Donderdag 27/02/2020

Werkstraf

Moet het deze zomer altijd een roman van 300 pagina's zijn? Acht weken lang trakteert een schrijver uit Vlaanderen of Nederland u op een kort verhaal. Slotaflevering

We leerden elkaar kennen in de personeelskantine van de begraafplaats, waar we allebei onze werkstraffen moesten uitvoeren. In de ruimte wemelde het van de pezige gozers, allemaal droegen ze groene truien met een witte opdruk: het onleesbare slogan van de dodenakker.

Ik ging tegenover hem zitten, omdat hij de enige was die er anders uitzag. Hij voerde het hoogste woord, vertelde schuine moppen over vrouwen van lichte zeden en pelde routineus een mandarijn, die hij uit een doorzichtige plastic tas had getrokken met daarin nog meer ontbijtproducten, zoals een drinkpak yoghurt, krentenbollen en doosjes rozijnen. Ik haalde enigszins gegeneerd de platgedrukte boterhammen uit de zak van mijn trainingsjack en schrokte het zompige brood naar binnen, eerder had ik niet kunnen eten.

"Vergeet je niet te kauwen", riep Martin. Iedereen moest schateren.

"Nee, man, geen zorgen."

"We pakken die bammetjes van jou echt niet af."

"Dat weet ik toch", zei ik schor. "Het is brandstof voor later. Die lui hier gaan ons slopen."

Ik zag aan zijn opgetrokken wenkbrauwen dat hij me in eerste instantie verkeerd had getaxeerd. Hij vroeg of ik er ook eentje van het reclasseringsbureau was, iemand die onvrijwillig vrijwilligerswerk kwam doen, om verdere strafvervolging te voorkomen. Pas toen ik zijn vermoeden beaamde en hem vertelde dat we lotgenoten waren, betrok hij me in alle gesprekken, of eigenlijk waren het luidkeelse monologen, waarbij hij telkens aan het einde bevestiging bij de anderen zocht. Die ingeslapen zooi was allang blij dat ze tijdelijk en per toeval een nar hadden gestrikt. Maar mij konden die praatjes niet bekoren. Ik wilde snel mijn uren afstrepen, zodat ik verlost was van die ongein.

Een kwartier later kuierden we met z'n allen, een mannetje of vijftien, richting de enorme garages en magazijnen, waar alle trekkers en instrumentarium stonden. Ik had op aandringen van de werkmeester een paar laarzen aangetrokken, van die solide schoenen met ijzeren punten. De druktemaker kwam bij me staan. Hij had een pokdalig gezicht en snifte telkens.

"Wat heb je uitgevreten?", vroeg hij. "Of ben je er zo een die daar niet over wil praten?"

Het kon me allemaal weinig schelen. Ik vertelde over de vechtpartij met een bouncer.

"En die heb je toen de harses ingeslagen, begrijp ik het goed? Ging je meppen?"

Een oude man die op de begraafplaats werkte, wees naar een hooiwagen, met de mededeling dat we daar moesten wachten tot onze begeleider zich zou melden, dat kon enkele minuten duren. De anderen hadden allemaal hun eigen taken en verdwenen op het lommerrijke terrein.

"Ik heb die portier total loss gebeukt", zei ik. "Ik houd niet van dat soort opscheppers."

"Je bent er een om niet mee te sollen. Ik zie het aan je bruine ogen. Die spuwen gif."

"Het valt wel mee. Ik was gewoon op een onfortuinlijk tijdstip op de verkeerde plek."

Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor. Hij noemde zichzelf Martin, maar ik wist van eerdere taakstraffen dat het geteisem met wie ik mijn uren moest volmaken nooit het eerlijke verhaal vertelde - vaak werden identiteiten verzonnen, uit een soort paranoïde angst.

Onze begeleider meldde zich bij de hooiwagen. Hij was gebocheld en een litteken, van kin tot voorhoofd, ontsierde zijn gezicht, dat verder opviel door de onnozele uitstraling. Terwijl hij een paar schoffels, zeisen en bezems uit een kruiwagen tilde, neuriede hij een bekend lied dat ik tot mijn frustratie niet kon thuisbrengen.

Martin hielp hem niet, maar haalde een pakje sigaretten uit de borstzak van zijn lichtblauwe overhemd, waarop hij eerst mij een peuk aanbood.

"Ik rook niet, man. Ga weg met die troep."

"Waarom niet?" Hij keek me vorsend aan. "Dat mag zeker niet als muzelman."

"Je gaat dood aan die shit. Je moet gewoon niet paffen, anders kunnen we jou ook over een paar jaar begraven. En ik ben geen muzelman, vooringenomen gek."

"Ho, kalm aan. Ga je mij nu óók stompen? Ik heb vrienden die Turks en Marokkaans zijn. Als je ruzie met eentje hebt, krijg je die hele pleurisfamilie achter je aan."

Tot slot wierp onze begeleider met een klunzige slingerworp de kruiwagen in de bak van het voertuig. Hij ontgrendelde de metalen laadklep en vertelde dat we achterin moesten zitten, omdat er geen plek voor drie man in de cabine was. Martin deed niet moeilijk: hij nestelde zich lenig op de verste hoek van het gehavende hout en trok aan zijn sigaret, met een arm laconiek over de zijkant van de laadbak, zodat hij tijdens de rit niet zou kunnen vallen.

De hooiwagen bolderde in matig tempo over de hobbelige wegen. Bij iedere kuil greep ik stevig de rand van het zitvlak vast, teneinde een kolderiek ongeluk te voorkomen, met mij in een tragikomische hoofdrol.

Ik kon aan de grafzerken zien wie er vermogend waren geweest, of in elk geval dierbaren hadden achtergelaten die veel waarde hechtten aan een excentrieke laatste rustplaats, waarbij de kitscherige wansmaak van de zigeuners het meest in het oog spong. Ze stalden hun doden in complete bouwwerken, opgetrokken uit glanzend marmer, waarop afdrukken stonden van protserige Mercedessen en plechtige familieportretten.

"Mijn tante ligt hier ook begraven", schreeuwde Martin. We zaten boven de ronkende uitlaat.

"Dan moeten we zo meteen bij haar langs. Even dat graf opfleuren."

Hij keek me peinzend aan, nog steeds met een sigaret tussen zijn schrale lippen.

"Het is hier veel te groot, jongen. Dertig hectare grond. We gaan geen flikker vinden."

Ik monsterde Martin nog eens goed. Hij droeg een vale spijkerbroek en gekreukeld overhemd, met daaronder dezelfde werklaarzen als ik, wat het geheel een koddig uniform maakte, in elk geval volledig ongeschikt voor iemand die op deze hoven moest werken.

De wagen hield stil onder een grote loofboom, die langzaamaan weer in bloei raakte, dankzij de voorjaarszon die zich dit seizoen vroeg had gemeld. Op de grond, rond een stronk, lagen allerlei takken kriskras over de graven, van luciferformaat tot halve stammen. Het witte onverharde pad waar het voertuig op stond, was vers omgeploegd door vakmensen.

De begeleider duwde zijn portier open, sprong uit de cabine en rekte zich omstandig uit, alsof het hem allemaal ook geen zier kon schelen, de verantwoordelijkheid tussen de doden. Nadat hij de achterbak van het werkmaterieel had ontdaan, stamelde hij een paar woorden, iets over een nieuwe lading chrysanten en aronskelken die hij elders moest ontvangen.

Ik geloofde weinig van zijn verhaal: volgens mij wilde hij ergens op een geheime verzamelplek schuilen, net zo lang tot de lunch aanbrak, maar we lieten hem gewoon begaan. Dat er geen toezicht was, gold natuurlijk als opsteker.

"Maar wat moeten wij dan doen, ouwe?", vroeg Martin. Ik kon hem vervloeken.

"Hark al die takken maar bij elkaar tot een hoop. Dan haal ik die over een uur op."

"En verder? Ik wil werken, anders gaat de tijd niet voorbij." Hij keek naar mij. 'Jij weet wat ik bedoel, toch? Als we hier uit onze neus gaan vreten, wordt het een tergend lange dag."

"Kijk, achter die loofboom zijn twee hoven die nog schoongemaakt moeten worden. Er ligt daar oude kerstversiering en opgebrande kaarsen. Dat lijkt me een mooie klus voor jullie."

"We kunnen toch niet zomaar aan het graf van iemand zitten?", vroeg ik.

"O, jawel, makker. Ik doe al dertig jaar niets anders. Verzamel alles maar hier op deze plek, dan regel ik over een uur de rest wel. Jullie zijn volwassenen. Ik ben geen agent. Oké?"

Wat hij met die laatste opmerking bedoelde, begreep ik niet, maar binnen een paar tellen zat de begeleider weer in zijn hooiwagen en even later reed hij de hoek om, richting de kantine waar we ons eerder die ochtend hadden verzameld. Martin raapte een paar werkhandschoenen en een bladhark van de grond, met twinkelende ogen, die verrieden dat hij iets van plan was.

"Ik ga echt niet voor die stoethaspels zwoegen."

"Wat bedoel je?", vroeg ik. "Hij kan ons elk moment komen controleren."

"Welnee. Die gozers zijn allemaal werkschuw. Ze hebben zich nu waarschijnlijk ergens in een geheim huisje op het terrein verschanst, lekker een biertje drinken, een potje kaarten, tot ze weer plichtmatig hun kop bij de grote baas moeten laten zien. Leer mij dat volk kennen.

"Ik dacht exact hetzelfde. Maar waarom begon je over werk tegen hem?"

"Wat denk jij, Einstein? Die vent gelooft nu dat we heel ijverig zijn."

"Wat wil je dan gaan doen?" Ik had de anarchistische en wellicht zelfdestructieve neigingen van Martin meteen door - dit was een man die altijd in de problemen raakte - maar zijn voorstel om niets te ondernemen, sprak me wel aan. We struinden de graven af, op zoek naar een beschut bankje, ergens op een rustige plek, waar we ongezien konden gaan zitten.

"Ja, jezus, man. Moet je kijken", riep hij plotseling.

Ik las de tekst van een steen die hij aanwees. We waren per ongeluk op de kinderhoven terechtgekomen, Voor het eerst besefte ik dat iets dergelijks bestond. Ik porde hem in zijn rug en riep dat ik weg wilde, temeer omdat we andermans privacy schonden. "Wat vreselijk."

"Ja, en jullie maar die Allah aanbidden. Als die gast bestaat, laat hij deze kinderen toch niet sterven? Waar is dat allemaal goed voor? Zeg het maar." Hij snifte weer.

"Ik zei je vanmorgen al dat ik geen moslim ben. Rot op met je obsessie."

We vonden een groen bankje, langs het graf van mevrouw De Moraatz, wier aardse bestaan bijna een eeuw had geduurd, afgaande op de statistieken die op haar glazen zerk waren vermeld. Haar nabestaanden hadden kosten noch moeite gespaard voor de eeuwige slaap.

"Rust zacht, dame." Martin sloeg een kruis en haalde een envelopje uit zijn broekzak. Hij keek voor de vorm over zijn schouder, of er een medewerker van het kerkhof in de buurt was, of simpelweg een bezoeker die tranen kwam plengen, maar toen dat niet het geval bleek, vouwde hij zonder een woord tegen mij te zeggen het papier open.

Ik zag hoe hij behendig, met behulp van een sleutel, drie puntjes coke in zijn neusholtes snoof, om vervolgens maniakaal zijn hoofd te schudden, als een hond die net uit zee komt.

"Gaat ie lekker, chef?" Ik bedacht dat ze ons niet in deze situatie moesten aantreffen, want anders zou ik gestraft worden als medeplichtige, maar het kon me allemaal even niets schelen.

Martin veerde overeind. Hij wandelde langs het graf van mevrouw De Moraatz, met een stijf opgetrokken nek, zodat hij beter over de doornstruiken kon kijken. Toen hij zeker wist dat er niemand in de buurt was, zakte hij door zijn knieën, teneinde een blik bier van de kiezelstenen op een graf te pakken. Hij checkte de houdbaarheidsdatum en klikte de drank openen.

"Wat is dat nu weer, man?" Ik kon mijn lach niet onderdrukken, wat voor hem een aanmoediging vormde om sneller te drinken, in vijf teugen had hij alles naar binnen geklokt.

"We maken van de nood een deugd. Ik ga hier niet voor die viezeriken zitten ploeteren."

"Ik vind alles best", antwoordde ik. "Het is mij om het even."

Die woorden moeten bevrijdend voor hem hebben gewerkt, voor zover hij überhaupt iets van iemand aantrok, want subiet had hij weer die sleutel onder zijn neus hangen. Telkens snoof hij de coke in vluchtige trekken naar binnen, steevast met een intense kreun van genot.

"Peruaans", legde Martin uit. "Dit spul is in Nederland, Duitsland of België bijna niet te krijgen. Bij mij kan je het altijd kopen. Wil je ook wat proberen?" Hij duwde het envelopje en de sleutelbos naar voren, zodat ik aan het twijfelen werd gebracht.

"Ja, man, waarom ook niet. We moeten die uren toch doorkomen." Terwijl ik door gebrek aan ervaring onhandig in het gevouwen papiertje zat te pulken, laveerde hij langs meer graven waarop familie en vrienden blikken bier of andere soorten alcohol hadden gedeponeerd, als een soort laatste eerbetoon aan de persoon die hen was ontvallen. Ik wist niet dat het ritueel bestond, maar zo vaak had ik in mijn leven niet een kerkhof bezocht, om precies te zijn: nooit.

Martin keerde terug met flessen wodka, gin en whisky, waarna hij weer de begraafplaats opliep, om de keuze te vergroten met zes soorten bieren, die ook nog eens lekker gekoeld waren dankzij de frisse nevelige ochtendlucht. Ik nam een Heineken en bij de eerste slok voelde ik dat mijn huig door de drugs was verdoofd. We brachten een toost uit op de doden.

"Ja, vriend", zei hij. "We hadden het erger kunnen treffen. Die officier van justitie in mijn zaak wilde me een paar maanden achter tralies stoppen. Kon hij me nu maar zien."

Er ritselde iets in een struik, een paar meter achter ons, waardoor ik ongecontroleerd omhoogschoot om te kijken of het pottenkijkers waren.

"Rustig, man. Je wordt gewoon paranoïde van de coke. Niemand komt hier." Hij vertelde meer details over de rechtszaak en zijn algehele geschiedenis als crimineel, maar ik kon mijn aandacht er niet bijhouden, ook niet toen hij op de grond ging liggen van het lachen.

"We moeten wel scherp blijven", perste ik er sullig uit. "Ik heb geen zin in trammelant."

"Maak je niet dik, ouwe. Weet je wat het verschil is tussen een officier van justitie en een prostituee? Een hoer vraagt eerst weinig, maar wil uiteindelijk steeds meer. De officier daarentegen schreeuwt moord en brand, om vervolgens met veel minder genoegen te nemen."

Martin werd hyper en raapte de bladhark van de grond. Als een helikopterpropeller draaide hij rondjes om zijn as, onbevreesd voor eventuele schade die kon ontstaan. Aan zijn tred leidde ik af dat hij duizelig werd en een paar seconden later, toen hij écht de controle kwijt was, zwierde hij over het smalle wandelpad richting het bankje, dat hij niet haalde omdat de scherpe tanden van de bladhark tegen de glazen plaquette van De Moraatz schuurden.

Er werd een aantal krassen zichtbaar, van die wittige inkervingen. Om onbegrijpelijke redenen, vermoedelijk door razernij, begon Martin tegen de gedenkplaat te schoppen, wat resulteerde in een puinhoop van scherven. Het glas verbrokkelde in blinkende stukjes.

"Wat ben je aan het doen, man?" Hoewel de cocaïne mijn hersenen had bereikt en een gevoel van onaantastbaarheid bezorgde, inclusief een vrolijke roes, hield ik rekening met een aanval van die gozer. Martin reageerde nergens meer op. Hij bleef alleen maar trappen, een paar minuten achter elkaar. Ik dacht na over een vlucht, weg van die mafketel en dit tafereel.

"Laat mij maar even", zei hij plotseling. "Die agressie moet gewoon uit mijn lijf."

"Dat kan ook zonder grafschennis, toch? Ga anders een rondje joggen. Ik wacht hier."

Bij het verstrijken van zijn sloopzucht wierp hij de bladhark op de grond, terwijl het zweet op zijn voorhoofd parelde en zijn neusvleugels rood waren geworden. Hij trok het pakje sigaretten uit de zak van zijn overhemd, dat door alle inspanning over zijn broek was gaan hangen. Ik moest hem nog een keer vertellen dat ik niet rookte.

"Wat een bende heb ik ervan gemaakt", fluisterde Martin. "Tering, jongens."

"Je bent volgens mij niet helemaal lekker, of wel?"

"Het komt door die Peruaanse coke. Die shit is heerlijk, maar doet iets met m'n hersenen."

Ik nam een slok van het bier en merkte dat mijn mond volkomen was verdoofd.

"Dit gaat problemen opleveren." Ik bestudeerde de ravage bij het graf van mevrouw De Moraatz. Het was onmogelijk om de schade te herstellen. Daar was geen tijd voor.

"Wat moet ik doen?", vroeg Martin. "Ze slepen me opnieuw voor de rechter, deze keer vanwege wangedrag tijdens de werkstraf en vernieling van een begraafplaats. Leer mij die gerechtelijke pennenlikkers kennen. Ik weet het zeker, misschien zijn ze al gealarmeerd."

Hij tuurde schichtig naar het graf en schoot maniakaal naar voren om de bladhark van het gras te pakken. Ik zag zijn blote rug op het moment dat hij boog, een weke massa vlees, met daarop een lichtrode wond, pal op zijn ribben. Hij draaide met de hark mijn kant op, zijn pupillen waren groot doch leeg. Martin wilde me aanvallen. Maar het deed me niks.

"Wat ben je van plan?", vroeg ik.

"Je gaat me toch niet bij die lui verlinken? Ik moet je vertrouwen."

"Wat heb ik daaraan? Natuurlijk zeg ik niets tegen die gasten hier. Ik denk wel dat we in de shit zitten. Ze gaan het graf vroeg of laat ontdekken, en dan zijn de rapen gaar."

"Ik heb het", riep Martin opeens. Hij wierp de hark van zich af. "Ik vlucht gewoon naar Mallorca. Mijn vrouwtje runt daar een camping. Ze roept al jaren dat ik haar moet vergezellen, omdat ik me hier toch maar telkens in de nesten werk... Ja, dat ga ik doen."

Hij had nieuwe geestdrift gevonden, met vergezichten van een toekomst die alles goedmaakten. Hij fatsoeneerde zijn kleding en drukte toen het envelopje met coke in mijn handen, met de toevoeging dat het een cadeau was, omdat ie mij zo tof vond.

"Dus je wandelt nu gewoon van het terrein?", vroeg ik voor de zekerheid. "Zonder iets te zeggen tegen de werkmeester, of die man die ons hierheen heeft gereden?"

"'Ze kunnen de pestpokken krijgen. Ik ben weg. Viva la España."

Martin graaide de coke terug uit mijn handen en werkte vier of vijf sleutelpuntjes naar binnen, daarna wist hij het zeker: in dit land had hij het definitief verbruid. Spanje was zijn nieuwe bestemming. Ik kreeg eerst de envelop retour, schoof die in de zak van mijn trainingsjack en ontving een liefkozende klop op mijn schouder.

"Tabee, jongen. Wees een goede burger. We zijn nu voor altijd vrienden."

Ik weet niet of hij het meende, maar ik had wel zijn kompaan kunnen worden, want op een zeker moment was de gedachte gerijpt, in dat kleine uur dat we samen waren, dat onze hang naar sensatie en zelfvernietiging redelijk overeenkomstig waren. Ik baalde toen hij verdween.

Om de aandacht te verleggen, liep ik terug naar de plek waar de begeleider ons had afgezet, met het materieel in mijn hand. De zon scheen fel in mijn gezicht. Verderop legde een blond meisje van begint twintig een roos op een graf. Ze was helemaal alleen.

Ik weet niet of het door de coke en de drank kwam, maar ik schuifelde rustig in haar richting. Iemand moest haar troosten. En ik had genoeg tijd om me van die taak te kwijten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234