Vrijdag 13/12/2019

Wereld

Wie was de jungleprins van Delhi? Het mysterie van de ‘koninklijke familie’ van Avadh ontrafeld

Prins Cyrus, prinses Sakina en een bediende in 1998. Beeld NYT

Veertig jaar lang brachten journalisten verslag uit van de excentrieke koninklijke familie van Avadh: afgezette aristocraten die in een geruïneerd paleis in de Indiase hoofdstad Delhi zouden leven. Hun verhaal was tragisch en verbazingwekkend. Maar was het ook waar?

Op een middag in 2016, toen ik aan het werk was in India, kreeg ik een telefonisch bericht van een kluizenaar die in een woud in het midden van Delhi woonde. Ik had gehoord over de koninklijke familie van Avadh (of Oudh, zoals de Engelsen schreven). Ze waren een van de grote mysteries van de stad. Hun verhaal ging rond bij theeverkopers, riksjachauffeurs en winkeliers in Oud-Delhi: in een woud, zeiden ze, in een paleis afgesneden van de stad, woonden een prins, een prinses en een koningin, die volgens de overlevering de laatsten waren van een sjiitische dynastie.

Er waren verschillende versies. Sommigen zeiden dat de Avadh-familie zich er bevond sinds de Britten hun koninkrijk geannexeerd hadden in 1856, en dat het woud het paleis als het ware opgeslorpt had. Anderen zeiden dat het een familie van djinns was, bovennatuurlijke wezens uit de Arabische folklore.

Eén ding was zeker: ze stelden gezelschap niet op prijs. Ze woonden in het veertiende-eeuwse jachtverblijf, dat ze afbakenden met prikkeldraad en honden. Maar om de zoveel jaar stemde de familie in met het bezoek van een journalist – altijd een buitenlandse – om te vertellen over hun grieven tegenover de staat. De journalisten kwamen terug met heerlijk macabere verhalen. In 1997 vertelden de prins en de prinses aan The Times of London dat hun moeder, als laatste gebaar van protest tegen het verraad van Groot-Brittannië en India, zichzelf van het leven had beroofd door gif te drinken vermengd met geplette diamanten en parels.

Ik kon begrijpen waarom die verhalen weerklank vonden. Het land was doordrenkt van een traumatische ervaring, door het verschrikkelijke bedrog van de Britse verovering en daarna het bloedbad door het Britse vertrek, waardoor Pakistan zich afscheidde en het geweld tussen hindoes en moslims losbarstte. Deze familie, die haar eigen ondergang etaleerde, was de fysieke representatie van het grote leed van India.

Verwilderd

Een dag nadat ik het bericht had gekregen, belde ik naar het nummer. Ik hoorde een hoge, beverige stem.

De volgende maandag vroeg ik de chauffeur me om 17.30 uur het woud in te rijden, zoals me opgelegd was. De persoon aan de telefoon had me gezegd de auto aan het einde van de baan achter te laten en alleen te komen. Dat verbaasde met niet: de Avadh-familie stond erom bekend dat ze contact met Indiërs weigerde. Ik vroeg de chauffeur verderop te wachten en stelde me wat ongemakkelijk op in het woud, met mijn notitieschrift in de hand, niet zeker wat er stond te gebeuren.

Toen ritselden de bosjes en kwam een man tevoorschijn. Hij zag er sprookjesachtig uit: hoge jukbeenderen, holle wangen en wild grijs haar dat in plukjes omhoog stak.

“Ik ben Cyrus”, zei hij. Het was de hoge stem die ik aan de telefoon gehoord had. Hij sprak met horten en stoten, als iemand die het gewoon was alleen te zijn. Hij nam me mee het woud in. Ik moest mijn best doen om hem bij te houden door de wirwar van wortels en doornen. Uiteindelijk kwamen we bij een stenen trap die naar het jachthuis leidde. Het was een ruïne, blootgesteld aan de elementen en omringd door tralies.

Wilayat in het station van New Delhi. Hier woonde ze tien jaar lang, wachtend tot haar bezittingen werden teruggegeven. Beeld United Press International

Ik stapte de middeleeuwse grandeur binnen, een kale stenen voorkamer afgezet met palmbomen in loden potten en vervaalde tapijten. Aan de muur hing een olieverfschilderij van de moeder van de prins, gehuld in volumineuze, donkere gewaden, haar ogen gesloten alsof ze in een trance verkeerde.

Het was mijn plan de prins te interviewen en het verhaal op te schrijven. Toen ik hem vroeg naar zijn familie, trok hij van leer over de verdorvenheid van de Britse en de Indiase regeringen. “Ik ben aan het krimpen”, zei hij. “Wij zijn aan het krimpen. De prinses krimpt. Wij krimpen.”

Toen ik vroeg of ik het interview mocht publiceren, weifelde hij. Daar had hij de toelating van zijn zus, prinses Sakina, voor nodig, en die was niet in Delhi. Ik zou moeten terugkomen.

Hofhouding in het station

Het verhaal begon met zijn moeder. Ze stond begin jaren 70 ineens op het perron van het treinstation van New Delhi en stelde zich voor als Wilayat, begum van Avadh. Avadh is een koninkrijk dat niet meer bestaat. De Britten annexeerden het in 1856 – een trauma waarvan de hoofdstad Lucknow nooit meer herstelde. De stadskern wordt nog altijd gevormd door de gewelfde schrijnen en paleizen uit de Avadh-tijd.

De begum verklaarde dat ze het station pas zou verlaten als al haar bezittingen werden teruggegeven. Ze nestelde zich in de wachtruimte van de eerste klasse, samen met een heel huishouden aan tapijten, palmbomen in potten, een zilveren theeservies, Nepalese bedienden en glimmende Deense dogs. Ze had ook twee volwassen kinderen mee, prins Ali Raza en prinses Sakina, een zoon en een dochter die in de twintig leken. Ze spraken haar aan met ‘Uwe Hoogheid’.

Buitenlandse correspondenten stroomden toe en lezers uit alle uithoeken van de wereld begonnen brieven te schrijven waarin ze het voor haar opnamen. De begum uitte strenge voorwaarden – ze mocht alleen gefotografeerd worden bij afnemende maan, meldde United Press International – en journalisten gingen er graag op in, in hun nopjes met de romantische kant van het verhaal.

Bedriegers?

In 1984 wierp haar demarche vruchten af. Premier Indira Gandhi erkende haar aanspraak en stond haar toe in te trekken in het veertiende-eeuwse jachtverblijf dat bekendstond als Malcha Mahal. Ze verlieten het treinstation ongeveer tien jaar nadat ze er waren gearriveerd. Wilayat zou nooit meer in het openbaar verschijnen.

Prins Cyrus. Beeld NYT

Toen onze gesprekken ongeveer negen maanden aan de gang waren, reisde ik naar Lucknow, een stad in het noorden van India en de bakermat van de Avadh-dynastie. Ik moest er zijn voor een ander verhaal, maar ik wist dat Cyrus daar in de jaren 70 met zijn moeder en zus had geleefd, en dus trok ik naar de wijk waar de Avadh-erven volgens mijn informatie verbleven hadden.

Tot mijn verrassing herinnerden de mensen zich Cyrus en zijn familie nog. Maar ze vertelden me bijna terzijde dat ze bedriegers waren. Ook de afstammelingen van de dynastie in Kolkata, waar de nawab (koning) in 1893 in ballingschap was gestorven, verwierpen hun aanspraak. En er waren ook vragen die Cyrus zelf niet leek te kunnen beantwoorden. Waar was hij geboren? Wie was zijn vader? Hoe verpulver je trouwens diamanten?

Filet-O-Fish

Op een avond belde Cyrus me jammerend op om me te vertellen dat zijn zus zeven maanden eerder gestorven was. Hij had het aan niemand verteld en had het lichaam zelf begraven. Hij had er maanden over gelogen tegen me, en hij leek een beetje beschaamd. Hij zei dat ik hem beter nooit meer bezocht en dat hij zo eenzaam was.

Ik wachtte een paar dagen en daagde toen op met een Filet-O-Fish van McDonald’s. Onze relatie leek hersteld. Hij zei zelfs dat ik over hem mocht schrijven, zolang ik niet te veel details vrijgaf.

“Ik moet de waarheid vertellen”, zei ik.

“Oké, je moet de waarheid vertellen.”

We hadden daar vijftien maanden over gediscussieerd, en ik zou snel India verlaten om elders nieuwe taken op te nemen. Dit soort dialogen voerden we aan het einde: ik probeerde hem zover te krijgen om zoveel mogelijk over zijn afkomst vrij te geven – eigenlijk zowat alles – en hij probeerde daar onderuit te komen.

In ons laatste gesprek, een paar uur voor ik op een vliegtuig naar Londen stapte, vroeg hij me hoe iemand me zou kunnen laten weten dat hij gestorven was. Ik vroeg hem of hij van plan was zich van het leven te beroven.

“Voorlopig ga ik me sparen”, zei hij.

“Goed. Wel, tot ziens dan”, zei ik.

Drie maanden later bevond ik me in de luchthaven toen ik vernam dat Cyrus gestorven was. Ik kreeg het nieuws van een vriend bij de BBC.

De wachten van de militaire basis naast zijn domein – ze noemden hem ‘raja’, koning – vertelden later hoe hij gestorven was: aan dengue.

Halfbroer

Een paar maanden later liep ik de stenen trappen naar Malcha Mahal op, met een nieuwsgierigheid die bijna aanvoelde als hebzucht. Ik wilde kijken of ik iets kon vinden in zijn bezittingen. Ik ging door de brieven, op zoek naar een geboorteakte, een paspoort, iets wat zijn familie verbond met de echte wereld.

Twee dingen verbaasden me ten zeerste. Het eerste was een stapeltje ontvangstbewijzen voor regelmatige overschrijvingen van kleine geldbedragen via Western Union in een stad in het noorden van Engeland. De verzender omschreef zich als een ‘halfbroer’.

Het andere was een brief, met de hand geschreven en in 2006 verzonden. Hij was tegelijk chagrijnig en intiem, geërgerd en bezorgd. “Ik lijd zo veel pijn dat ik zelfs niet naar de wc kan gaan”, begon de schrijver. Na een uitgebreide inventaris van fysieke kwalen gegeven te hebben, klaagde de schrijver over de last die het betekende om constant financieel af te dragen voor Wilayat en haar kinderen. Hij was duidelijk geen rijke man. “In godsnaam, probeer financieel zelfredzaam te worden, voor als er iets met me gebeurt”, drukte de schrijver hen op het hart. Hij gaf ook informatie over de laatste storting via Western Union. De brief was ondertekend met ‘Shahid’, en hij was verzonden in Bradford in York­shire.

Gewone familie

Ik keerde in Londen terug met drie aanknopingspunten: de luchtpostbrief uit Yorkshire, de naam Shahid en de uittreksels van Western Union, de bewijzen dat iemand al die jaren in het geheim gezorgd had voor Cyrus en zijn familie.

Ik nam de trein naar Bradford en wandelde naar het adres op de envelop. Ik kwam aan bij een klein huis dat omringd was door een grote collectie tuinkabouters, teddyberen, zeemeerminnen en elfen. De deur zwaaide open en voor me stond een breedgeschouderde, struise man van halverwege de 80 in pyjama met tijgermotief. Hij zag er niet gezond uit, maar hij had het gezicht van Cyrus, dezelfde jukbeenderen en haviksneus.

Shahid, de oudere broer van Cyrus en Sakina, voor zijn woning in Yorkshire. Beeld NYT

Hij wees een zetel voor me aan en ging zelf op een bed liggen. Hij bewoog moeizaam. Hij keek uitdrukkingsloos naar de foto’s die ik had meegebracht. Toen ik voorstelde een opname van de stem van Cyrus af te spelen, wees hij dat af omdat het te pijnlijk zou zijn. Naast zijn ziekbed stonden twee ingekaderde foto’s van Wilayat.

Dit was Shahid, de oudere broer van Cyrus. Eindelijk stootte ik op feiten. Ze waren een gewone familie. Hun vader, Inayatullah Butt, was een pedel aan de universiteit van Lucknow. De naam van mijn vriend was niet prins Cyrus of prins Ali Raza. Hij heette gewoon Mickey Butt.

Geestesziek

Hier, in dit bakstenen huis in West Yorkshire, had ik het gevonden: de identiteit die Cyrus en zijn gezin zo krampachtig geheim probeerden te houden. Shahid, die zijn hele volwassen leven in een ijzersmelterij had gewerkt, kon zich een leven voor Avadh herinneren, toen ze huismeiden en schooluniformen hadden. Toen hun moeder geen rebelse koningin maar een huisvrouw was.

Shahid liep op zijn veertiende weg van huis en emigreerde naar Groot-Brittannië. Hij sprak zelden over de aanspraak van zijn moeder op de troon van Avadh. Toen ik daarover doorvroeg, was hij ontwijkend. Hij zei dat hij zelfs niet zeker wist of hij een Indiër of Pakistani was. “Ik ben zo verward, ik weet niet wie ik ben”, zei hij. “Ik ben als een vogel, een verloren gevlogen vogel, een verloren gelopen schaap.”

Het was pijnlijk om Shahid te doen spreken over zijn moeder, broer en zus.

Tijdens mijn vierde bezoek aan Bradford, de laatste keer dat ik Shahid zag, was zijn stem schor maar vertelde hij me meer dan ooit. Het verhaal dat hij me vertelde begon bij de Deling, de traumatische scheiding van India in 1947 na het vertrek van de Britten.

Op 3 juni 1947 kondigde Lord Mountbatten, de Britse viceroy, aan dat India na de terugtrekking van het Britse rijk uiteen zou vallen in twee onafhankelijke staten, waarbij het nieuwe Pakistan een moslimstaat zou worden. Hooggeschoolde moslims uit Lucknow trokken en masse naar de nieuwe hoofdstad van Pakistan.

Malcha Mahal, een veertiende-eeuws jachtverblijf in een verwilderd stuk park in het midden van Delhi. Hier leefde de familie decennialang als kluizenaars. Beeld NYT

Shahids ouders moesten snel een beslissing nemen en kiezen tussen India en Pakistan. Zijn moeder, Wilayat Butt, was altijd immens gelukkig geweest in Lucknow. Ze was vurig en sterk. Ze weigerde te vertrekken. Maar op een middag reed Shahids vader naar huis met de fiets. Plotseling werd hij omsingeld door hindoejongeren die met hockeysticks op hem begonnen te slaan. Snel besloot hij met zijn gezin naar Pakistan te vertrekken, waar hij een baan kon krijgen als hoofd van de burgerlijke luchtvaartmaatschappij.

Wilayat volgde haar echtgenoot, maar ze aanvaardde nooit zijn beslissing om India te verlaten. Ze was geobsedeerd door wat ze had achtergelaten. Die wrevel woekerde in haar geest en haar gedrag werd onvoorspelbaar. Toen stierf haar man plots. Niemand hield haar nog tegen, en razend over de onteigening sprak ze een Pakistaanse minister erover aan in het openbaar. Ze gaf hem zelfs een klap, zei Shahid.

Dat veranderde veel voor Wilayat. Ze was niet langer een weduwe met goede connecties, maar een probleemgeval. Ze werd zes maanden opgenomen in een instelling voor geesteszieken in Lahore. Het was volgens Shahid de enige manier om een lange celstraf te ontlopen. Shahid herinnert zich nog de bezoeken, met het geweeklaag en de verwensingen. “Het was verschrikkelijk.”

Epische proporties

Toen ze opnieuw vrij was, schaarde Wilayat haar jongste kinderen rond zich, pakte ze tapijten en juwelen in en smokkelde ze alles opnieuw India binnen, met als doel haar eigendommen op te eisen. Shahid ging mee, maar haakte later af. Hij kon niet onder woorden brengen waarom hij was weggegaan. Daar stokte zijn verhaal.

Eerder deze maand stierf Shahid in zijn huis, terwijl zijn vrouw zijn hand vasthield.

Het was de Deling die zijn moeder de das omdeed, die haar op het pad naar het vervallen paleis zette, had Shahid me verteld. “We moesten helemaal opnieuw beginnen”, zei hij.

Begin jaren 70 meldde Wilayat, nog altijd met lege handen en almaar vreemder gedrag vertonend, de wereld dat ze de koningin van Avadh was en eiste ze grote delen op van het koninkrijk dat niet meer bestond. Een alledaagse, onbehandelde klacht was uitgegroeid tot een aanspraak met epische proporties. De rest van het verhaal kent u. Ze waren zo overtuigend, zo volhardend, dat mensen hen veertig jaar lang geloofden.

Ziezo, ik heb het geheim ontsluierd. Cyrus zou dat hebben gehaat. Hij weigerde vragen over zijn verleden te beantwoorden; het was een van de essentiële thema’s van onze vriendschap. Ik probeer me voor te stellen hoe hij hierop zou reageren. Anderzijds: waarom nodig je een journalist uit als je niet wilt dat dit gebeurt?

Hij was begraven op een openbare begraafplaats als onbekende persoon, onder het nummer DD33B. Onbekende personen krijgen alleen wat steenslag op een kleine ophoging die alle kanten uit gaat. Nadat ik naar mijn gevoel uren op de begraafplaats had rondgewandeld, ging ik zitten. Ik was bezweet en voelde me ellendig.

“Hij is verloren in een stad van doden”, schreef ik in mijn schriftje.

© New York Times

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234