Dinsdag 07/12/2021

Wie spuit doping, wie spuit mist?

Op dinsdag 23 januari ging zo'n zware schokgolf door het peloton dat je zelfs geen seismograaf nodig had om die aardbeving vast te stellen. 'Het Laatste Nieuws' kopte: 'Lefevere in opspraak, reconstructie van dertig jaar dopingverleden'. Het artikel zorgde voor een storm in de media en een reeks klachten bij het gerecht. Pas nu, twee weken later, is het stof gaan liggen en kunnen we ons de vraag stellen: wat weten we nu meer over doping in het wielrennen, over Patrick Lefevere, Johan Museeuw en Tom Boonen?

Door Walter Pauli

Zeggen dat Het Laatste Nieuws vorige week indruk maakte met zijn dopingreeks is een understatement. Dinsdagochtend borstelden acht getuigen, onder wier zes anonieme, een vernietigend portret van QuickStepmanager Patrick Lefevere: een ex-junk, vervolgens een handelaar in doping en een man die zijn renners verplichtte 'spul' te nemen.

Tegen de avond won het krantendossier aan kracht doordat Johan Museeuw, de beste klassieke renner van de jaren negentig, vriend en vedette van Lefevere, bekende dat hij inderdaad doping genomen had. Museeuw zag zich daartoe verplicht doordat Het Laatste Nieuws de dag erna een door hem afgelegde en door Wouter Vandenhaute opgeschreven schuldbekentenis uit februari 2005 zou afdrukken. De krant schreef erbij dat Lefevere Museeuw verboden had die bekentenis af te leggen. Op de koop toe vertelde een (anonieme) QuickSteprenner dat Lefevere en ploegdokter Yvan Vanmol hun renners nog altijd verplichten doping te nemen. Meer, te kopen: bij henzelf.

Dat miste zijn effect niet. In Morgen beter riep Gui Polspoel dat de omerta van de wielerjournalisten een schande is. Minister van Sport Bert Anciaux kon niet snel genoeg het ontslag van Lefevere eisen: "Ik zal er persoonlijk op toekijken."

Intussen nam de ex-VRT-sportjournalist Ivan Sonck discreet contact met Het Laatste Nieuws-journalist Maarten Michielssens om hem van extra (achtergrond)informatie te voorzien. Sonck deed dat niet omdat hij de berichtgeving ongenegen was.

Zo vond deze zaak een tweede adem. In De zevende dag van zondag 28 januari zei Michielssens "keiharde bewijzen" te hebben dat Vanmol groeihormonen verstrekte. Maandag bleek dat bewijs een videoband te zijn waarop een telefonisch gesprek stond tussen Sonck en Vanmol.

Tot nu toe zijn dat de feiten, 'het dossier-Lefevere-Vanmol', zo men wil. Alle analyses en beoordelingen van het dispuut van de voorbij weken vertrekken van de beoordeling van de kwaliteit van het aangeleverde materiaal. Is het juist? Nieuw? Of misschien niet nieuw, maar werpt het wel nieuw licht op al gekende feiten? Wat leerden we bij?

Patrick Lefevere (Moorslede, 1955) is medio de jaren zeventig een behoorlijk amateur. Hij wordt tweede op het Belgisch Kampioenschap in 1975 en wint dat jaar een rit in Olympia's Ronde in Nederland. Een niet onopgemerkte prestatie, gezien het internationale niveau van die wedstrijd. Maar België had toen nog andere amateurs, zelfs betere. Lefevere is even oud als Frank Hoste, René Martens of Eddy Schepers. Die won zelfs de Ronde van de Toekomst, de 'Tour' voor amateurs. Einde 1976 debuteert Lefevere bij de profs, zij het 'slechts' bij het bescheiden Ebo-Cinzia. Later rijdt hij voor Marc-Superia, met de oudere Vanspringel als kopman. Lefevere wint niet vaak. Zijn meest klinkende zeges haalt hij in 1978, een Vueltarit en Kuurne-Brussel-Kuurne.

En hij zou toen doping nemen als de beesten, zeiden de getuigen in Het Laatste Nieuws. De bron ervan is Luc Cappelle, een oude gabber van Lefevere. Cappelle noemt zichzelf een "dealer" die Lefevere van pakken doping voorzag.

Is dat nieuw, of juist? Beide niet echt. Al op 23 december confronteert De Morgen Lefevere met de stelling van Cappelle. Lefevere doet de man af als een onbetrouwbare getuige. Hij had overigens gelijk, zo bleek vorige week (ná de publicatie van Cappelles beschuldiging), toen bekend raakte dat de halve familie-Cappelle zich voor de rechtbank moet verantwoorden. Luc Cappelle níét. Omdat, zo meldt het persagentschap Belga, "hij ontoerekeningsvatbaar is verklaard".

Overigens bekende Lefevere in datzelfde kerstinterview met De Morgen dat hij toen soms doping gebruikte, "eens wat cortisone" en "deca-durabolin", een spierversterkend hormoon. Frank Hoste zei zich Lefevere juist te herinneren als een renner die opvallend voorzichtiger was met doping. Nu is Hoste én toerekeningsvatbaar, én geen Lefeverevriendje.

Nog een andere getuige ('insider 1' in het artikel) noemt Lefevere een "trafikant". In "de jaren zeventig" zou hij "pervitine, captagon en stimul" gedeald hebben aan West-Vlaamse renners. Uit faxen waarover de redactie beschikt, blijkt dat 'insider 1' misschien beter als 'verzorger 3' was bestempeld. Het gaat immers om een van de bekendste - beruchtste - soigneurs uit het peloton: Jef D'Hondt. D'Hondt werd in 1998 gearresteerd in de Festina-affaire. Op het proces, in 2001, werd hij veroordeeld tot 9 maanden voorwaardelijk en een boete van 20.000 Franse frank, 123.000 Belgische frank.

Wellicht om processen te vermijden worden enkel de initialen afgedrukt van de renners die zich, volgens D'Hondt, bij Lefevere lieten bevoorraden: M.M., C.C. en M.R. Zowel M.M. als M.R. zijn generatiegenoten van Lefevere, beiden geboren in 1953 in Roeselare, en ploegmaats van hem bij Ebo en Marc Superia. Maar C.C. uit Bavikhove is acht jaar ouder dan Lefevere. C. was prof tussen 1968 en 1973. Dat verwondert: een jonge prof (Lefevere) zou doping verkopen aan een oudere renner (C.), die gestopt was met koersen toen Lefevere amper achttien was? Is dat niet de omkering van de geplogendheden, die willen dat oude renners de jonkies 'inwijden', en niet omgekeerd?

Een - anonieme - verzorger ('verzorger 1' genaamd) weet dat Lefevere zelfs geïnterneerd werd in een afkickcentrum. Lefevere had weinig moeite om duidelijk te maken dat dat een verzinsel is: hij beloofde geld aan wie hem de naam van die instelling doorspeelt.

Dus samengevat: over de renner Lefevere kwam er weinig of geen nieuwe informatie. Alles was gezegd en geweten. En de nieuwe onthullingen (zoals het afkicken) zijn, op zijn zachtst gezegd, twijfelachtig.

Halverwege 1979 stopt Patrick Lefevere als renner wegens een verharding van zijn spieren. Hij wordt adjunct-ploegleider bij Marc Zeepcentrale. In 1980 al is hij de enige baas. In de bewuste fax insinueert D'Hondt dat Lefevere goed lag bij zijn werkgever, omdat hij partydrugs verschafte voor diens seksfeesten. Alleen konden krantenlezers dat deel van de getuigenis niet volledig lezen. Eén naam die D'Hondt neerschreef, S., ontbrak. Het ging nochtans om de trainer van een van de betere eersteklassevoetbalclubs. Dat bevreemdt. Waarom alleen de wielrenners viseren, niet de voetbaltrainer? Was dit geen kans om een Vlaamse voorloper van het Fuentesnetwerk te ontmaskeren, voetballers en wielrenners samen? Waarom selectief schrappen? En indien men geen geloof hecht aan de naam van de voetbalman, waarom dan wel aan die van de anderen?

Overigens stond Lefevere in die tijd helemaal niet bekend als een clean verklaarde junk. Integendeel. Ten bewijze een interview in Sport Magazine, een blad dat ook in 1980 het licht zag en de sportieve Knack wilde zijn: degelijk, kritisch, onafhankelijk. Op 7 augustus 1980 interviewde journalist Koen Meulenaere, bepaald geen jaknikker, voor Sport Magazine twee 'moderne', beginnende ploegleiders, namelijk ex-renners Patrick Lefevere (Marc Zeepcentrale) en Walter Godefroot (IJsboerke). Meulenaere zet hen af tegen de oudere generatie die toen de plak zwaaide: Driessens, Van Vaerenbergh, De Kimpe. De generatie van: 'Doping? Ken ik niet. En als er iets van aan is, wordt het overdreven.'

De eerste klassieker die Lefevere als ploegleider volgt, Omloop Het Volk, wordt meteen gewonnen door kopman Bruyère. Maar dan valt het stil. Bij de Tourstart had 'Marc Zeepcentrale' nauwelijks meer gewonnen dan die ene zege.

De Tour moest het seizoen dus redden. Dat lukte pas in de laatste week. Maar hoe. 'Marc Zeepcentrale' wint twéé Alpenritten. Eerst Jos De Schoenmaecker, op Pra-Loup. Twee dagen later Ludo Loos, van Morzine naar Prapoutel, de hele dag voorop over vijf cols. Over een deel van het parcours waar Floyd Landis zijn solovlucht deed. Er zijn nog gelijkenissen. De bescheiden Loos reed kleppers als Alban, Agostinho, Van Impe en Zoetemelk op meer dan vijf minuten.

Was dat een zuivere prestatie? Wellicht niet. Al in 1999 schreef ex-verzorger Willy Voet in Prikken en slikken hoe hij een condoom met schone urine vulde, die in de aars van een renner stopte ("de urine blijft mooi warm"). Vandaar leidde hij een dun slangetje door de bilnaad, tussen de benen, en kleefde het onder de penis vast. Het was een geperfectioneerde variant van de 'peer' waarmee Michel Pollentier zich in 1978 op L'Alpe d'Huez had laten betrappen. Voet deed dat voor het eerst bij "een rennertje van Zeepcentrale". Loos was klein van stuk. Hij had nog nooit een grote zege geboekt en zou het daarna nooit meer doen. Het is geen bewijs, hoogstens een vermoeden. Maar Voets getuigenis is nooit ontkend, ook al is ze nu al zeven jaar oud. Toen ze herhaald werd in het krantendossier werd ze dus andermaal niet ontkend. Logisch.

Neen, dat was niet fraai. Was Marc-Zeepcentrale een van doping vergeven ploeg? Ja, volgens de standaarden van nu. Neen, volgens de praxis van toen. In diezelfde Tour 1980 verdwijnt de Duitse vedette Didi Thurau na een goede week, na zijn derde positieve test in één seizoen. De pers schreef dat Thurau zich liet 'sonderen': hij plaste voor hij naar de dopingcontrole moest, en vervolgens werd propere urine rechtstreeks in de lege blaas gebracht. Zo ging hij dan naar de controle. De officials kregen argwaan toen ze in Thuraus urine sporen van nicotine aantroffen. Thurau rookte niet.

De twee Alpenritten mochten niet baten. Zowel de sponsor van Lefevere als die van Godefroot doeken hun ploeg dat jaar op. De twee werkloze sportdirecteurs slaan de handen in elkaar, een verbond dat tien jaar zal duren. Van 1981 tot 1991 werken ze vooral met Noord-Europese sponsors (Capri-Sonne, Domex, Weinmann). Tussendoor stampen ze in 1985 de Lottoploeg uit de grond.

Hoe het er bij die ploegen toe ging inzake medische begeleiding? Bijzonder slecht, volgens de getuigen die vorige week opdoken. Niet Godefroot, maar Lefevere is de schuldige. 'Verzorger 1': "Iedereen wist hoe het er aan toe ging. Lefevere nam enkel mensen aan die wisten hoe ze een coureur moesten prepareren. In de jaren tachtig heeft hij de knepen van het vak geleerd." Klopt dat? De twee jaren dat Capri-Sonne actief was (1981 en 1982), was er één belangrijk dopinggeval in het team: de Nieuw-Zeelander Eric McKenzie wint in 1982, na een magistrale sprint, het Kampioenschap van Zürich. Hij wordt betrapt op doping, vervolgens ontslagen.

Maar Capri-Sonne is zeker geen dopingploeg. Het toeval wil dat er een goede, zo niet majeure bron bestaat over de medische begeleiding daar: Van Santander naar Santander, de memoires van de Nederlander Peter Winnen, kopman bij Capri-Sonne en zowel in 1981 (L'Alpe d'Huez) als in 1982 (Morzine) winnaar van de koninginnenrit in de Tour.

Winnens getuigenis dateert uit 2002, de feiten die hij aanhaalt mogen dus al vijf jaar als bekend beschouwd worden. In Nederland werd zijn boek zowel bejubeld als verguisd. Sommigen vinden Winnen een 'nestbevuiler'. Hij zwijgt namelijk niet over doping.

Wat blijkt? Bij Capri-Sonne voelt Winnen zich oké. Hij heeft alleen goede woorden over voor zijn Jomme, soigneur, en ook voor de ploegdokter. In de Tour kreeg Winnen wel een infuus vol glucose om te recupereren. Toen mocht dat nog in het wielrennen, zoals dat vandaag nog kan in het tennis.

Op een dag stelde verzorger Jomme hem voor, als hij het wilde, "verder" te gaan. Niet alleen meer vitamientjes uit zijn bekende, "grote valies", maar "diamantjes" uit een apart, klein koffertje. Winnen weigerde: "Ik heb geen zin in zo'n krantenkop: 'Winnen gedoped.'" Niet dat Winnen maagdelijk wilde zijn: "De dopingzonden, ach, ik bega ze ook, op heel kleine schaal. Cafeïne, anders ingenomen dan via een bak verse koffie, is volgens de reglementen verboden. Cafeïnepillen heb ik in de koers natuurlijk altijd bij mij. Je kunt van een coureur moeilijk verlangen dat hij onderweg eventjes een terrasje opzoekt."

Het ging er dus smooth aan toe bij de ploeg-Godefroot-Lefevere. Dat wordt in 1983 anders, als Winnen verhuist naar de ploeg-Post, toen het beste team ter wereld. Maar Peter Post was niet tevreden met Winnens conditie en stuurde hem naar dokter R., een huisarts uit Velsen. Zoals Winnen het beschrijft, is het haast een verkrachtingsscène. Eerst krijgt hij een inspuiting met antibiotica. Dan een andere:

"'Toch geen hormonen', zei ik.

'Zeg eens, wie heeft hier medicijnen gestudeerd?'

'Als het hormonen zijn, laat maar zitten.'

'We gaan hier toch niet de misdienaar uithangen?' Dreigender: 'Hier zal je ploegbaas blij mee zijn.'"

Het eindigde zo: "Toen R. uitgesproken was, keerde ik me om en ontblootte, zonder een woord te spreken, de andere nog ongeprikte bil. R. deed wat hij vond dat nodig was. Vervolgens adviseerde hij me voorlopig de koersen te mijden. Bij een eventuele urinecontrole zou ik gloeiend nat zijn. Vervolgens maakte ik een vervolgafspraak."

Deze getuigenis leert dus, ten eerste, dat de ploeg Godefroot-Lefevere weliswaar niet dopingvrij was, maar duidelijk voorzichtiger optrad dan de ploeg die toen gold als het meest professionele en voorbeeldigste team ter wereld. De ploeg van Raas, Knetemann, Zoetemelk, Van der Velde, Oosterbosch, Pronk, Priem en co., deel van de legende van de wielersport. Ook al raakte Van der Velde verslaafd aan amfetamines, stierf Oosterbosch erg jong aan een hartaanval, en werd Priem, als ploegleider van TVM, veroordeeld wegens overtreding van de Franse dopingwet.

Samengevat: ook over deze vroege jaren van ploegleider Lefevere werden we vorige week amper wijzer. Wat er gebeurde, was al geweten en geschreven. Het 'nieuwe' is vaag en niet accuraat.

Tot 1992 vormt Lefevere een vaste tandem met Godefroot. Dat jaar kapt hun sponsor, Weinmann, er vroeger mee dan verwacht. De wegen scheiden: Godefroot gaat naar Telekom, Lefevere neemt een paar renners mee naar GB-MG, een samengestelde ploeg uit restanten van onder meer Weinmann en Tonton Tapis (waardoor Roger De Vlaeminck er hoofdcoach wordt). Maar Lefevere was nu zelf klaar voor het grote werk. Met de financiële steun van GB weekt hij de nieuwe Belgische kampioen los van Lotto, een renner die dat jaar nog twee magistrale sprints won in de Tour: Johan Museeuw.

Vanaf 1993 werd Patrick Lefevere voor het Belgische wielrennen wat Peter Post daarvoor voor de Nederlanders was: de coach die zo succesrijk wordt dan zijn teams het hele land achter zich krijgen. Ze worden bekend als de 'ploeg-Lefevere'. In werkelijkheid heetten ze GB-MG (1992-1994), Mapei (1995 - 2002), Domo (2001 - 2002) en QuickStep (2003 - heden). Het waren bijna altijd 'samengestelde' ploegen. Lefevere bracht één deel van de renners aan, andere ploegleiders 'hun' groep. In 1993 bestond GB-MG uit een Belgische kern rond Johan Museeuw, maar daarnaast was er ook de voormalige Del Tongogroep, met kleppers als Cipollini, Ballerini en Chioccioli, plus sterke Oost-Europeanen als Zenon Jaskula en Andrei Tchmile.

Maar in 1995 wordt de ploeg pas echt een monsterlijk conglomeraat. De Belgische kern fuseert met wat er rest van het Italiaans-Spaanse Mapei-Clas. De Spanjaarden waren een armada op zich, gespecialiseerd in het ronderennen. De ploeg kreeg niet minder dan negen Spaanse renners, allemaal onwezenlijk sterke mannen: wereldkampioen Olano, Echave, Escartin, Beltran, Pena, et cetera. Ook de Zwitserse kopman, Tony Rominger, zag men als een 'Spanjaard'.

Het is over deze periode dat twee dokters anoniem getuigen. Ze leggen uit hoe in 2001 renners epo kregen tijdens een hoogtestage in de Sierra Nevada, in Spanje. Met veel details zeggen ze hoe Vanmol en Lefevere ook de interne ploegafspraken omzeilden.

De voornaamste kritiek op deze getuigenissen is bekend: epo toedienen op hoogtestage is zinloos. Je doet dat namelijk precies om je bloed natuurlijk te verrijken. Dat is als suiker strooien op Turks gebak. En in 2001 was niet Lefevere, maar Eric Vanderaerden er de Belgische ploegleider. Lefevere zat bij Domo.

Volgens Lefevere waren de Spanjaarden een clan op zich, met eigen wetten en gewoonten, ook qua medische verzorging. Vandaar dat hij hen buitenwerkte.

Dat klopt, en ook weer niet. Het klopt dat Lefevere brak met 'de Spanjaarden'. Hij deed dat overigens al op het einde van het seizoen 1996, dus twéé volle jaren voor de Festina-affaire. Die datum is uiterst belangrijk, omdat nogal wat ploegleiders vinden dat ze geen verantwoording moeten afleggen voor die tijd: 'Toen wist de buitenwereld het niet, dus mocht het.'

Maar pleit dat Lefevere helemaal vrij, en zijn Belgische kern? Niemand die het gelooft. In het voorwoord van zijn boek met wijlen Eric Rijckaert, de Belgische Festinadokter die het als zijn taak zag 'medisch verantwoord' epo toe te dienen, schrijft De Morgen-journalist Hans Vandeweghe: "In de zomer van 1998 - dé zomer van dé Tour - had ik een collega-Tourdokter bezocht. Die wou zijn verhaal kwijt, maar wel anoniem. (...) Niemand kon aan de waarheid twijfelen, want het was uit de buik van het peloton geschreven. Vijfennegentig procent van de renners in de Tour van 1998, aldus de dokter, reden met epo." Er is geen reden om aan te nemen dat die 5 procent niet-gebruikers de paar Belgen van Mapei waren.

Ook in die zin was Lefevere een kind van zijn tijd. De jaren negentig waren lange tijd doping-arm, zogezegd. In 1988 was het wielrennen nog opgeschrikt door de affaire-Delgado en de zaak-Theunisse. 1988 was in het algemeen een kanteljaar, wegens de positieve Ben Johnson in Seoel. De dopingcontrole had het succes de strijd tegen de steroïden te winnen. Maar kort erna kwam er een nieuw, onopspoorbaar wondermiddel: epo.

Sindsdien is de naam 'Gewiss' een begrip, wegens de onwereldse suprematie waarmee Argentin, Furlan en Berzin de Waalse Pijl 1994 domineerden. Alleen deed Mapei in Parijs-Roubaix 1996 hetzelfde. Drie renners reden ineens sneller dan de rest, zomaar: Museeuw, Bortolami en Tafi. Drie Mapeis.

Terug naar het kerstinterview met Lefevere. Zijn uitspraken zijn tegelijk een schuldbekentenis en een verantwoording. "Ik durf te zeggen dat wij altijd een van de cleanste ploegen waren, cleaner dan de andere. Het eerste wat ik heb gedaan was afspraken maken: de dokter geeft spuiten als dat nodig is, niet de renners en niet de verzorgers. Met Yvan Vanmol heb ik een dokter met een deontologie." Wie dus iets nieuws hoorde op de tape van Vanmol, het 'keiharde bewijs', is geen abonnee van deze krant. En evenmin iemand die de zoekrobot van Mediargus beheerst.

Museeuw dan. Zijn publieke biecht over zijn stiekeme doping-op-late-leeftijd was 'een feit'. Zij het dat Lefevere, tijdens - jawel - het decemberinterview al preciezere informatie gaf dan vorige week vrijkwam: "Ik heb Johan Museeuw laten komen en hem gevraagd wat hij zou doen. (...) Ik heb hem eerst de waarheid gevraagd. 'Is er iets?', vroeg ik. 'Neen', zei hij, 'ik ben onschuldig.' Pas later zijn die lekken gekomen met die sms'jes. Toen dacht ik: 'Ik heb je de kans gegeven om de waarheid te vertellen en nu wil ik het niet meer weten.'" Expliciet vroeg De Morgen toen Lefevere naar zijn poging Museeuws bekentenis te saboteren: "Ik heb die verklaring nooit gezien, maar ik heb hem wel gezegd dat ik ertegen was. Hij kon niet tegen ons volhouden dat hij onschuldig was en aan de andere kant een knieval doen."

Of we vorige week dus iets nieuws leerden over de Mapei- en Quickstep-tijd? Ja, één en slechts één feit: dat Museeuw eindelijk zei wat hij al geschreven had. That's it.

Onderzoeksjournalistiek is niet de gemakkelijkste vorm van journalistiek. Niet het minst omdat de journalist zelf meestal niet hoeft te rekenen op veel applaus - leer de redactie van De Morgen dat lot niet kennen. Dat gaat zo: een krant of tijdschrift pakt uit met een dossier. Dan volgt altijd een fase van spitsroeden lopen onder de kritiek van de andere media. En zoveel te pijnlijker of spectaculairder de onthullingen, zoveel te ijveriger de concurrentie feiten en conclusies in twijfel zal trekken, of in het beste geval nuanceren. In die zin is het niet nieuw dat een grote scoop leidt tot een fikse persrel. Het is veeleer regel dan uitzondering.

Men zal ook altijd verontwaardigd doen over gebeurlijke anonieme getuigen. Al houdt dat eigenlijk geen steek meer sinds het beste journalistieke dossier ooit, de Watergate-artikels van Bob Woodward en Carl Bernstein, precies hun kracht haalde uit een anonieme bron van uitzonderlijke waarde, 'Deep Throat'. Pas in 2005 bleek dat president Nixon aan de galg was gepraat door Mark Felt, de nummer twee van de FBI. Ook Felt was toerekeningsvatbaar.

De hyperkritische reactie van andere media is in se een heilzaam proces. Het maakt deel uit van de noodzakelijke falsificatie van de feiten, een techniek die elke student geschiedenis leert in zijn basiscursus 'historische methode'. Zo deden Woodward en Bernstein het ook: bij wijze van spreken legden ze hun bronnen aan de leugendetector. In hun beroemde boek All the President's Men beschreven ze hun methode als volgt: "Verder had hij (Woodward, WP) ermee ingestemd dat hij die man (Deep Throat, WP) nooit zou citeren, zelfs niet als een anonieme bron. Hun gesprekken zouden alleen gevoerd worden om inlichtingen bevestigd te krijgen die elders verkregen waren en om ze in een bepaald perspectief te plaatsen." En vaak, als Deep Throat Woodward tipte of stuurde, spoorde hij hem aan: "Te zwak. Je kunt het veel harder maken." Harde feiten, het is het enige wat de vorige weken ontbrak. Al is dat essentieel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234