Woensdag 30/11/2022

Werk niet, bemin niet, lees niet, denk aan mij

Baldadige nonsens van een druktemaker

door Eric Min

Francis Picabia

Uit het Frans vertaald door Jan H. Mysjkin, Vantilt, Nijmegen, 64 p., 590 frank.

De historische avant-garde uit het eerste kwart van de twintigste eeuw is volop aan herwaardering toe. Een voor een passeren ze de revue in fraai verzorgde uitgaven, fris vertaald en van de nodige in- en uitleidingen voorzien: Louis Aragon, Tristan Tzara, Carl Einstein, Man Ray, Raymond Queneau, Blaise Cendrars. Sinds kort trekt ook Francis Picabia weer op met zijn oude makkers - in de boekenkast dan. Zijn blasfemische boekje Jésus-Christ Rastaquouère werd onlangs door Jan H. Mysjkin vertaald.

Francis Picabia (1879-1953) was een rare vogel, of beter: hij wilde zo graag een rare vogel zijn. Van postimpressionistisch wonderkind dat Pissarro en Sisley aanbad en als vijftienjarige knaap op de Salon des Artistes français exposeerde, werd hij een van de druktemakers van dada. In 1913 was hij op advies van Marcel Duchamp naar New York getrokken; hij kreeg er de smaak van de avant-garde te pakken. Terug thuis in Parijs hokte hij samen met geestesverwanten als Man Ray, Louis Aragon en André Breton, terwijl Tristan Tzara vanaf zijn sofa de dadaïstische wereldrevolutie in warrige banen leidde. Picabia stortte zijn zaad op menige rots: hij publiceerde gedichten en aforismen in efemere tijdschriften (zoals zijn eigen blad 391), smokkelde machineonderdelen in zijn schilderijen binnnen en pleegde menig woest manifest over het einde van de kunst.

Bij zoveel dadendrang hoorde ook een 'literair meesterwerk'. In juli 1920, enkele maanden na Tzara's onaangekondigde bezoek aan de salon van Picabia's nieuwe vriendin Germaine Everling en de stroom van uitgelaten dada-manifestaties die het gevolg was van zijn aanwezigheid in Parijs, legde Picabia de laatste hand aan Jésus-Christ Rastaquouère, zeven korte hoofdstukken wartaal met een voorwoord van zijn eerste levensgezellin Gabrielle Buffet, die wel vaker geschriften van haar vroegere minnaar uit de vlammen had gered, taalfouten corrigeerde en de teksten enigszins naar haar hand zette. Picabia's boekje zou, geheel in de geest van dada, schieten op alles wat bewoog. Daarvoor had je in die dagen vooral veel lef nodig, en een trucje of drie: de écriture automatique, de montage van stijlen (dagboekbladzijden, poëzie, opschriften, talige objets trouvés) en het systematisch negeren van elk systeem. De schilder die zelfs geen schrijver wilde zijn, volgde trouw het programma van de avant-garde, zodat we zijn geschrift ook vandaag nog kunnen lezen als een schoolvoorbeeld van artistieke balorigheid.

Aartsvijand nummer één was het establishment, de "Haai-Socaaity". Er is natuurlijk geen betere tactiek om de goegemeente de gordijnen in te jagen dan de naam des Heren ijdel te gebruiken. Picabia voegde er, volstrekt gratuit, het epitheton rastaquouère aan toe, wat volgens de Petit Larousse zoveel betekent als "Zuid-Amerikaanse snoeshaan die in Europa goede sier maakt" of, bij uitbreiding, een individu "wiens bestaansmiddelen onbekend zijn" (Mysjkins Quibus komt dus aardig in de buurt). De dorpspastoor stuurde het boek naar zijn bisschop; de kerk verbood het boek. Eén-nul voor Picabia. Nog in zijn eerste hoofdstuk voert hij een 'Jezus Christus Stradivarius' op (naast Spinoza de Slaappil en Nietzsche de Rukker) en drukt hij de gelovigen op het hart goed te kauwen bij het ter communie gaan.

Maar ook de rest van de wereld wordt te kakken gezet - had Gabrielle immers niet verkondigd dat er geen verbod, oordeel of rede bestaat, dat alles hypothese is en niets een uitleg of een verklaring behoeft? Kunstenaars, vaklui, dilettanten, "de volstrekt groteske geestdrift voor het vaderland of de eer - ik geef mijn woord van eer alleen voor leugens", plichtsgevoel, de Liefde, verstikkende bibliotheken, drama's van Ibsen... alles moet eraan geloven. Wat is beter: sterven aan hondsdolheid of blijven leven? Een speenvarken is Picabia dierbaarder dan een lid van het Institut. En nu jíj weer.

Mag er iets gered worden uit deze dadaïstische - uiteraard geheel vrijblijvende en zelfs enigszins lucratieve - zondvloed? De Voorzienigheid bestaat niet; er is slechts erfelijkheid. Jonge meisjes mogen de schrijver komen halen "met het hart tussen (de) benen" - het zal goed zijn maar volstrekt nutteloos, de zoveelste zinsbegoocheling. Picabia's kunstenaarsvrienden plakten stukjes krant op hun doeken; als een literaire echo roept de schrijver uit dat zuiveringszout de mooiste ontdekking van de mensheid is. Instemmend citeert hij Gabrielle Buffet: een modern kunstwerk is geen rebus waarvan het publiek de sleutel moet vinden; het is er gewoon, en dat volstaat. Kunstenaars die theorieën verkopen zijn "een stelletje pastoors die ons nog altijd willen doen geloven dat God bestaat". Jezus Christus Quibus telt slechts een vijftigtal bladzijden maar de baldadige, overmoedige nonsens die Picabia hier laat defileren, tart elke verbeelding. En de dadaïst wist als geen ander dat wie op de juiste plaats de gepaste banaliteiten uitkraamt, altijd gelijk heeft.

Is dit boekje echt niet meer dan een curiosum voor studenten kunstgeschiedenis en romantische zonderlingen die dwepen met de avant-garde van een andere tijd? Het is de verdienste van de uitgever en de vertaler dat we de integrale tekst onder ogen krijgen en met onze eigen ogen kunnen vaststellen dat Picabia's scheldtirades slechts één kant van de medaille zijn. Wie nauw luistert, hoort ook de stem van een melancholicus, een "onbeweeglijke reiziger" voor wie het leven al lastig genoeg moet zijn geweest en die zijn droefheid dan maar verstikte onder woordenkraam en hanig vertoon. Een wanhoopskreet: "Werk niet, bemin niet, lees niet, denk aan mij; ik vond de nieuwe lach waarmee je overal binnenkomt. Er valt niets te begrijpen, leef voor je plezier, er is niets, niets, niets dan de waarde die je zelf aan de dingen zult toekennen." Een bekentenis: "Ik mijd het geluk om te voorkomen dat het er vandoor zou gaan." Het heelal dat we menen te kennen is niets anders dan het masker van de eenzaamheid; een mens wordt gedreven door de neurose van de liefde, van de kunst, van het geloof in een god.

Vreemd is dat: zou het dadaïsme (of: het -isme tout court?) een ander woord zijn voor 'groot worden'? Groot, ja. Volwassen worden we toch nooit.

Picabia's boekje zou, geheel in de geest van dada, schieten op alles wat bewoog. Daarvoor had je vooral veel lef nodig, en een trucje of drie

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234