Maandag 18/01/2021

'Wie ben ik om te zeggen dat ik kunst maak?'

'Veel mensen zeggen dat het een plezier is om naar te kijken, en dat begrijp ik wel. Het zijn de kleuren, maar ook het licht.' Waar anders dan in Parijs, de Lichtstad, kon Harry Gruyaert (1941) zijn allereerste overzichtsexpo krijgen? De Magnum-fotograaf liet zelfs de ramen van het museum wassen, voor het eerst in 25 jaar.

De zon schijnt. Harry Gruyaert stapt het Maison Européenne de la Photographie (MEP) binnen, hartje Parijs. Hij draagt een rood hemd, zwarte wandelschoenen en een bril met dikke glazen. In zijn rechterhand bengelt een flesje water.

Gruyaert zegt dat hij moe is en niet goed meer weet welke dag het vandaag is.

Het is donderdag, de dag na de opening van zijn allereerste overzichtstentoonstelling. Libération heeft een van zijn foto's op de voorpagina gezet. Het artikel binnenin heeft het over "le talent de coloriste d'un des grands noms de la photographie européenne".

Ach, zegt Gruyaert, al die grote woorden. "Ik ben vooral blij dat mijn beelden goed gedrukt zijn. Dat is op krantenpapier niet altijd het geval."

In het MEP is een zestigtal van Gruyaerts beelden te zien. Ze zijn gemaakt in Ieper en Las Vegas, Moskou en Parijs. Alle tonen ze een explosie van kleur. Blauw, geel, groen, rood: de expo is een kauwgomballenbak, zo kleurrijk. Het oudste beeld dateert van 1972: twee pumps uit de reeks TV Shots, een pointillistisch schilderij haast. Het jongste is van 2012.

Kleur is de gids, zegt Gruyaert als we op een terras om de hoek zijn beland, maar het gaat niet alleen over vorm of esthetiek. "Ik hoop ook dat mijn beelden iets zeggen over de plaats en de tijd waar iets is gebeurd. Ik weet niet of ik daar altijd ben in geslaagd, maar het is wel belangrijk voor mij."

De hand van de meester zit in elk doek, zeg ik.

Gruyaert lacht hard. "Meester", zegt hij. "Dat klinkt zo heavy." Hij neemt een slok cola. "Maar het is misschien wel waar wat je zegt. Als je naar een tentoonstelling van Rembrandt gaat, leer je ook meer over Rembrandt zelf dan over de mensen die hij heeft geportretteerd. Persoonlijkheid is belangrijk."

Nog een slok cola.

"Daarom heb ik ook zo mijn twijfels bij al die jonge fotografen die zeggen dat ze artiest willen worden. Artiest, dat ben je of dat ben je niet. Je kunt wel professioneel willen zijn, maar je kunt van jezelf toch niet zeggen dat je een artiest bent? Het is niet aan mij om te zeggen dat ik kunst maak. Ik maak dingen voor mijn eigen plezier. Als er zoals nu een mooie tentoonstelling uitkomt, ben ik blij. Maar het is niet mijn eerste drijfveer."

Tegenstanders vinden Gruyaerts beelden inhoudelijk te mager. Liefhebbers hebben het over magisch realisme, zien overeenkomsten met Edward Hopper en roemen Gruyaert als een pionier in de geschiedenis van de Europese fotografie.

"Dit boek traceert een persoonlijk traject in het rijk der kleuren", schrijft curator François Hébel in het boek bij de expo, "en reconstrueert een zintuiglijke ervaring van de wereld."

Zelden zie je in Gruyaerts beelden mensen in vooraanzicht. En als het gebeurt, hangt er altijd wel een ballon of een schaduw over het hoofd. Zijn blik is tegelijk afstandelijk en gepassioneerd, hebben recensenten eerder geschreven. Later op de dag zal de fotograaf zeggen dat de eenzame mens in een stedelijk landschap een belangrijk motief in zijn werk is.

Licht en schaduw krijgen de hoofdrollen. Het is veelzeggend dat Gruyaert voor aanvang van de expo alle vensters van het MEP heeft laten wassen. Sommige waren al vijfentwintig jaar niet meer geopend, zegt hij. "Normaal werken ze hier altijd met veel spots. Dat wilde ik absoluut niet. Toen ze het resultaat van de schoonmaakbeurt zagen, konden ze hun ogen bijna niet geloven. Die vensters gaan volgens mij nooit meer dicht."

Harry Gruyaert, zou je met de nodige overdrijving kunnen zeggen, is de man die zijn volk naar het licht leerde kijken.

Vandaag kijkt hij vooral zelf. Naar zijn beelden in de krant. Het zwarte horloge om zijn linkerpols. De opvallend jonge bezoekers van het MEP, ze lopen de artiest achteloos voorbij.

"Ik heb de indruk dat veel mensen goedgezind naar buiten komen", zegt Gruyaert. "Sommigen vertelden me gisteren dat het jouissif was, een plezier om naar te kijken. Dat heb ik zelf nooit zo in mijn beelden gezien, maar ik begrijp het wel. Het zijn de kleuren, maar ook het licht."

Zelden in België

Gruyaert woont al drieënvijftig jaar in Parijs, met midden jaren zeventig een intermezzo in Londen. Het maakt dat zijn taal gemengd is. Vaak begint hij een zin in het Nederlands, schakelt hij ergens onderweg op het Frans over en neemt hij uiteindelijk in het Engels de telefoon op. Dat moet hij vandaag trouwens vaak doen. Vrienden, journalisten, collega's, iedereen wil zijn stem horen.

"Ik voel me Europeaan, Belg en Vlaming", zegt Gruyaert. "In die volgorde."

In België komt hij nog maar zelden, zegt hij. Voor de begrafenis van een vriend of voor een bezoek aan zijn broers. Maar als hij er nog eens komt, heeft hij de indruk dat het allemaal veel interessanter is geworden, vooral op cultureel vlak. "Toen ik wegging, was er niets te doen. Weinig mensen interesseerden mij. Nu zie ik veel interessante dingen gebeuren. Fotografen, maar ook theatermakers."

Gruyaert is in Mortsel geboren, in 1941. Zijn vader was oerkatholiek. Hij werkte bij Agfa Gevaert, bij het grote publiek vooral bekend als producent van fotorolletjes. Thuis experimenteerde de jonge Harry met een 16mm-camera, maar toch wilde vader niet dat zoon fotograaf werd. Fotografen, dat waren excentrieke kerels, mannen met maîtresses.

"Ik heb echt moeten vechten om fotograaf te worden", zegt Gruyaert. "Al hield ik in het begin vooral van film. Ik was niet goed in scenario's schrijven, in het vinden van geld en dat soort dingen. Maar als digitale camera's toen al hadden bestaan, was ik waarschijnlijk films beginnen maken."

In het boek bij de expo staat een mooie anekdote. Over de jonge Gruyaert die in korte broek voetbal speelt, in het hoge onkruid achter de bal aangaat, het licht is mooi, en zijn geest plots boven de dingen uit voelt stijgen, alle zintuigen bevrijd.

"Ik herinner me dat moment nog goed", zegt Gruyaert. "Het was op een zondagmiddag. Ik had een broer die astma had en daarom gingen we vaak in Brasschaat spelen, een beetje buiten de stad, omdat de lucht er zogezegd beter was. Op dat moment kreeg ik voor het eerst het gevoel dat ik zelf initiatief kon nemen, dat ik weg kon gaan, de vrijheid kon nemen en mijn familie kon verlaten. Soms gebeurt er iets kleins in je leven dat later enorme consequenties blijkt te hebben."

Na zijn studies aan het Nationaal Radio- en Filmtechnisch Instituut in Brussel en een tijdelijke baan bij de toenmalige BRT trekt Gruyaert in 1962 naar Parijs. In een deux-chevaux.

"Het jaar voordien was ik hier voor het eerst geweest", zegt hij. "Samen met een fotograaf, Frank Filippi, bij wie ik toen werkte. We zijn naar Parijs gereden in een Renault Dauphine, dat weet ik nog goed. Onze aankomst was indrukwekkend. Het was toen volop oorlog in Algerije. Alle commissariaten waren met zandzakken afgezet en er liepen soldaten met mitrailleurs op straat. Welke indruk de stad op mij maakte? Ik wilde zo vlug mogelijk terugkomen."

Gruyaert trekt naar Parijs en legt zich volledig toe op fotografie. Mode, commerciële opdrachten, daarna ook eigen werk. Hij ontmoet uitgever Robert Delpire en fotografen als William Klein en Jeanloup Sieff. Begin jaren zeventig breekt hij door met zijn TV Shots: beelden van de maanlanding, tv-komedies of de Olympische Spelen in München, gefotografeerd van een ontregeld televisiescherm. Ook gaat hij op reportage naar Marokko, later naar India, de Sovjet-Unie en de VS. Die reizen leveren zijn beste beelden op.

Toch blijft hij tot op vandaag commerciële opdrachten aannemen. Hij is pas terug van een opdracht in Miami en Venetië, voor het modehuis Hermès. Crew van veertig mensen, van mannequins tot assistenten van assistenten, en vrachtwagens vol materiaal. Hij doet het nog steeds graag, zegt hij, maar het duurt soms lang. "Dan verlang ik er weer naar om alleen op pad te gaan."

Ex-vriendin in bed

Via Place de la Bastille fietst Gruyaert naar huis. Hij woont in een kleine straat, boven een oude verfwinkel. In de etalage staan potten vernis en acrylverf.

Beneden heeft hij een klein atelier. Het is volgestapeld met mappen en dozen, maar oogt verrassend ordelijk. Zijn assistent werkt hier bijna elke dag, zegt hij, en sowieso is het wat hij altijd en overal doet: orde scheppen uit de warboel.

Op de trap ligt een boek van Alexandra Stewart, Mon bel âge. In de leefruimte, hoe kan het ook anders, valt het licht prachtig binnen.

Trots toont Gruyaert op zijn iPad een reeks die hij onlangs voor het Architectuurboek Vlaanderen maakte. Een kinderzorgcentrum in Genk, het stadhuis van Lo, de Elishout-keukentoren in Anderlecht. Daarna klikt hij een filmpje open dat nog maar zelden aan het publiek is getoond. Een versmelting van de films van de Italiaanse cineast Michelangelo Antonioni met zwart-witbeelden die Gruyaert in de jaren zestig zelf draaide, van zijn voormalige vriendin in bed met een nieuwe man.

"Die film is belangrijk geweest voor mij", zegt Gruyaert. "Door dat te maken, heb ik geleerd hoe ik dicht bij mijn onderwerp kan blijven en er tegelijk toch mentale afstand van kan nemen. Het was een soort therapie. Door die film werd ik less vulnerable."

Ik vraag wat zijn toenmalige vriendin van de film vond. "Zij heeft hem nooit gezien", zegt Gruyaert. Wat volgt, is stilte.

Hôtel de Ville

Het volgende filmpje is een reeks over zijn dochters, gemaakt tussen 1986 en 2001. Hij fotografeerde hen dagelijks: in bad, op bed of spelend op het tapijt. De dochters heten Saskia en Marieke. Ze zijn intussen 28 en 23 jaar oud en wonen in Parijs. "Natuurlijk wonen ze in Parijs." De jongste studeert aan een grafische school, de oudste zoekt haar weg in de wereld van de film.

"Ik heb lang gewacht om vader te worden", zegt Gruyaert. "Ik was al 45 jaar. Als ik daarvoor een meisje had dat absoluut kinderen wou, ging ik altijd lopen. Ik wou mijn vrijheid zolang mogelijk behouden, daar was ik heel bang voor. Maar achteraf bekeken ben ik blij dat ik kinderen heb gehad, met de juiste vrouw en op het juiste moment."

De iPad gaat uit. Op straat neemt Gruyaert plaats voor de lens van Thomas Sweertvaegher. Altijd onwennig, een fotograaf die een fotograaf fotografeert.

"Ga eens kijken in de metro", zegt Gruyaert als de klus is geklaard. "Vooral Hôtel de Ville is de moeite."

Hij heeft het over het tweede luik van zijn retrospectieve: in zestien Parijse metrostations hangen sinds deze week zeventig van Gruyaerts beelden tegen de muur. Ze nemen de plaats in van de metershoge advertenties en worden dagelijks door meer dan tien miljoen passanten bekeken.

In de halte onder het stadhuis zijn beelden uit Made in Belgium te zien, gemaakt tussen 1975 en 1990. De reeks behoort tot Gruyaerts bekendste werk en betekende een verzoening met het vaderland dat hij begin jaren zestig was ontvlucht.

"Ik haatte dat land", zei hij al in vorige interviews. "Ik moest daar weg." En: "Wat interesseerde het mij om de beste van België te worden. Al mijn voorbeelden zaten in het buitenland. Als ik wilde bijleren, moest ik wel verhuizen."

Het voelt vreemd. Beelden van een processie in Waterloo of van café Beveren in Antwerpen sieren als een verstild wandtapijt de jachtige ondergrondse aders van een wereldstad. Alsof in het universum van Harry Gruyaert de tijd stil is blijven staan.

"Parijs is veranderd, net zoals Brussel of Antwerpen zijn veranderd", had hij gezegd toen we nog op het terras zaten. "Het is allemaal veel Europeser geworden, veel minder typisch, een beetje zoals in Amerika. Overal dezelfde winkels, dezelfde manier van kleden. Het is genivelleerd, de dingen hebben veel minder karakter. Dat heeft voordelen en ook een boel nadelen. Maar ik ben zeker geen nostalgicus. De evolutie interesseert me ook."

Weg oogkleppen

Half vijf, Place de Clichy, tijd om de metro te verlaten. Het zonlicht schroeit heel even de ogen dicht. Ik trek naar het Parijse hoofdkwartier van Magnum, het fotoagentschap dat na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht door onder meer Robert Capa en Henri Cartier-Bresson. Gruyaert is lid sinds 1981.

"Voor mij is Magnum nooit een obsessie geweest", vertelde hij eerder op de dag. "Het was puur praktisch. Ik leefde zo'n beetje overal, bij vrienden of in mijn Volkswagenbusje. Mensen die in mijn werk geïnteresseerd waren, konden mij dus niet vinden. Ik had een adres nodig. En ik zocht een plek om mijn archief te bewaren, dat was ook handig."

Bekend is het verhaal over Gruyaerts toetreding. Ervaren Magnumleden voorspelden het einde van het agentschap. "Magnum, dat was journalistiek werk, oorlog en zwart-wit", zegt Gruyaert. "Alles wat ik niet was. Ik werd toch opgenomen en door het gedoe zijn de oogkleppen bij Magnum een beetje afgevallen. Later werden daardoor ook fotografen als Martin Parr toegelaten."

Dertig jaar na de ophef hangen Gruyaerts beelden aan de muren van het Magnumkantoor, gelegen in een kleine kasseistraat vlakbij de begraafplaats van Montmarte. Vanavond gaat hier nog een expo van hem open. De derde. Het is het zoveelste bewijs dat de jongen uit Mortsel de Lichtstad heeft ingenomen.

Gruyaert is niet met de metro, maar wel met de fiets naar Magnum gekomen. Hij is verheugd over alle aandacht, maar zegt ook dat het lastig is, al die interviews en ceremonies. Op de bovenste verdieping van Magnum houden mannen met baarden de camera strak rond de nek. Ze hebben de langzame tred die fotografen kenmerkt. Vrouwen met roodgeverfde lippen drinken champagne uit plastic bekertjes. Op tafel ligt een schaal met broodjes, ertussen zalm, kaas en tonijn.

"Vroeger waren dit onze kantoren", zegt Gruyaert tussen het signeren van boeken en het groeten van vrienden door. "Het gebouw is intussen veel veranderd, maar het kan volgens mij nog beter. Het licht, daar zouden ze bijvoorbeeld toch iets moeten aan doen."

Ik verlaat Magnum, dan ook Parijs. De zon gaat onder.

De retrospectieve in het Maison Européenne de la Photographie (MEP) loopt nog tot 14 juni. Ook in de Parijse metro zijn Harry Gruyaerts beelden nog tot dan te zien. Het boek bij de expo is verschenen bij Uitgeverij Hannibal.

www.mep-fr.org

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234