Dinsdag 18/06/2019

'Wie Camille Huysmans wil vastpakken, snijdt zich'

'Ik moet eerlijk bekennen dat individu's, zoals Degrelle, die zich plichtig hebben gemaakt aan koelbloedige moorden, mij niet interesseren. Maar politieke dwalingen zonder medeschuld in geweld kan ik verdragen'Achiel Van Acker bij zijn negentigste verjaardag: 'Onze woordenschat om uw verjaardag te vieren, geëerde collega, geraakt uitgeput. Gij verjaart maar voort... ongenadig... tot wij de pijp aan Maarten zullen moeten geven'

Portret van een socialistisch monumentRuud Goossens

'Staatsman en visser.' Zo stond het aan het eind van het leven op het naamkaartje van Camille Huysmans. De hengel ontdekte de Antwerpse socialist pas aan het eind van zijn leven. Zijn staatsmanschap was een werk van iets langere adem: Huysmans was ruim een half jaar premier, ongeveer vijf jaar minister, vijfenvijftig jaar volksvertegenwoordiger en zestig jaar gemeenteraadslid. Zowel Jan Hunin als Wim Geldolf schreef een boek over hem. Portret van een spichtige koppigaard die eenendertig jaar na zijn dood de historici blijft boeien.

'Ik wil mijn honderdste verjaardag vieren, nog altijd gezeten op de banken van het parlement. Wellicht zal ik in België de eerste zijn van dit soort. En daarna zal ik gerust mijn hoofd neerleggen. Zult u op dat ogenblik nog in het parlement vertegenwoordigd zijn? Ik wens het u, maar ik ben er niet zeker van. Veel te wilskrachtige autocraten leven doorgaans niet lang, omdat zij zichzelf vernietigen, door nutteloze overdrijving."

Snel zal toenmalig BSP-ondervoorzitter en Antwerps kopstuk Jos Van Eynde het voorjaar van 1965 niet vergeten zijn. Hij kreeg de verschrikkelijke opdracht om Camille Huysmans te melden dat er voor het eerst sinds 1919 geen plaats meer was op de Antwerpse kamerlijst van de socialisten. Van Eynde noemde het de "pijnlijkste verplichting die mij ooit werd opgelegd". Met reden, want al was Huysmans 93, zat hij ondertussen al 55 jaar in de Kamer en functioneerde zijn geest niet meer zo scherp als voorheen, aan ophouden dacht hij niet.

De koppigheid van de minister van staat moet ook zijn schaars overgebleven vrienden verwonderd hebben. Oké, dat Huysmans in brieven zoals die van hierboven zijn rancune de vrije loop, was geen verrassing, maar daar bleef het niet bij. Nadat hij eerst geprobeerd had om op een BSP-lijst in Limburg te raken, kondigde hij aan dat hij opkwam met een scheurlijst: 'Camille Huysmans De Socialist'. Het deed de sfeer van de grote dagen even herleven in het appartementje op de Belgiëlei. BSP-voorzitter Leo Collard, kamervoorzitter Achiel Van Acker en Antwerps burgemeester Lode Craeybeckx kwamen er over de vloer en probeerden hun boegbeeld van weleer op andere gedachten te brengen. Het lukte niet. Al was het slechts uitstel van executie. De vijftienduizend stemmen die hij nog wist te vergaren, volstonden niet voor een zitje in het parlement. Maar de socialisten, die campagne voerden met de slogan 'Lang leve Camille... maar stem BSP', verloren wel twee kamerzetels.

Een fraai einde was het niet. Veel leiders van Huysmans' kaliber heeft het socialisme in onze contreien niet voortgebracht: in het rijtje Eduard Anseele, Emile Vandervelde, Achiel Van Acker, Karel Van Miert en Louis Tobback misstaat hij niet. Misschien doen we hem zelfs onrecht. Decennia was Huysmans de onbetwiste leider van de Antwerpse - en bij uitbreiding de Belgische - socialisten geweest. Meer dan veertig jaar lang stond hij bovenaan op de kieslijsten. Nog voor zijn dood was hij in de Scheldestad een legende. Bij de socialistische sinjoren was de eigenzinnige politicus nog steeds populair, al was de ster tanende. Huysmans had ook veel vijanden gemaakt. "Het beste bewijs dat we gelukkig mogen zijn met zijn leiderschap is het feit dat hij de man is die het meest aangevallen wordt", zo formuleerde het een militant in de jaren dertig.

Huysmans koos steeds zijn eigen weg. Ging als jong parlementslid in tegen patron Emile Vandervelde, pleitte voor schoolvrede toen de partij daar nog niet rijp voor was, veegde de vloer aan met het Plan van de Arbeid van Hendrik De Man of getuigde als burgemeester à décharge op het proces tegen collaborateur Hendrik Borginon. Als de partij zich achter hem schaarde, was dat meegenomen.

De bruutheid van heel wat hedendaagse socialistische voormannen - Louis Tobback of Luc Van den Bossche, we pikken er twee uit - is bekend. Huysmans had er niet voor onder hoeven te doen. Toen een Antwerpenaar hem vroeg of je het woord 'tunnel' nu eigenlijk moest uitspreken als 'túnnel' of als 'tunnél', antwoordde de voorman bot: "Is het púmmel of pummél?" Huysmans, die zelf de 'd' als 't' en 'stiel' als 'schtiel' uitsprak, ging prat op zijn correct taalgebruik. Public relations waren aan hem niet besteed. Zeker op dat vlak volgen heel wat Antwerpse socialisten zijn voorbeeld nog steeds nauwgezet.

Nochtans kwam zijn carrière vrij traag op gang. Pas in 1910, op 39-jarige leeftijd, mag hij, na talloze mislukte pogingen om een kamerzitje te veroveren, eindelijk naar het parlement. In de Kamer gaat de Limburger, die al ruim tien jaar in Brussel woonde, strijden voor de vernederlandsing van het openbaar leven in Vlaanderen. De Franstalige Rijksuniversiteit van Gent wordt het symbooldossier. Ook andere Vlaamse politici trekken zich de zaak aan: de liberaal Louis Franck en vooral de katholiek Frans Van Cauwelaert. In december 1910 staan ze samen op het podium in de Antwerpse harmonie. Huysmans komt als laatste aan het woord. "Wij zullen de drie kraaiende hanen zijn die het volk zullen wakker schudden", roept hij het enthousiaste publiek toe. 'sAnderendaags zijn de Vlaamse kranten bijzonder lovend. Huysmans' naam is gemaakt.

Het bondgenootschap met Frans Van Cauwelaert is nog om een andere reden interessant. Van Cauwelaert is een vertegenwoordiger van de christelijke arbeidersbeweging, die langzaam aan gewicht begint te winnen in de katholieke parlementsfractie. Hoewel de socialisten traditioneel meer affiniteiten hadden met de liberalen en Huysmans ook zelf blauwe omzwervingen achter de rug heeft, mikt hij op hen om een coalitie tot stand te brengen. Bij de liberalen hebben de radicalen het verloren van de conservatieven. Zolang de socialisten niet de absolute meerderheid halen in de kamer - slechts een kwestie van tijd, denkt de marxist in Huysmans -, moet er gestreefd worden naar een 'arbeidersverbond' tussen de vertegenwoordigers van de Belgische Werkliedenpartij en de christen-democraten.

Het illustreert de eigenzinnigheid van Huysmans. De meerderheid van zijn partijgenoten koestert immers een virulente afkeer van de 'klerikalen'. Bovendien is hij zelf lid van de vrijmetselarij. Het deert hem niet. "Daar ben ik al zoveel nulliteiten tegengekomen, dat ik blij ben afkomstig te zijn uit een katholieke familie", laat hij zich tot onvrede van zijn collega-maçons ontvallen. Huysmans zal nog jaren moeten wachten op een verbond met de katholieken, maar het kómt er wel. Nog veel later kan Huysmans ook zeggen dat hij op Vlaams gebied - soms via de meerderheid, meestal vanuit de oppositie - zijn slag grotendeels thuis heeft gehaald: zowel aan de universiteit van Gent, in de rest van het onderwijs, in het leger als op rechtszaken is het Nederlands niet langer taboe.

Toch reikte de interesse van de Antwerpse socialist met Limburgse roots verder dan Vlaanderen. Eigenlijk verovert hij zijn plaats in de socialistische partijtop door zijn activiteiten als secretaris van de Tweede Internationale. Vóór Huysmans stelt die baan niet veel voor, maar zijn verbetenheid en ambitie brengen daar verandering in. In het Brusselse Volkshuis werkt hij zich kapot. Nog voor de Eerste Wereldoorlog ontmoet hij legendarische figuren als de Franse socialist Jean Jaurès en de Russische opposant Lenin. Voor Rosa Luxemburg zong Huysmans aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zelfs liederen van Schubert.

Echt op dreef komt de secretaris pas na augustus 1914. Vooral Nederland en de Scandinavische landen zagen voor de Internationale een belangrijke rol weggelegd in de weg naar vrede. De socialisten in andere landen (Frankrijk, Groot-Brittannië, maar ook België) waren sceptischer: ze vonden het niet opportuun om met hun Duitse partijgenoten, die geen erg duidelijke positie innamen, aan tafel te gaan zitten. Ook Huysmans remt eerst af, maar gaat na de Russische februarirevolutie van 1917 toch voluit op het gaspedaal staan. Het is bedoeling om in Stockholm een vredesconferentie te organiseren waaraan alle leden zullen deelnemen.

Huysmans vindt het belangrijk dat de vrede inhoudelijk voorbereid wordt. Hoewel hij bijna een jaar in de Zweedse hoofdstad verblijft, zal het echter nooit lukken om iedereen rond de tafel te krijgen. Ook jaren later zal hij het een gemiste kans blijven vinden. Voor zichzelf: Huysmans gaat de geschiedenis in als de 'man van Stockholm', niet als de 'man van de vrede'. Maar vooral voor Europa en de wereld, want de regeling die Duitsland uiteindelijk in Versailles in de maag gesplitst krijgt, draagt de kiemen van de Tweede Wereldoorlog in zich.

Na vier jaar jaar buitenland kan Huysmans in de herfst van 1918 eindelijk weer naar huis. Niet zonder angst, want de voorbije jaren was er in de lokale pers met scherp geschoten. En ook partijgenoten suggereerden dat de man die met de Duitse socialisten wilde onderhandelen, wel pro-bezetter moest zijn. Maar de terugkeer valt mee. Zeker in Antwerpen, waar vooral zijn genuanceerde houding tegenover het activisme in de smaak valt. Zijn vooroorlogse plan om naar de Scheldestad te verhuizen, wordt in de praktijk omgezet. Onder meer dankzij de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht boeken de socialisten in Antwerpen een schitterend resultaat. Het is dán, met Huysmans, dat de basis wordt gelegd voor zeventig jaar rood overwicht: voordien kwam de Belgische Werkliedenpartij nauwelijks boven de tien procent uit.

Een paar jaar later, na de gemeenteraadsverkiezingen, zet Huysmans ook de coalitie op die, op een kleine onderbreking tijdens de oorlogsjaren na, zal blijven bestaan tot in 1994. Met Frans Van Cauwelaert, de bebaarde leider van de Antwerpse katholieken, sluit Huysmans een 'mystiek huwelijk'. Daarvoor moet hij wel een paar toegevingen doen: de burgemeesterssjerp is voor Van Cauwelaert en in het 'schoolcontract' worden heel wat middelen vrijgemaakt voor het vrij onderwijs. Het steekt veel antiklerikalen, niet in de laatste plaats in zijn eigen partij, de ogen uit. "Maar ik houd meer van scholen dan van schoolstrijd", verantwoordt Huysmans zich. Tijdens zijn ministerschap enkele jaren later (heel even in een rooms-rode 'democratische' coalitie) zal hij dezelfde stelregel hanteren. Het zijn kleine steentjes die bijdragen tot het Schoolpact dat tientallen jaren later, in 1958, wordt afgesloten. Tot Huysmans' spijt niet onder zijn ministerschap, maar onder dat van partijgenoot Leo Collard. In de jaren twintig en dertig is de schoolvrede echter nog een wankele constructie die regelmatig onder vuur wordt genomen. Zo keuren de socialisten bijna tien jaar na het afsluiten van het mystieke huwelijk op een partijcongres goed dat de "bestaande schoolcontracten" geschrapt worden. Het gaat er hevig aan toe. Maar in Antwerpen wordt enkele weken later beslist "de aangegane verbintenis inzake schoolpolitiek en subsidies aan het vrij onderwijs te eerbiedigen". Om de boodschap nog een beetje duidelijker te maken, ontvangt de partijtop geen uitnodiging voor het provinciaal congres. Huysmans heeft weer eens getoond dat hij van niemand een les te ontvangen heeft.

De discussie luidt wel zijn afscheid als patron in. Met het Compromis des Belges, een tekst over de taalproblematiek waar Huysmans tot veler verbazing ook de handtekening van de Waalse socialist Jules Destrée onder krijgt, snelt hij Emile Vandervelde voorbij. Niet voor lang, want een partij leiden gaat de Antwerpenaar niet af. Daarvoor is hij te individualistisch, te weinig compromisbereid. Huysmans lijkt het best op dreef te zijn als hij zich kon afzetten, de officiële partijlijn naast zich neer kon leggen. En met zoveel sterke figuren - denk maar aan Jules Destrée, Paul-Henri Spaak of Achiel Van Acker - kan de dictatoriale methode-Tobback nog niet werken. Huysmans pakt zijn tegenstanders liever een voor een aan. "Wie Camille Huysmans wil vastpakken, snijdt zich", schreef Herman Teirlinck.

Hendrik De Man mag het ervaren als hij, na een lange afwezigheid, weer in het land is. De professor wordt door Emile Vandervelde gevraagd een socialistische oplossing uit te dokteren voor de economische crisis waar België zich net als de rest van Europa in bevindt. Na enkele maanden komt De Man op de proppen met zijn Plan van de Arbeid. Heel de partij schaart zich achter zijn oplossingen voor de werkloosheid, die in een tijd waarin de Derde Weg nog moet worden uitgevonden, behoorlijk 'modern' zijn. Ook Huysmans, die nochtans vindt dat De Man te ver van het marxisme is afgedwaald, steunt Het Plan.

Maar erg lang duurt dat niet. Een half jaar na de goedkeuring op het partijcongres schrijft hij in Volksgazet dat de socialisten weer de regering in moeten. "Met het Plan als het kan, zonder als het moet." En twee maanden later is hij nog duidelijker. "De ontwerpers hebben zelf verklaard dat het stuk is opgevat voor een bepaalde tijd. Die tijd is wellicht reeds voorbij." Ook de decumulatie die De Man propageert, negeert de burgemeester van Antwerpen, die eveneens volksvertegenwoordiger en directeur van Volksgazet is. Dat waren "privé-zaken", vond hij. Het levert hem weer enkele vermaningen op, die hij - het is een gewoonte - naast zich neerlegt.

Geen enkel kopstuk wil zijn tanden breken op Huysmans, die veel aanzien geniet en populair blijft. Zo komt hij na de parlementsverkiezingen van 1936, die uitdraaien op een overwinning van extreem-rechts, even in beeld als premier. Uiteindelijk wordt Huysmans kamervoorzitter, om ook daar zijn eigen koers te blijven varen. Als de burgeroorlog in Spanje uitbreekt, pakt hij zijn valiezen om de regering, die belaagd wordt door Franco, een hart onder de riem te steken. In België wachten hem bakken kritiek en zelfs een vechtpartij in de Kamer.

Ook in Antwerpen heeft Huysmans het in de vooroorlogse jaren niet altijd onder de markt. De crisis maakt het moeilijk om een populair beleid te voeren. Toch is het voor Huysmans geen reden om extreem-rechts achterna te hollen. Hij kiest niet voor een Fort Antwerpen maar voor een stad waar iedereen welkom is die Hitler niet meer moet. Ook zijn band met de joodse gemeenschap is intens. Als antifascistische knokploegen door de stad trekken, knijpt hij met plezier een oogje dicht.

Maar van de burgemeester wordt ook verwacht dat hij, zeker in tijden van crisis, de public relations van de stad verzorgt. Zo dringt de haven, verwikkeld in een harde concurrentiestrijd met Rotterdam, aan op wat ruggensteun. Op zich geen probleem, ware het niet dat Antwerpen vooral afhangt van Duitsland, en daar regeren de nazi's. Huysmans kan een bezoek lang uitstellen, maar uiteindelijk moet hij toch vertrekken. Hij, de grote jodenvriend, moet in Hamburg gaan toasten op de Führer.

Toch laat Huysmans nooit enige twijfel laten bestaan over zijn afkeer van de nazi's. Aan het einde van de jaren dertig neemt hij regelmatig de onafhankelijksheids- en later neutraliteitspolitiek van de regering op de korrel. Dat die gepropageerd wordt door koning Leopold zelf en gesteund door zijn partijgenoten Paul-Henry Spaak en Hendrik De Man, zal hem een zorg wezen. "Met zulk neutraal denken komt men gemakkelijk tot een psychologische toestand die gekenschetst wordt door het niet-denken", sneert hij in de Kamer.

In tegenstelling tot de regering-Pierlot, die lang twijfelt of ze een kamp zal kiezen, zit Huysmans na de inval van de Duitsers snel in Londen. Vandaar gaat hij onverminderd tekeer tegen Hitler en al wie met hem meeheult. In zijn wekelijks radio-optreden (Huysmans waagt zich zelfs aan liedjes) rekent hij genadeloos en definitief af met Hendrik De Man, die voorgoed de verkeerde weg opgaat. "De koord om de nek, en kwak! zegt de krop, zoo zult gij bengelen aan de strop."

Toch zal Huysmans ten aanzien van de Vlamingen die in de Tweede Wereldoorlog fout waren, opvallend veel vergevingsgezindheid aan de dag leggen. Net zoals hij zich na de Eerste Wereldoorlog actief inzette voor de vrijlating van enkele activisten, waaronder August Borms, pleit hij ook na de bevrijding in 1944 voor rechtvaardigheid. "Ik moet eerlijk bekennen dat individu's, zoals Degrelle, die zich plichtig hebben gemaakt aan koelbloedige moorden, mij niet interesseren", schrijft hij in 1946. "Maar politieke dwalingen zonder medeschuld in geweld kan ik verdragen." Toch beperkte Huysmans zich daarom niet tot de kleine garnalen. Het geval Borginon spreekt boekdelen.

Na een carrière bij de Frontpartij en het VNV wordt Hendrik Borginon onder het Duits bewind Rijkscommissaris voor de Grote Agglomeraties. Na een tussenkomst van Huysmans komt Borginon voorwaardelijk vrij. Paradoxaal genoeg is dat voor de socialisten, die niet op de hoogte zijn van Huysmans' initiatief, de reden om de regering van Pierlot ten val te brengen. Daarmee is de kous nog niet af, want enkele maanden later verschijnt Huysmans ook op het proces van Borginon. Als de voorzitter van de rechtbank hem vraagt of hij "de vriend van Borginon van voor de oorlog" is, antwoordt die: "Heel zeker en ik ben het nog."

Het maakt Huysmans alleen populair in de kringen van de Vlaamse beweging. Toch blijft hij een figuur waar men niet naast kan kijken. Niet in Antwerpen, waar hij zijn plaats aan het hoofd van het schepencollege weer inneemt en niet in Brussel, want in 1946 wordt hij, op 75-jarige leeftijd, zelfs nog eerste minister. Maar de top van zijn carrière draagt meteen het einde in zich. Huysmans staat aan het hoofd van een kabinet van socialisten, liberalen en communisten dat in de Senaat slechts op een meerderheid van één zetel kan rekenen. Na de bespreking van het regeerakkoord zegt oppositieleider Gaston Eyskens: "Het zou zonde zijn indien men er meer tijd aan had besteed." Huysmans, die zelf liever met de christen-democraten in zee was gegaan, noemt de regering "een meeuw op één poot". Om maar te zeggen dat het premierschap niet echt een cadeau was. Maar de ijdelheid groeit met de leeftijd en dus accepteert Huysmans. Hij zal er zwaar voor betalen.

Want in Antwerpen staan, enkele maanden nadien, gemeenteraadsverkiezingen op het programma. Het is een harde campagne, waarin de christen-democraten Huysmans niet sparen. Hij wordt verantwoordelijk geacht voor het feit dat Leo Delwaide (senior) niet mag deelnemen. De regering-Huysmans keurt een besluitwet goed die kandidaten tegen wie een gerechtelijk onderzoek loopt, verbiedt op te komen: daardoor mag de Antwerpse oorlogsburgemeester het meteen vergeten. De CVP richt haar pijlen op Huysmans: vóór de verkiezingen door zijn reizen naar nazi-Duitsland in herinnering te brengen, erna door een veto uit te spreken tegen zijn burgemeesterschap.

Omdat Huysmans het zelf te druk heeft in Brussel, zit Lode Craeybeckx voor de socialisten aan de onderhandelingstafel. Aangezien die zelf een kans maakt op de sjerp, gaat hij niet op het gaspedaal staan voor zijn voorganger. Op de socialistische partijpoll staat Huysmans niet eens op de kandidatenlijst. Hij heeft zich ook geen kandidaat gesteld, maar zijn woede en verbittering zijn er achteraf niet minder om. Iemand van zijn kaliber wil immers gevraagd worden. In een brief aan Jos Van Eynde (weer hij!) noemt Huysmans Craeybeckx "de held van de nachtlokalen" en hekelt hij "de vuiligheid van de plaatselijke groep". En op een papiertje dat voor Craeybeckx bestemd is, spreekt hij van een "intrige van de ergste soort". "Ik beken onomwonden dat het mij diep heeft ontroerd. Ik versta heel wel de houding van de klerikalen: zij hebben mij een slag willen geven, in het gezicht. (...) Maar indien ik dat versta van de vijand, komt het mij treurig over dat ook socialisten daaraan hebben meegedaan."

Maar Craeybeckx is nog niet van Huysmans af. Op het nationale partijbureau krijgt hij heel wat kritiek over zich heen. En Huysmans zelf heeft een ultiem wapen in petto. Burgemeesters moeten immers benoemd worden door de regering en dat vertikt de premier. Pas wanneer zijn regering enkele maanden later valt over de verhoging van de steenkoolprijs, heeft Antwerpen weer een burgervader.

Meer dan twintig jaar voor zijn dood is Huysmans aan zijn einde begonnen, hoewel hij nog niet definitief van de voorgrond is verdwenen. In 1950 voert hij in de aanloop naar de volksraadpleging over de terugkeer van Leopold III (die hij consequent de 'korporaal' noemde) actief campagne voor een 'neen'. Van zijn snedigheid heeft de steeds spichtigere Huysmans nauwelijks iets verloren. "Een somber gebouw, sombere dagen, een mooi jong meisje in de buurt, een man met temperament", omschreef hij de toestand in het paleis van Laken tijdens de oorlog sarcastisch. "Moest hij zich dan als weerstander gedragen?" Ook tijdens de onderwijsdebatten in de Kamer, waarvan hij nog enkele jaren voorzitter wordt, is hij nog steeds het speerpunt van de socialisten.

Al ziet hij er nog even piekfijn uit en wandelt hij nog steeds kaarsrecht, in de Antwerpse gemeenteraad duikt Huysmans nog zelden op en in de Kamer worden zijn interventies steeds korter. Wandelingen met zijn vriendin koningin Elisabeth of een visnamiddag lijken hem meer te boeien. Toch denkt hij niet aan stoppen. "Onze woordenschat om uw verjaardag te vieren, geëerde collega, geraakt uitgeput", zegt kamervoorzitter Achiel Van Acker wanneer Huysmans negentig wordt. "Wij - jongeren zou ik zeggen - geraken aan het eind van ons verhaal en buiten adem en gij verjaart maar voort... ongenadig... tot wij de pijp aan Maarten zullen moeten geven." Huysmans' recept is nochtans simpel: "Ge moet zo weinig eten dat de microben van honger in uw lijf sterven." Dat hij dertig jaar dineerde in het exquise Brusselse restaurant Comme chez soi vergat hij even.

Op zijn honderdste zat Huysmans niet meer op de banken van het parlement zoals hij zelf gewenst had, maar ook nu is hij nog steeds de Belg die het langst lid was van de Kamer. Zijn voorbeeld werkte inspirerend: opvolger Lode Craeybeckx zette de gerontocratische traditie plichtbewust voort. Die stierf op tachtigjarige leeftijd in de Antwerpse burgemeesterszetel. Twintig jaar later leidt het socialisme in de Scheldestad, waar machtswellust, clanvorming en gebrek aan openheid nog steeds schering en inslag zijn, aan een acuut gebrek aan jeugdig bloed. Ook dat is een erfenis van Camille Huysmans.

Volgende week verschijnt bij Meulenhoff/Kritak de biografie van historicus Jan Hunin over Camille Huysmans. Het enfant terrible. Camille Huysmans, 1871-1968 telt 600 bladzijden en kost 998 frank.

In 'Café des Arts Boeken' van volgende week donderdag kunt u een recensie lezen van Camille Huysmans en Lode Craeybeckx. Het verhaal van een politieke relatie in goede en kwade dagen van Wim Geldolf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden