Woensdag 25/11/2020

Wie was de échte Alice in Wonderland?

Vandaag komt Tim Burtons verfilming van Lewis Carrolls onvergetelijke klassieker Alice in Wonderland in onze bioscoopzalen aan, na de Bijbel en het werk van Shakespeare het meest geciteerde boek aller tijden. Wie was die Alice, vroegen we ons af, en we stootten op een verhaal over een onmogelijke liefde en vooral heel veel eenzaamheid.

Door Marnix Verplancke

Het begon allemaal - zoals zoveel in het uiterst gereserveerde Victoriaanse Engeland - met een boating trip, de ideale gelegenheid om de maatschappelijke conventies achter te laten en de persoonlijke creativiteit de vrijheid te schenken. Het was een schitterende zomerdag, die vierde juli 1862, toen wiskundedocent Charles Lutwidge Dodgson, zijn vriend Duckworth en de drie dochters van de dean van het Oxfordse Christ Church College van wal staken om op de oevers van Godstow hun afternoon tea te nuttigen. Lorina, Edith en Alice zoals de meisjes heetten, vonden het stomvervelend om doelloos op de oever van de voorbijruisende rivier te liggen en vroegen Dodgson om een verhaal. Even denken, zei de toen 31-jarige op het eerste gezicht ietwat saaie jongeman, en niet veel later begon hij te vertellen over de kleine Alice die zich tijdens een picknick samen met haar zusjes stierlijk zat te vervelen op de oever van een voorbijruisende rivier. Ze had al eens gepiept in het boek dat een van die zusjes aan het lezen was, maar toen ze zag dat er geen plaatjes of dialogen in stonden had ze gauw afgehaakt, want, geef toe, wat is het nut van een boek zonder plaatjes of dialogen? Plots viel haar oog op een voorbijrennend wit konijn met een keurig jasje aan en een zakhorloge in de hand. “O jee”, zei het dier, “ik zal te laat komen.” En omdat Alice dat zo’n intrigerend beeld vond, ging ze achter het konijn aan, recht zijn hol in, wat haar niet alleen op een duizelingwekkende valpartij kwam te staan, maar ook op een aantal bizarre avonturen die de grenzen van de logica en het maatschappelijk fatsoen op onnavolgbare wijze aftastten.

Omdat Alice, toen tien jaar oud en niet op haar mondje gevallen, maar bleef aandringen, begon Dodgson een maand of vijf later met het neerschrijven van alle verhalen die hij de voorbije jaren aan haar en haar zusjes had verteld. Hij maakte er een mooi boekje van, gaf het de titel Alice’s Adventures Underground en schonk het haar als kerstcadeau, daarmee een vriendschap bezegelend die zes jaar eerder begonnen was. En omdat hij eerder al poëzie gepubliceerd had onder de naam Lewis Carroll - zijn verlatijnste voornamen in omgekeerde volgorde, waarbij Lutwidge Lewis werd en Charles Carroll - kwam het boekje niet veel later onder die nom de plume op de markt.

Toen Dodgson in 1855 tot docent wiskunde en onderbibliothecaris van Christ Church werd benoemd, leek hij een man van dertien in een dozijn te zullen worden, een grijze duif wiens colleges volgens een paar van zijn ex-studenten net zo spannend waren als kijken naar het opschietende gras van een in onbruik geraakt cricketveld. De grote ommezwaai kwam een jaar later, toen de nieuwe dean van het college, Henry Liddell, met zijn gezin zijn ambtswoning betrok. Vanuit de bibliotheek had Dodgson goed zicht op de tuin van de deanery en daar zag hij de drie zusjes Liddell regelmatig spelen. Omdat hij een fotografiepionier was nam hij contact op met de dean en vroeg hem of hij de meisjes mocht fotograferen met de kathedraal van Oxford op de achtergrond. Het mocht, en Dodgson had zijn entree gemaakt in het gezin waarvan het dochtertje Alice zijn oogappel zou worden.

Nu was Alice niet het eerste kindvriendinnetje van de schrijver. Kleine meisjes waren immers zijn obsessie en hij deed niets liever dan hen fotograferen, als het even kon in gescheurde bohemienoutfit of, maar daar vroeg hij eerst de toestemming van de ouders voor, in hun ‘natuurlijke staat’, want zo vond hij hen het mooist. En dat in tegenstelling tot kleine jongetjes wier naakte lijfjes gewoon schreeuwden om bedekt te worden. Eens een jaar of veertien vond hij die meisjes trouwens ook het bekijken niet meer waard, want dan was hun onschuld weg, samen met hun kinderlijke vormen. Wanneer Dodgson de trein nam, had hij altijd een tas vol spelletjes mee, om er eventuele vriendinnetjes mee te vermaken. Hij hield van kaarttrucs en genoot van de bewondering van zijn jonge publiek dat hij verwende met drankjes, taartjes en een zee van kusjes terwijl ze op zijn knie paardje mochten rijden. Hij gaf theepartijtjes waarop croquet en schaak werd gespeeld, helemaal zoals in Alice in Wonderland, en hij schreef zijn kindvriendinnetjes ook brieven, waarin hij taalgrappen maakte en smeekte om aandacht. De laatste 37 jaar van zijn leven hield hij bij hoeveel brieven hij zo wel schreef, en hij kwam op een totaal van 98.721. Dodgson bleef zijn hele leven vrijgezel en toen de actrice Ellen Terry, met wie hij bijzonder goed opschoot, later gevraagd werd hoe ver hun relatie wel gegaan was, antwoordde zij: “Hij was net zo gek op mij als hij kon zijn op iemand die ouder was dan tien.”

Voor ons eenentwintigste-eeuwers, die je geen blaasjes meer wijsmaakt, komt dit alles op zijn zachtst gezegd verdacht over, maar pre-Freudiaanse Victorianen zagen daar minder graten in. Helemaal in de lijn van romantici als William Blake en Samuel Taylor Coleridge werd het kleine meisje toen vereerd als het toonbeeld van onschuld, en Dodgson stond met zijn fascinatie voor al dat jonge vlees dus niet alleen. Maar hij besefte ook wel dat er iets raars aan zat. Ontelbare keren smeekte hij God in zijn dagboeken om sterkte in zijn strijd tegen zijn zwakheden en zijn expliciete wens dat alle naaktfoto’s na zijn dood verbrand zouden worden, laat ook al een ongerust geweten vermoeden.

En dan is er nog de breuk met de familie Liddell natuurlijk, waarvan de details door toedoen van de familie van Dodgson voor altijd verdwenen zijn. Onmiddellijk na zijn dood in 1898 werd een groot deel van zijn papieren opgestookt. De dertien dagboeken overleefden die kaalslag grotendeels, al werden er vier per ongeluk met het oud papier meegegeven en bleken uit het voor ons verhaal relevante deel toen het in 1969 aan het British Museum werd geschonken de pagina’s over die ruzie weggesneden te zijn. Er zijn verschillende oorzaken geopperd, dat Dodgson iets met de huishoudster had en dat mevrouw Liddell dat doorkreeg, dat hij Alices oudere zus op haar veertiende ten huwelijk vroeg en wandelen werd gestuurd, of zelfs dat de interne universiteitspolitiek er iets mee te maken had, feit is echter dat het tussen Dodgson en de Liddells in de zomer van 1863 compleet fout liep, dat haar moeder Alice voortaan verbood voor de schrijver te poseren en de honderden brieven die hij het meisje had geschreven vernietigde.

Misschien begon ze te beseffen dat Dodgsons liefde voor haar dochter niet zo onschuldig was, en misschien besefte Alice dat later zelf ook. Naast de hele reeks kindfoto’s die Dodgson van haar maakte en waarop ze een levenslustig en onwetend wezentje lijkt, is er immers nog een andere, die hij maakte toen Alice achttien was. Daarop zien we iets heel anders: een jonge vrouw in een fauteuil, de armen een beetje onnatuurlijk langs haar lichaam gestrekt, met een lege blik in de ogen. Ze ziet er eenzaam uit, wat een voorafspiegeling lijkt van haar verdere bestaan als Victoriaanse echtgenote. Van levensvreugde is hier geen sprake meer. Het lijkt eerder alsof Alice tegen haar zin herinnerd wordt aan het perverse plezier dat de fotograaf een decennium eerder aan haar beleefde.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234