Donderdag 21/11/2019

Rusthuis

Wie wil er zijn leven eindigen in het rusthuis?

Madeleine Van Maelsaeke (88) woont nog thuis, in Volkegem, staat op de wachtlijst. Beeld Karoly Effenberger

De schrik voor het rusthuis zit er na deze week weer goed in. Vernieuwing blijft uit, de kamerprijs stijgt, het eten smaakt nog steeds naar niets. Wie wil daar zijn leven eindigen? Madeleine, Gerard en Carlos getuigen. "Nooit van mijn leven zouden ze mij in een rusthuis krijgen. En zie mij hier nu zitten."

'Als het echt niet meer gaat, zal ik toch binnen moeten, zeker?'

Gise¿le, Marcella, Angele. Madeleine Van Maelsaeke woont in een straat waar vrouwen alleen oud worden. Tweeëntachtig jaar woont ze al in het kleine, witte huisje op de Wolvenberg, met in de leefruimte een hometrainer en in de keuken een kachel die zelfs in maart voor zomer zorgt.

Haar Gaston is al vijfentwintig jaar dood. "Ik heb een schoon leven gehad", zegt Madeleine. "Maar de laatste tijd ben ik op de sukkel."

Het is niet meer te doen, zegt ze. Het huis wordt te groot. Haar moestuin - "lochting" zegt ze zo mooi - heeft ze altijd goed kunnen onderhouden, maar nu, nee nu kan ze geen weg meer.

Hoofd, schouders, nier en been, de klachtenlijst lijkt wel het refrein van een bekend kinderliedje. En op straat zie je ook al bijna niemand meer. Vroeger zag je altijd iemand, tegenwoordig is het maar stilletjes. De jonge gaan werken en de oude, tja, die gaan dood.

Sinds vorig jaar ("met de uitkom") staat Madeleine op de wachtlijst van woonzorgcentrum Heilig Hart in Oudenaarde. Eerst dacht ze aan Haagwinde in Maarke-Kerkem, schone kamers en al, maar dat bleek toch wat te ver. Haar zoon en zijn twee zonen moeten toch nog eens op bezoek kunnen komen?

Niet dat ze ernaar uitkijkt. Niemand geeft graag zijn zelfstandigheid op. Maar als ze komen vragen hoe het gaat, zegt ze, moet je wel 'goed' antwoorden. Wat anders? Het mag nog tegen je goesting zijn. En je bent je eigen baas niet meer. Dat gaat ze nog het meeste missen, denkt ze. Dat zal raar doen. En in je eigen huis heb je tenminste nog wat privé ook. "Ik ga proberen om zo lang mogelijk thuis te blijven", zegt Madeleine. "Anders zit ik daar, in mijn kamertje. Maar als het echt niet meer gaat, zal ik toch binnen moeten, zeker?"

Beeld Karoly Effenberger

'Zwijg nu maar'

Op maandag, woensdag en vrijdag is er poets- en strijkhulp. Buurman Frank rijdt 's zomers het gras af. Elke dag komt iemand koken.

Ook dat vreest ze, in het rusthuis. Altijd hetzelfde eten. Spaghetti en al, ze moet zij dat niet hebben. Vandaag spaghetti met rode saus, morgen spaghetti met witte saus. Dat klopt niet. Als je dáár al moet voor betalen, het is toch waar zeker. Nee, jong, een patat moet ze hebben. Dat is ze gewoon van vroeger. Met een schoon stukje vlees. "Gemalen, want ik heb geen tanden meer."

Zoon en kleinzonen komen regelmatig op bezoek, daar niet van. Maar je wilt je kinderen niet te veel lastigvallen. Ze wonen niet naast de deur, en ze hebben zij ook hun werk.

Vroeger, jong, vroeger, was het anders.

In het levensverhaal van Madeleine zit het verdriet van een samenleving vervat. "Mijn moeder is altijd thuis kunnen blijven", zegt Madeleine. "Zij heeft een echt koningsleven gehad. Ik bleef thuis wonen en zorgde voor haar. En daarnaast ging ik werken. Zelfs toen mijn vader zo ziek is geworden, bleef ik hem onderhouden. Dat kun je je vandaag niet meer voorstellen."

Geld, nog zo'n angst. Niet de minste. Het is overdreven tegenwoordig, zegt ze, 1.800 euro en dan moet je de verzorging er nog bij betalen ook. Maal twaalf, reken maar uit. Op de televisie zeggen ze dat het gemiddelde pensioen 1.100 euro is, maar dan moet je toch al een beetje een positie hebben gehad vroeger. Het is allemaal gemakkelijk gezegd. En een maand is rap voorbij.

Zoveel heeft zij niet.

"En al die jaren gewerkt", zegt ze. "Hoe lang heb ik niet gewerkt? Driee¿ndertig jaar."

Eerst bij Saffaerts, de katoenspinnerij in Oudenaarde, dan bij Van Den Hende en dan nog een jaar of vijf in een fabriek boven op berg 't Ename. Tot het failliet is gegaan.

"Ik heb genoeg gewerkt in mijn leven, wees gerust, maar ik heb alijk zoveel pensioen niet. Het is niet dat ik te kort ga hebben, maar ik ga alleszins niets overhouden."

Sukkelen, jong, sukkelen.

"En zwijg nu maar over dat rusthuis."

Beeld Karoly Effenberger
Carlos Gallez (92) woont nog maar net in woonzorgcentrum Sint-Jozef in Kortrijk. Beeld KAROLY EFFENBERGER

'Ik leef voor mijn vrouw en zoon. En zij voor mij'

Maart 1941. Carlos Gallez is achttien en zit in een klein kamertje in Roeselare. Hij is aangehouden en opgesloten door Duitse soldaten. Zijn handen voelen koud. Hij trilt over zijn hele lijf. Was machst du hier? Du bist ein Bolschewist, ein Kommunist! Wir gehen dich abschiessen!

Angst? Kent hij niet.

Maart 2015. Carlos is tweeënnegentig en zit in een klein kamertje in Sint-Jozef, een woonzorgcentrum in Kortrijk met afdelingen die naar vogels zijn genoemd. Ekster, wielewaal, ransuil. Op Radio 1 zingt Arsenal over Japanse nachtuilen.

Het is zijn vierde week hier, zegt Carlos, na enkele korte verblijven in Kortrijkse ziekenhuizen. "Het ging niet meer thuis. Ik geraak niet alleen uit mijn bed, ik kan mij niet wassen, ik kan voor de moment zelfs bijna niet alleen rechtstaan."

Angst? Toch wel, meneer.

Niet zozeer voor het leven binnen dit kleine kamertje. Hij zit de godganse dag op zijn gat, zegt hij. Verdomme, het doet zeer. Ongehoord. Ze mogen er nog zoveel zalf opsmeren als ze willen. En als het op een dag echt niet meer zou gaan, zal Don Bosco hem wel beschermen. Zijn grote held.

Wel het leven buiten het kamertje, buiten de dikke muren van Sint-Jozef, boezemt Carlos angst in. Zijn 91- jarige vrouw woont nog thuis, zegt hij, met hun enige zoon, William. Elke ochtend komen ze William halen, van De Branding, het dagverblijf van vzw Waak, een dienstverleningscentrum voor personen met een handicap, en rond half vijf, vijf uur brengen ze hem terug. "Dan is het allemaal voor mijn vrouw", zegt Carlos. "Dat is niet gemakkelijk. Maar het is een dulle. Ze is geweldig moedig. Zo'n sterk karakter."

Zoon leren lezen en schrijven

Zoon William (61) is licht mentaal gehandicapt. Carlos heeft hem persoonlijk leren lezen en schrijven. Elke dag bellen ze. "Hallo pa", vraagt William dan. "Heb je goed geslapen?" Op de tafel naast de zetel waarin Carlos de godganse dag zit, ligt een gsm. Omringd door kranten en een fles gele limonade. "En mijn vrouw belt drie keer per dag. Ze zal straks bellen, let maar op, het is bijna drie uur. Of nee, wacht, vandaag is ze met een kameraad naar de opendeurdag van De Branding."

Marie-Louise heet ze. Wiske, noemt Carlos haar. Soms is ze goed, soms is ze niet goed. Haar keel, haar hoofd, haar been. Het is altijd iets. Maar iemand in huis nemen om te helpen? Vergeet het. Wiske wil alles zelf doen. Samen met Carlos in Sint-Jozef komen wonen? Vergeet het. Wie gaat er dan voor William zorgen? En wat zou dat niet kosten, een kamer voor twee? Het is nu al zo duur.

En zo komt het dat Carlos hier alleen zit, in zijn zetel. Te denken aan vroeger, toen hij nog kleermaker was, toen de handen nog niet donker, bloeddoorlopen, onvast waren, maar fijn en zacht. Aan de brandverzekering en de vele rekeningen die Wiske moet betalen. "Zestig-, zeventigduizend frank per maand, voor een kamertje in een rusthuis, wie kan er dat feitelijk betalen?"

Aan de bedden van vrouw en zoon die sinds een goede acht dagen beneden in huis staan, god zijde dank. Dan moeten ze de dertien treden van de trap niet meer doen. Aan de koffie van Wiske, nog opgegoten met de hand. En aan de muziekjes van William, daar denkt Carlos ook vaak aan.

"Heel ons huis zit vol platen", zegt hij. "Je weet wel, van die grote ronde schijven. En wat is er dan nog opgekomen, wacht, ja, van die cassetjes. Daar heeft William er ook een hele verzameling van. Mijn vrouw heeft nu een kast beneden gezet, waar hij zijn platendraaier kan opzetten. Elke avond speelt hij een plaat. Daar denk ik dan aan. Aan de momenten dat mijn zoon gelukkig is."

Stilte.

"Ik ga het u nog één keer klaar en duidelijk zeggen, meneer: ik leef voor mijn vrouw, en voor William, en zij voor mij. Dat houdt mij recht."

Beeld © KAROLY EFFENBERGER
Gerard Vijncke (93) woont in woonzorgcentrum Zonnebloem in Zwijnaarde, na omzwervingen langs centra in Nieuwpoort en Gavere. Beeld Karoly Effenberger

'Het rusthuis, dat leek nog erger dan een klooster'

Woonzorgcentrum Zonnebloem ligt in de Hutsepotstraat in Zwijnaarde. Namen zijn belangrijk. In kamer 117 zit Gerard Vijncke. Kalend hoofd, de ogen wijd omrand. Ooit was dit een struise, sterke man.

"Nooit van mijn leven zouden ze mij in een rusthuis krijgen", zegt hij. "Ik heb het altijd gezegd. Het rusthuis, dat leek nog erger dan een klooster. Kluusters zijn ruusters, zeggen ze in het Gentse. Versta je dat?" Hij lacht. "Nooit. En zie mij hier nu zitten."

Zonnebloem is een van de vier woonzorgcentra van OCMW Gent. Plannen voor een vijfde zijn vergevorderd. Het zou Zuiderlicht heten en het zou in Mariakerke komen. Het zou goed zijn voor 144 extra bedden, nodig in deze tijden van vergrijzing. Straks zou de bouw beginnen.

Zou.

De bouwkost van dat nieuwe woonzorgcentrum zal 25 miljoen euro bedragen, zei OCMW- voorzitter Rudy Coddens (sp.a) deze week in de krant, als reactie op het nieuws dat de Vlaamse regering in de begroting voor 2015 geen geld heeft uitgetrokken voor infrastructuurwerken in de ouderenzorg. "We dachten daarvan 9 miljoen euro subsidie te krijgen, maar dat bedrag zullen we dus zelf moeten zoeken."

Hoe, dat wist hij nog niet. Toch zei hij dat elke bewoner ruw geschat tien euro per dag meer zal moeten betalen. "Alleen weten we ook wel dat heel wat mensen die tien euro extra gewoon niet kunnen betalen."

Pompen of verzuipen

In de Hutsepotstraat in Zwijnaarde is de dagprijs 54,12 euro. Gerard zegt dat het veel geld is, zeker in deze tijden van crisis. Hij zegt ook dat hij zich dikwijls afvraagt hoe iedereen het kan blijven betalen. En of ze bij de dienst Pensioenen in Brussel niet stilaan in paniek raken. Al die oude mensen, wat moeten ze daarmee doen?

Hoeveel verdoken miserie zou er niet zijn, zegt hij. Al die bejaarde koppels die ruziën over hun laatste bestemming. Bij de zoon, bij de dochter, in het eigen huis, of toch maar in een kamer in een woonzorgcentrum? "Achteraf bekeken is het misschien nog niet zo slecht dat ik hier ben beland." Het is een proces dat al tweeënhalf jaar bezig is, zegt hij. Dan werd zijn vrouw Diana ziek. Kliniek in, kliniek uit. Heup gebroken, pacemaker, stents. Terug naar huis ging niet meer.

"Het is eigen aan iedereen die oud wordt", zegt Gerard. "Op een dag sta je ervoor. En dan is het pompen of verzuipen."

Samen waren ze op revalidatie aangewezen, zegt hij. Er zat niet veel anders op. Zijn tuin werd te laag, hij kon er niet meer aan. De liefde voor Diana haalde het van de schrik voor het kluuster. "Maar vind maar eens een kamer voor twee. Manneke, dat was nogal iets."

Diana en Gerard veranderen vaker van woonzorgcentra dan ze ooit van woning zijn veranderd. Eerst Nieuwpoort, dan Gavere. In december 2012 sterft de vrouw. De man verhuist naar Zonnebloem in Zwijnaarde. Hij krijgt een kamer voor zich alleen. Een foto van Diana plaatst hij naast een beeldje van de Heilige Maagd Maria. De twee vrouwen uit Gerards leven, bijeengebracht in een hoekje in kamer 117.

Voorts veel kaders met foto's van kinderen en kleinkinderen. "Wat ik het meeste mis? Mijn thuis, tiens. En sommige van mijn kasten. Maar anderzijds is het goed zo. Als iedereen dezelfde meubels heeft, is iedereen gelijk geclassificeerd. Een rijke, een arme, een prutser, geen onderscheid."

Negen kinderen en nog meer kleinkinderen heeft Gerard. Achttien of negentien, helemaal precies weet hij het niet. Hij is de tel kwijt. En dan die namen. Guust, Tuur, Lotte, Minte, op den duur weet je niet meer of het een jongen of een meisje is. En dan komt er straks nog een achterkleinkind bij. Miljaar.

Hij lacht.

Zure appel

"Ach jongen", zegt hij. "Ik ben bezig aan mijn laatste weg. Bijna op de top van mijn Mont Ventoux. Hoe zeggen ze dat in het Engels? Only live once. Maar ik kan me nog altijd bezighouden. De gazet lezen, kruiswoordraadsels invullen, zo vergeet ik de tijd een beetje. Het is een zure appel, geen reinette, maar je moet hem doorbijten. Als je je kop laat hangen, gaat het niet."

Als vanzelf somt Gerard zijn leven op. Geboren in 1922. Drie maanden opgeleid bij de werfreserves van het Belgisch leger, in het zuiden van Frankrijk. Overgeheveld over de demarcatielijn aan de Duitsers. Wederom in België. Wederom de toelating gekregen van het gemeentehuis om hier te mogen rondlopen. In 1942 moeten gaan werken in Duitsland. Van '42 tot midden '45 in het Ruhrgebied gezeten, volop met kanonnen en al. In '45 verlost geweest. In '47 getrouwd. In '48 de oudste zoon geboren. In '50 diploma gehaald en les beginnen geven. Technisch leraar houtbewerking.

"En zo is een lange historie kort gezegd."

Nu zijn het elke dag de moeilijkheden van ouder worden, zegt hij. Soms een goede spijsvertering, soms een slechte. Soms goede waterwegen, soms slechte. "Maar een oude mens is simpel. Hij wenst niet veel. Warmte en genegenheid. En af en toe goed eten."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234