Donderdag 17/10/2019

Jemen

Wie heeft oog voor de kinderen van Jemen?

Beeld Robin Ramaekers

In Jemen, ver weg van de ogen van de wereld, woedt een verschrikkelijke burgeroorlog. 120.000 kinderen zijn in acuut levensgevaar, door ziekte, maar vooral door ondervoeding. VTM-journalist Robin Ramaekers trok naar het belaagde noorden van het land en waande zich soms in de hel. 

Malook

Malook is acht maanden oud. Ze heeft mooie, grote ogen. Ze wordt in een blauwe teil gelegd en gewogen. Op een houten plank gemeten. Voor haar neus staan twee witte, zwetende mannen die vragen stellen, terwijl ze haar filmen en kijken hoeveel ze weegt. Drie kilogram 100 gram, zegt de weegschaal, dat is niet veel voor haar leeftijd. Malook geeft geen kik. Ze kijkt met een angstige blik om zich heen, naar haar mama en terug naar de witte mannen. Maar ze is flink. En zwaar ondervoed. Haar leven hangt aan een zijden draadje.

We zijn in Aslam in Jemen, in het uiterste noordwesten van het verscheurde land. Enkele kilometers verder ligt de frontlijn met Saudi-Arabië, waar de gevechten onverminderd doorgaan. Hoewel, gevechten? 18.000 Amerikaanse bommen hebben de Saudi’s sinds 2015 gedropt boven het noorden van Jemen. Hele gebieden langs de frontlijn zijn ontvolkt. Maar op de grond is geen vijand te bekennen.

“We ondergaan twee oorlogen: die uit de lucht, en die in onze portemonnee”, zeggen de Jemenieten hier. Bommen en een wurgend isolement houden het noorden van Jemen in hun greep. Al vier jaar betaalt de overheid – gevlucht naar de stad Aden in het zuiden en naar Riyad in Saudi-Arabië – er geen lonen meer uit. De luchthaven van de Jemenitische hoofdstad Sanaa is gesloten, de zeehaven van Hudaydah geblokkeerd.

Het gevolg is dat er volgens voorzichtige schattingen van de VN 1,8 miljoen uitgehongerde kindjes zoals Malook in Jemen zijn. Toch is er weinig of geen internationale aandacht voor het al meer dan vier jaar aanslepende conflict dat Jemen naar de afgrond drijft.

Bassam

Het is vochtig en bloedheet in het hutje van opa Jamal net buiten de stad Abs. Het stinkt er naar het open riool dat tussen de gammele hokken loopt waar Jamal met zijn kleinzoon Bassam woont. Bassam heeft een waterhoofd. Hij weent klagerig en zonder stoppen. Graatmager ligt het jongetje van net een jaar te kronkelen tussen twee kussens op een rieten bed. Bassam is een week terug van het ziekenhuis in Sanaa, waar hij onderzocht werd. Voor het opgehoopte vocht in zijn hoofd moet hij dringend een operatie ondergaan, maar die kost 1.000 euro. Onbetaalbaar. Eigenlijk was het transport naar de hoofdstad en terug al onbetaalbaar. Jamal heeft alle reserves opgebruikt. Bovendien is Bassam zwaar ondervoed. Hij zal sterven. Hopelijk snel, mompelt zijn opa, terwijl hij de vliegen wegslaat van de ogen van zijn kleinzoon.

Dat er zo weinig over Jemen wordt gesproken in verhouding tot de extreme menselijke tol van het conflict, heeft een goede reden. Het is zo goed als onmogelijk om Jemen in te geraken, en al helemaal niet als journalist. Saudi-Arabië trekt aan de touwtjes in het zuiden van het land en controleert nauwgezet de instroom van buitenlandse pottenkijkers. 

Beeld Robin Ramaekers

De toegang tot het opstandige noorden wordt via weg en water langs alle kanten afgeblokt. Een werkende burgerluchthaven is er al jaren niet meer in Sanaa. De enige manier om binnen te geraken is via de zuidelijke havenstad Aden, de nieuwe hoofdstad van het oude regime en een broeinest van privémilities en terroristen. Niet de gezelligste plek, dus, in die mate dat de uit Sanaa verjaagde president Hadi verkiest om in de Saudische hoofdstad Riyad te verblijven, voor zijn eigen veiligheid.  

Na maanden wachten en eindeloos gelobby krijg ik plotseling bericht van de Jemenitische ambassade in Brussel dat mijn persvisum klaar is. Een dag later heb ik twee visa, één voor mezelf en één voor cameraman Jo. Geen idee waarom het nu ineens kan, maar het is zo: in onze reispas staat een drie maanden geldig persvisum.

Enkele weken later landt onze Yemenia Airlines-vlucht vanuit Amman op de luchthaven van Aden. Het is de enige maatschappij die op Jemen mag vliegen.

Voor zonsopgang de volgende ochtend stappen we in een auto die ons naar Sanaa zal smokkelen. Het landschap dat voorbijtrekt, is indrukwekkend. Ruige bergen met dorpen en versterkte burchten die vanop steile kliffen de omgeving overschouwen. Hier en daar een bedelaar, maar vooral ook veel stalletjes met groenten, fruit en qat, de blaadjes waar elke Jemeniet zich suf op kauwt. Langs de hoofdweg van zuid naar noord is er geen hongersnood. Toch niet voor wie er nog geld heeft. Een vertekend beeld, zal blijken. Zeven uur later zijn we in de hoofdstad Sanaa.

Dokter Waleed

Dokter Khaled Waleed is de eerste arts die we zien, een uur nadat we het gigantische maar door en door afgeleefde As-Sabbeen-ziekenhuis in Sanaa zijn binnengewandeld. Eindeloze donkere gangen lopen in elkaar over, met aan weerszijden ruimtes die meer van cellen hebben dan van ziekenhuiskamers.

Op de afdeling ondervoeding liggen de bedden vol. Waleed verontschuldigt zich dat we het een uur zonder aanspreekpunt hebben moeten stellen: er zijn nauwelijks nog echte dokters die de afdeling draaiende houden. De meeste personeelsleden blijken studenten die onbetaald hun uren willen kloppen om aan hun diploma te geraken. De lonen worden al jaren niet meer betaald vanwege de blokkade van het noorden.

Saudi-Arabië heeft de nationale bank van Jemen in handen. Geld voor overheidspersoneel komt er niet meer door. Voor Waleed is het een erezaak. Hij doceert buiten zijn uren in het ziekenhuis ook aan een privé-universiteit, wat de rekeningen net betaalt. De meesten van zijn collega’s zijn gevlucht, of zitten met een depressie thuis.

Kamer na kamer zitten moeders naast hun uitgemergelde kindjes voor zich uit te staren. De meeste mama’s zijn zelf nauwelijks 17 jaar oud en niet in staat hun baby te zogen. Een moeder die niet eet, heeft geen eten om te geven.

Beeld Robin Ramaekers

De arts geeft toe dat ook hij er moedeloos van wordt. Keer op keer ziet hij dezelfde problemen opduiken, keer op keer wordt er met de beschikbare middelen alles aan gedaan om de baby’s en de mama’s aan te sterken. En elke keer is de kans dat zowel moeder als kind binnen de kortste keren hervallen veel te groot. Omdat de oorzaak van het probleem niet verdwijnt in Jemen: de oorlog en de blokkade.

Er is wel eten te vinden, maar er is voor de meeste mensen geen geld meer om het te betalen. En zonder geld kun je niet overleven in een land waar 70 procent van de levensmiddelen geïmporteerd wordt.

En dan heeft Waleed het enkel over de acuut ondervoede kindjes, zonder zware complicaties. Hij raadt ons aan ook eens op de leukemieafdeling te gaan kijken. Ook daar lijdt zo goed als elk patiëntje aan ondervoeding, maar de combinatie met kanker maakt dat hun kans op overleven sinds het begin van de oorlog nagenoeg nul is. Waleed heeft geen zin om met ons mee te gaan. Al blijft hij volharden in het verder werken op zijn afdeling, de doffe blik in zijn ogen verraadt dat ook hij binnenkort zal toegeven aan de depressie die zijn collega’s thuis houdt.

Habib en Hassan

De afdeling leukemie bevindt zich in een blok dat losstaat van het hoofdgebouw van het ziekenhuis. De muren zijn felblauw gekalkt en zijn opgevrolijkt met amateuristisch nageschilderde Disney-figuurtjes. Rond het gebouw krioelt het van de mensen met kinderen. Mondmaskertjes en hier en daar een infuus verraden dat het patiëntjes zijn.

De zevenjarige Habib zit naast zijn papa op een bankje, boven zijn hoofd hangt een baxter. Zijn grote, glazige ogen kijken dwars door me heen, alsof hij zich afvraagt hoelang hij nog moet wachten voor iemand hem komt zeggen dat het niet meer hoeft. Habib heeft al meer dan een jaar leukemie. Hij heeft net te horen gekregen dat hij voor de tweede keer is hervallen. Enkel een stamceltransplantatie kan redding brengen, maar dat is ondenkbaar in het noorden van Jemen.

Habibs vader vertelt huilend dat hij sinds het begin van de oorlog met moeite genoeg bij elkaar kan schrapen om zijn gezin in leven te houden. Het hervallen van Habib is het doodvonnis voor zijn oudste zoontje.

Rondom ons staan intussen tientallen ouders met hun kinderen te wachten op een opening op de afdeling. Alle bedden zijn bezet. Het is wachten op een patiëntje dat het opgeeft voor er plaats is voor één van de wachtenden.

Het hoofd van de afdeling, dokter Jalal Saqqaf, geeft toe dat er nog weinig te redden valt. “We staan terug waar we veertig jaar geleden stonden op het vlak van therapieën die we vandaag kunnen aanbieden. De meeste chemo is al jaren niet meer beschikbaar. We proberen alternatieve benaderingen uit, maar het voelt toch soms aan als kruidendokter spelen.”

Vanuit een van de kamers horen we Hassan kermen van de pijn. Hij is dertien, ligt al twee maanden op de afdeling. Saqqaf zegt dat ze niets meer voor Hassan kunnen doen, enkel de pijn stillen. Hassan is vel over been. Eten lukt niet meer, en de voorraad materiaal voor intraveneus voeden is al een week uitgeput. Daardoor is Hassan nu ook acuut ondervoed. Het zal niet lang duren voor er een plaatsje vrijkomt op de afdeling leukemie.

We rijden vanuit Sanaa naar het westen, richting Hajjah. Van de stalletjes met groenten en fruit is hier geen spoor meer. Hoe verder van de hoofdweg, hoe minder er voorhanden is. De honger die het land teistert, springt niet in het oog, maar verbergt zich achter muren of is gewoon onbereikbaar via de weg. Volgens cijfers van de Britse ngo Save The Children zijn naar schatting 120.000 kinderen in Jemen in acuut levensgevaar. Kinderen die niet langs een van de grote wegen wonen, maar ver weg en zowat onbereikbaar in de bergen of in een van de tientallen volledig afgesloten frontzones.

We botsen zelf op de limieten van wat we in beeld kunnen brengen. In Hajjah krijgen we via de telefoon bericht over de catastrofale toestand in een groep dorpen nauwelijks 100 kilometer verderop, maar buiten ons bereik. Er is sprake van tientallen kinderen die op sterven na dood zijn, door pure ondervoeding. Het terrein is enkel met zware terreinwagens bereikbaar, onze auto is er niet op voorzien. Bovendien hebben we niet de toestemming om de checkpoints te passeren die ons van de dorpen scheiden.

Beeld Robin Ramaekers

Hulpverleners botsen op dezelfde problemen: eindeloos wachten op toestemming om gebieden te betreden. Als de toestemming er eenmaal is, is het nattevingerwerk om dorp per dorp na te gaan waar de meest kritieke gevallen zich bevinden. Kindjes die op tijd gevonden worden, belanden in een van de ondervoedingsklinieken en geraken er in het beste geval weer bovenop. Om vervolgens terug te keren naar hun dorpen, waar er aan de oorzaak van het probleem niets is veranderd.

Nur al Din

In het centrum van Hajjah worden we naar een stadion verwezen waar vluchtelingen voor zichzelf een kamp hebben gecreëerd. Ik daal af in de krochten van de hel. Het stinkt er, de rook van verbrand plastic walmt op, kakkerlakken zijn alom.

Hier bevinden zich vrouwen, kinderen en mannen die van dag tot dag proberen te overleven, sommigen al jaren. Op de loop voor de bombardementen van de Saudische luchtmacht en geconfronteerd met de vrijwel totale afwezigheid van structurele hulpverlening. Kinderen liggen te slapen in dichtgeknoopte zakken gemaakt van oude lakens. Om ze te beschermen tegen de wel erg agressieve kakkerlakken, legt Ibtissam Ali me uit. Ze is net een dag bevallen van haar tweede zoontje, Nur al Din. Ze was zwanger toen ze haar dorp in de buurt van het van de kaart geveegde stadje Harad ontvluchtte.

Nu bevinden ze zich met zijn drieën in de kelders van een stadion van een stad waarvan Ali tot voor kort enkel de naam kende. Ze overleeft met haar twee kinderen van wat de andere vluchtelingen kunnen missen. Zicht op beterschap is er niet. Een toekomst voor haar zoontje Nur al Din? Neen, Ibtissam mag hem dan wel ‘licht van het geloof’ hebben genoemd, licht ziet ze niet meer. Het eind van de tunnel biedt geen perspectief.

Ik kan haar niet tegenspreken. Wij hebben veel moeite gedaan om in deze geïsoleerde uithoek van de wereld binnen te geraken, maar zullen er weer vertrekken. Nur al Din, Habib, Hassan, Bassam, en Malook blijven achter, in uitzichtloosheid en vergetelheid, in het noorden van Jemen.

Wat is er aan de hand in Jemen?

Sinds maart 2015 woedt er een burgeroorlog in Jemen. Na de val van president Ali Saneh verzetten sjiitische Houthi’s en diverse extremistische partijen zich tegen de overwegend soennitische centrale regering-Al-Hadi, die door Saudi-Arabië gesteund wordt. De Houthi’s zijn bondgenoten van de sjiitische beweging Hezbollah en Iran en streven naar meer autonomie in het noorden van Jemen, waar ze lang de macht hadden. Ze hebben ook de hoofdstad Sanaa in handen. Een coalitie van soennitische Arabische landen onder leiding van Saudi-Arabië probeert met zware bombardementen, de inzet van grondtroepen en een blokkade Noord-Jemen weer onder controle te krijgen. Het gevolg is een humanitaire catastrofe. 18,8 miljoen mensen zijn volgens Amnesty International ondervoed, 120.000 kinderen zijn volgens Save The Children in acuut levensgevaar. In het conflict stierven al 4.600 burgers, meer dan 8.000 raakten gewond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234