig sausje. Echter, jurylid Aminatta Forna schrijft soortgelijke literatuur. Dus wie weet keren daarmee NDiaye's kansen.

De in Kroatië geboren Canadees Josip Novakovich (°1956) is een grenzenzoeker die uitblinkt in het donkere, intelligent humoristische korte verhaal waarin verzoening wordt gezocht. Breekbare onderwerpen zijn goed af in zijn handen. Zo denkt een naar Amerika gevluchte vrouw terug aan een aanranding tijdens de Joegoslavische oorlog, ontmoet een Kroaat, droomt over de aanranding, waarna opeens een wreed-erotisch licht over de man valt. Het is geen genoegdoening of wraak, maar milde verwarring en acceptatie, zonder dat de hoofdpersoon hieronder lijdt.

Novakovich' stijl is uit steen gehakt. Onderkoeld en onderzoekend graaft hij met zijn zinnen de diepte in. Zoals in April Fool's Day Ivan over de Servische regen opmerkt dat die ruikt naar giftige paddenstoelen en oude bladeren, niet alleen bladeren die zojuist door de lucht zigzagden, maar ook de bladeren die vorig jaar vielen, en duizend jaar geleden. Verder is deze roman opmerkelijk absurdistisch en tragikomisch (vader komt uit de oorlog met zijn arm en been in een aardappelzak). Welke kant te kiezen: Servië, KGB, CIA, alcoholisme?

Kirkus Review noemde Novakovich de beste Amerikaanse korteverhalenschrijver van dit decennium. Zijn verhalen zijn inderdaad elegant en empathisch. De Britse traditie van het korte verhaal indachtig maakt hij daardoor flinke kans, al moet hij opboksen tegen de betere Davis.

De Amerikaanse Marilynne Robinson (°1943) is een topdocent die traditioneel, essayistisch proza schrijft over ongemakkelijke huiselijkheid en religieus levensbesef en bovendien is ze een geluksvogel: hoewel ze met drie romans de minste literaire titels publiceerde van alle genomineerden, staat ze voor de tweede keer op de shortlist.

Barack Obama las haar roman Gilead, waarvoor ze de Pulitzer Prize kreeg, Thuis werd genomineerd voor de National Book Award en kreeg de Orange Prize toegekend. Robinson schrijft literatuur volgens het boekje van de critici. Ze snijdt morele dilemma's aan over ras, religie en gezin, terwijl ze Bijbelse verwijzingen verknoopt met verwijzingen naar de wereldliteratuur. Zo knipoogt haar debuut over twee weeskinderen naar Moby Dick en de zondvloed om het thema te benadrukken dat alleen het voorbijgaande blijvend is.

Robinsons werk is contemplatief, vriendelijk en beschouwend. Neem een zin als deze uit Gilead: "Een man kan zijn vader kennen, of zijn zoon, en toch kan er tussen hen niets anders zijn dan genegenheid en liefde en wederzijds onbegrip." Paf, vergeefse moeite, zo toont de rechtschapen, moralistische predikant in de memoires die hij zijn zevenjarige zoontje nalaat.

Twee keer genomineerd en de prijs niet krijgen? Dat zou kras zijn. Maar het zijn geen critici die de jury bevolken, het zijn romanciers.

De Russische Vladimir Sorokin (°1955) is de provocateur van de lijst. Hij kwispelstaart energiek en speelt met postmodernistische vormen in realistisch, ironisch proza waarin hij steevast de politieke kopstukken uitdaagt. Niets is hem heilig. Vandaar dat zijn werk tot de perestrojka in Duitsland moest verschijnen. In 2005 probeerde de jeugdbeweging van Poetin Sorokin nog voor de rechter te slepen omdat in een van zijn romans de bejaarde Chroesjtsjov en Stalin seks met elkaar bedreven. Daarmee zou Sorokin het politieke establishment besmeurd hebben met porno. De klacht werd ongegrond verklaard.

Welbekend is zijn novelle De rij, waarin hij enkel met dialogen de befaamde Russische rij voor de winkel bespot. Het absurdisme is in zijn werk nooit ver. Met zijn satire IJs, waarin het hedendaagse Moskou is bevolkt met verdorven vleesmachines die enkel moorden, paren en baren en waarin goed en kwaad willekeurig rouleren in een geheimzinnige sekte, haalde hij de shortlist van de Russische Booker Prize. Iemand met een ijshamer op het borstbeen slaan tot de splinters eraf vliegen; ach, tamelijk gewoon toch? Sorokin vermengt in deze roman Sovjetkitsch met stijlelementen uit de sf en detective. Hij bespeelt eigenlijk alle registers en ontspoort daardoor een beetje. Waar hem te plaatsen? Bij het hoofdstukje vrolijk, maar serieus geëngageerd doch ongeleid projectiel?

De Zwitser Peter Stamm (°1963) is een neerslachtige realist, die zonder gepsychologiseer de perversiteit en sluimerende leegte van de mens inzichtelijk maakt. Elf romans en verhalenbundels staan op Stamms naam, die ook toneel schrijft en net als Husain journalist is. Deze zomer verschijnt Sieben Jahre in het Nederlands. De Engelse publicatie hiervan werd direct door Zadie Smith gespot. Zij oordeelde dat dit verhaal over overspel van een gewetenloze, liefdeloze man je laat twijfelen over je vooringenomenheid.

Stamms personages zijn ontaarde kosmopolieten. Kathrine is douanebeambte in Noorwegen, en beproeft in Parijs met een Deen haar kansen. In Agnes leert een Zwitser in Chicago een studente kennen. Andreas is een leraar Duits in Parijs. De verteller uit Sieben Jahre werkt als architect in Duitsland en gaat vreemd met een 'lelijke' Poolse. Steeds draait het om het bezweren van bindingsangst, het egoïstisch achterlaten van een ander, om absentie en hoeveel geluk daarin schuilt.

Stamms fictie doet Scandinavisch aan, als een gestripte Grøndahl, maar raakte met de jaren uitgebetener. Geen krullen, enkel de kille biecht. Zijn nominatie is waarschijnlijk te danken aan jurylid Tim Parks, die Stamm vorig jaar in een artikel noemde. Parks zal zich sterk moeten maken, want dit proza schiet bijwijlen zijn doel voorbij in afstandelijkheid.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234