Zaterdag 06/06/2020

Wetenschappelijk onderzoek naar leven op bodem van oceaan ontgroeit langzaam zijn kinderschoenenMonstersen co

Van Homerus’ Odysseus over Twintigduizend mijlen onder zee door Jules Verne tot Pirates Of The Carribean. Monsterachtige zeewezens die in de diepste krochten van de oceaan vertoeven, hebben de mens altijd sterk gefascineerd. Niettemin is onze kennis over het leven in de diepzee nog steeds vrij miniem. Recente doorbraken zoals de videocaptatie van de 17 meter lange riemvis eind vorige week blazen de mythische matrozenverhalen nieuw leven in. ‘We weten nog altijd veel meer over Mars of de maan, maar het onderzoek over de gigantische oceaanwezens ontgroeit stilaan zijn kinderschoenen.’Door Lander Deweer

De leden van het Serpent Project stonden te glimmen van trots eind vorige week. In de golf van Mexico waren ze er immers in geslaagd om, op een diepte van meer dan 1.500 meter onder de zeespiegel, videobeelden te schieten van de ellenlange riemvis. Met zijn zeventien meter de grootste benige vis ter wereld, auteur van een hoogst intrigerend bewegingspatroon en inspirator voor de heroïsche zeeslangenmythe waarmee zeelieden elkaar eeuwenlang de stuipen op het lijf joegen. En vooral: tot nog toe enkel gekend - en dan nog zeer fragmentarisch - van dode en aangespoelde exemplaren. “We konden onze ogen amper geloven toen we de riemvis opmerkten”, vertelt Mark Benfield, professor Oceanologie aan de universiteit van Louisiana. “We zagen een helder schijnend verticaal ding hangen, zoomden in en zagen plots dat het verdorie een vis was! Vooral het zwempatroon viel meteen op. De riemvis liet zijn rugvin in golven bewegen waardoor hij op vrij hoge snelheid achterwaarts voortbewoog.” Meteen dus de allereerste keer dat een levend exemplaar van dit gigantische zeewezen levend gespot werd. “Hierdoor krijgen we een goed beeld van welke soorten zich waar bevinden, en hoe ze zich gedragen”, aldus Benfield. Zestig procent van de bewoonbare ruimte van onze planeet bestaat uit onverkende diepten van de oceanen, meer dan een mijl onder de zeespiegel. Tot voor kort was de menselijke kennis over wat reilt en zeilt in de gitzwarte wateren duizenden meter diep een grote blinde vlek. Maar doorbraken als die van het team van professor Benfield blazen de het onderzoek alvast nieuw leven in. Blijken de mythische matrozenverhalen alsnog onvervalste waarheid? En welke enigmatische onthullingen heeft de diepzee de komende jaren nog in petto? Maar vooral: hoe lang nog vooraleer de afschrikwekkende Kraken plots opduikt en prompt het dichtstbijzijnde schip verorbert?

“Deze case is een uitgelezen voorbeeld van hoe de maritieme wetenschappen te werk gaan”, zegt Dominick Verschelde van het Museum voor Dierkunde van de Universiteit Gent. “In oude dierenencyclopedieën schrijft men de riemvis een lengte van maximum zes meter toe. In meer recente werken van twee jaar geleden gaat men tot acht meter. En nu is er dus plots één van zeventien meter gefilmd. De kennis over deze zeewezens is enorm afhankelijk van de gebeurde waarnemingen. Ons beeld wordt constant aangepast door nieuwe ontdekkingen.” En dat gebeurt niet bepaald om de haverklap, aldus Verschelde. “Vorig jaar zijn er in het Nederlandse Texel wel nog enkele kleinere riemvissen aangespoeld. Maar dan gaat het altijd om dode exemplaren, die vaak al geëxplodeerd zijn door de grote drukverschillen. Op die manier weten we intussen wel vrij veel over de lichaamsbouw van deze diepzeevis, maar de waarneming van een levende riemvis is een unicum. Er doen immers al jaren allerlei verhalen de ronde over de inspirator van de mythe van de grote zeeslang, maar nu is hij dus voor de eerste keer levend gefilmd.”“Alleen al op puur wetenschappelijke basis een gigantische verrijking van onze kennis”, zegt Steve Vervaecke van het Sea Life Centre in Blankenberge. “Het gedragspatroon van de riemvis was tot nog toe immers een blinde vlek. Zelfs over elementaire gegevens zoals de maximale grootte en leeftijd van het dier is weinig geweten. Het onderzoek naar diepzeevissen staat nog in zijn kinderschoenen, maar dankzij dergelijke vondsten ontgroeit het die stilaan.” Ondanks de enorme wetenschappelijke waarde van deze waarneming was dit wel een onvervalst lucky shot, nuanceert Verschelde. “Het zien van een riemvis is een dikke toevalstreffer. Vergelijk het met een mier die een volledig voetbalveld wil onderzoeken. De riemvissen zijn sowieso niet erg talrijk, de oppervlakte van de oceanen is enorm en het wetenschappelijk onderzoek stond tot voor kort nog niet bijster ver.” Daar zijn een aantal redenen voor, somt Verschelde op. “Onderzoek naar de levende diersoorten in de diepzee vereist extreem gesofisticeerde apparatuur. Aan land is met een radar alles mogelijk, maar in de diepzee is het pikdonker. De huidige sonarapparatuur is vaak niet gevoelig genoeg om het leven enkele kilometers onder de zeespiegel in kaart te brengen. Je moet er bovendien ook rekening mee houden dat je twee à drie uur moet afdalen om dan slechts een half uur ter plekke te kunnen blijven hangen. Langer is nog niet mogelijk, anders raken de batterijen op. En dan moet je nog eens twee tot drie uur terug. Soms poogt men ook met grijpers van een gespecialiseerde kraan stukken uit de bodem te nemen. Maar dat zijn sowieso slechts momentopnames.” “Het is inderdaad erg omslachtig en moeilijk te organiseren onderzoek”, vult Vervaecke aan. “Dat bijgevolg erg duur is. Men moet erg goed uitstippelen waar er diepzeeonderzoek wordt uitgevoerd, want voorlopig zijn er weinig mensen die dergelijke expedities willen sponsoren. We weten op dit moment meer over Mars of de maan dan over de diepzee. Die is niet aantrekkelijk genoeg zeker? Men gaat altijd op zoek naar buitenaardse wezens, terwijl er hier ook fantastische dieren te ontdekken zijn. In de Amazone bijvoorbeeld stoot men jaarlijks op tientallen nieuwe vissoorten.” Het aantal geschikte diepzeeduikboten is bijgevolg nog steeds erg beperkt. “Er zijn er verschillende voor militaire doeleinden”, duidt Verschelde. “Maar vooral de samenwerking tussen wetenschappers en grote oliefirma’s blijkt hoopgevend. Omdat de fossiele brandstoffen almaar schaarser worden, gaan de grote olie- en gascompagnieën steeds dieper boren. En dat kunnen de maritieme wetenschappers, zoals die van het Serpent Project, flink ten goede komen.” Het Serpent Project, zoals gezegd verantwoordelijk voor de videocaptatie van de riemvis, wordt geleid door het Nationaal Centrum voor Oceanografie in Southampton (NOCS) en is een uniek samenwerkingsproject tussen de Amerikaanse wetenschappers uit Louisiana en enkele grote spelers uit de olie-industrie, zoals BP, Shell, Chevron en Petrobas. “Met de speciale vaartuigen van die firma’s, die ze traditioneel gebruiken om hun metersdiepe booroperaties te controleren, zakken de wetenschappers mee af naar beneden”, legt Robert Curie van het Serpent Project uit. “Dankzij de reeds aanwezige diepzeetechnologie en infrastructuur kunnen we daar bijzonder leerrijk onderzoek verrichten. Een wonderlijke kans om meer te weten te komen over het diepzeeleven in pakweg de Golf van Mexico.”

Daarnaast zijn er de zwavelschouwen, gaat Verschelde verder. “Zwaveldampen die als rookpluimen vanuit de bodem in het water opstijgen en waarrond zich een volledige voedselketen ontvouwt. Van minuscule bacteriën tot reusachtige dieren.” Dit is allemaal relatief gloednieuwe kennis. Lange tijd werden de diepste krochten van de grote wereldoceanen immers beschouwd als een soort onderwaterwoestijn waar nauwelijks leven mogelijk was. Pas met de expeditie van de Zwitserse oceanograaf Jaques Piccard, die in 1960 met zijn batiscaaf Triëste in de 10.911 meter diepe Marianentrog afdaalde, steeg de wetenschappelijke interesse voor het leven op de bodem van de oceaan explosief. Onderzoekers hadden tot dan toe wel het vermoeden dat er deep down fauna aanwezig was, maar stuurden vanaf dat ogenblik ook regelmatig expedities om dat van nabij te toetsen. Aanvankelijk werden kleine baggerschepen over de zeebodem gesleept om zoveel mogelijk biologisch materiaal te verzamelen, maar vooral de voorbije jaren kwam het onderzoek in een stroomversnelling. “Niet alleen is het met de moderne technologie makkelijker om duikboten te construeren die bestand zijn tegen de gigantische druk”, zegt Vervaecke. “Door middel van satellietnavigatie kan er ook veel nauwkeuriger gewerkt worden. In de jaren zestig en zeventig werd er ruwweg op de mijl berekend, nu zijn schepen in staat om op tien meter precies te navigeren en accuraat een gesofisticeerd vaartuig naar beneden te laten zakken. De cameratechnologie is bovendien ook enorm geëvolueerd. Meer pixels, dus preciezere beelden.”Slag om slinger levert die verhoogde technologische bagage frappante resultaten op. In maart 2002 bijvoorbeeld werden op 200 kilometer voor de kust van Nieuw-Zeeland veertien inktvissen met een speciaal fijnmazig net gevangen. Ze hadden de grootte van garnalen, maar waren wel degelijk echte reuzeninktvissen, jongen die enkele maanden later meters lang zouden zijn. Het interessantste was echter dat ze nog leefden. Meteen de allereerste wetenschappelijke waarneming van een levende reuzeninktvis, een lange tijd ongrijpbaar dier uit de duistere diepten van de onverkende oceanen. In 2007 haalden Nieuw-Zeelandse vissers dan weer een kolossale inktvis - twaalf meter lang, 450 kilogram zwaar en messcherpe haken aan de uiteinden van zijn tentakels - uit de gitzwarte wateren van Antarctica. Volwassen dieren, die potvissen aanvallen en op 2.000 meter vertoeven, werden tot dan toe nauwelijks aangetroffen, waardoor wetenschappers quasi niets wisten over zijn levensgeschiedenis, voedselpatronen, gedrag en voortplantingspatroon. Schotse onderzoekers in de Japantrog temidden de Stille Oceaan slaagden er in 2008 zelfs in een exemplaar van de legendarische Pseudoliparis Amblystomopsis te filmen op een diepte van 7,7 kilometer. “Allicht is dit een van de diepst levende vissen”, zei professor Monty Priede achteraf aan National Geographic. “Deze vissen kunnen een druk weerstaan die equivalent is met 1.600 olifanten op het dak van een Mini.”Bij de vondsten van diepzeevissen vaak één constante: het adjectief ‘monsterachtig’ is nooit misplaatst. “Klopt”, beaamt Verschelde. “Hoofdreden hiervoor is louter biologische adaptatie. Het draait enkel om de overlevingskansen zo hoog mogelijk te houden. Sowieso bevinden zich in de diepzee erg weinig dieren per vierkante kilometer, dus elke predator zwemt rond op een groot jachtterrein. Als hij dan toch prooidieren vindt die eetbaar blijken, is het zaak om er meteen zoveel mogelijk in één keer te kunnen opeten. Wie weet immers hoe lang het duurt vooraleer de volgende maaltijd zich aandient. Daarom hebben veel diepzeevissen een sterk ontwikkelde buik of een pelikaanachtige bek die soms groter is dan de rest van het lichaam. Een natuurlijke aanpassing om grote voorraden voedsel te kunnen opnemen. En dan krijg je dus inderdaad extreme diervormen.”Vervaecke stipt nog een andere reden aan voor de vreemde visvormen in de diepzee. “De temperatuur speelt hoogstwaarschijnlijk ook een rol”, zegt hij. “In de koude wateren van Antarctica groeit alles trager. Het metabolisme van de vissen is er een stuk trager, dus krijgen ze ook meer tijd om te groeien. Typisch is ook dat al deze soorten aan bioluminescentie doen, dat ze hun eigen licht maken via een chemische reactie in lichaamsdelen. De diepzee ontpopt zich op die manier als een rijk geschakeerd kleurenspel voor de onderzoekers.”De invloed van de enorme druk op de lichaamsbouw stelt Verschelde echter nog in twijfel. “Dat is nog niet echt duidelijk. Zeespinnen bijvoorbeeld hebben bijna geen lichaam, al hun ingewanden zitten in hun poten. Dat wordt algemeen beschouwd als een aanpassing op de hoge druk. Maar de reuzenpijlinktvis bestaat dan weer enkel uit water en spieren, met een grote opvang van druk tot gevolg. Tegenstrijdig dus.” Die reuzenpijlinktvis is onder maritieme wetenschappers zonder twijfel het allergrootste enigma. Wetenschappers bijten hun tanden stuk op de karige restanten die vanuit de diepste diepten naar boven komen, de zeemansfolklore krioelt van de verhalen over de terreur die hij aanricht: hij gaat walvissen te lijf, rukt mensen weg van het strand en verzwelgt schepen met zijn tentakels van wel 75 meter lang”. “Sinds kort weten we dat hij bestaat”, zegt Vervaecke. “Er zijn al dode restanten aangespoeld en in magen van potvissen vindt men af en toe een uiteengereten lichaamsdeel. Die potvissen vertonen dan meestal littekens van de gevechten die ze diep onder water met de reuzenpijlinktvis voeren. Met de vangarmen erbij zou de reuzeninktvis tot 18 meter lang kunnen worden.”

Mysterieuze vissoorten fascineren ons al sinds mensenheugenis mateloos. De literatuur staat bol van de referenties naar kraken en aanverwante monsters, zoals de Scylla van Homerus of de Tiamat in het Sumerische Gilgamesjepos. De Romeinse auteur-wetenschapper Plinius de Oudere beschreef reeds in de eerste eeuw na Christus een reuzeninktvis (“een beest met een stinkende adem”), in de twaalfde eeuw keerden de Noorse zeevaarders terug naar hun heimat met wilde verhalen over een enorm zeewezen, de Kraken, zeshonderd jaar later door de bisschop van Bergen vergeleken met “een drijvend eiland met gigantische armen”. In de in 1870 gepubliceerde sciencefictionroman Twintigduizend mijlen onder zee laat de Franse auteur Jules Verne dan weer een “inktvis met kolossale afmetingen” opdraven, die vermoedelijk gebaseerd was op een echte botsing tussen een reuzeninktvis en een Frans oorlogsschip. Matrozen tijdens de Tweede Wereldoorlog beschreven enkele decennia later zelfs hoe ze werden aangevallen door een reusachtige inktvis toen hun schip zonk en beweerden zelfs dat enkele onder hen waren opgepeuzeld. “De verhalen over alles verslindende diepzeemonsters gaan inderdaad ver terug”, zegt Vervaecke. “Meestal zijn dit fabeltjes uiteraard. De Noren steken voor de eerste keer de oceaan over en stoten prompt op het karkas van een reuzenpijlinktvis: dat moet indrukwekkend geweest zijn. Maar diepzeevissen vallen geen schepen aan. Waarom zouden ze dat doen? Het zijn immers hoogstwaarschijnlijk allemaal viseters.” Allicht slaat de kraken dus nooit zo vervaarlijk toe als eeuwenlang gevreesd. Mondjesmaat geeft de bodem van de oceaan echter zijn geheimen prijs. “We bevinden ons in een nieuw tijdperk van diepzee-exploratie”, besluit professor Benfield. “Als alle condities adequaat ingevuld zijn, kunnen we op unieke wezens en organismes stoten waar we vroeger zelfs het bestaan niet van wisten. Maar het wordt een ontdekkingsreis van lange adem.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234