Zaterdag 27/02/2021

'Welkom in Libanon. Maar past u toch een beetje op'

Het kantoor van de toeristische dienst van Libanon in de Hamrawijk van Beiroet is dicht. Het land wordt dan ook dagelijks gebombardeerd door Israël, en de meeste toeristen zijn geëvacueerd naar Cyprus en Syrië. Maar de minister van Toerisme houdt er wel nog kantoor. Nu er alleen nog journalisten zijn geeft Joseph Sarkis interviews over het belang van toerisme voor de naoorlogse Libanese economie.

Door Gert Van Langendonck

"Men zou kunnen zeggen dat ik tot de meest getroffen personen in Libanon behoor", zegt de minister, terwijl hij met één oog een livepersconferentie van de Franse president Jacques Chirac op televisie volgt. "Mensen komen voortdurend naar mij. 'We vinden het vooral zo erg voor jou', zeggen ze dan."

De honderdduizenden Libanezen die uit het zuiden zijn gevlucht voor de Israëlische bombardementen en de families van de honderden dodelijke slachtoffers denken daar mogelijk anders over. Maar het is een feit dat Israël, behalve een groot deel van de Libanese infrastructuur, ook het imago van Libanon als ontluikende toeristische bestemming heeft vernietigd. En dat imago was toch een beetje het levenswerk van Joseph 'Joe' Sarkis, die sinds 2005 de post Toerisme bekleedt voor rekening van de Forces libanaises, de politieke partij die erfgenaam is van de beruchte falangisten, de christelijke milities tijdens de burgeroorlog.

De minister dreunt de cijfers op. De inkomsten uit het toerisme voor 2006 waren geraamd op zo'n 4,4 miljard dollar. Er werden 1,6 miljoen toeristen verwacht - Golf-Arabieren en Libanezen van de diaspora, maar ook Europese en Amerikaanse toeristen. Dat alles had Libanon een groei van 5 tot 6 procent moeten opleveren, tegenover slechts 1 procent in de voorgaande jaren. Het seizoen 2006, zo geeft de minister toe, is verloren. "Maar we mikken op volgend jaar. We zullen een agressieve campagne moeten voeren om de buitenwereld te overtuigen terug te komen. We gaan niet doen alsof er niets gebeurd is. We moeten uitleggen dat dit een kans is voor Libanon om tot een oplossing te komen die stabiliteit op lange termijn garandeert."

Want Libanon, mijmert minister Sarkis, heeft werkelijk alles om te bekoren. "We hebben de stranden in de zomer, de skipistes in de bergen in de winter, we hebben het cultureel toerisme en zelfs het medisch toerisme." En, niet te vergeten, dagelijkse bombardementen door de Israëlische luchtmacht. "Ik wens u een prettig verblijf in Libanon", zegt de minister tot afscheid. "Maar past u toch een beetje op."

Het eerste wat de toerist die Libanon wil bezoeken te doen staat, is een auto huren. Maar in een oorlogssituatie is de autoverhuursector bijzonder gevoelig voor inflatie. Men begint te onderhandelen voor 500 dollar per dag. In het luxueuze Commodorehotel blijkt de Avisbalie echter gewoon open te zijn. Het Commodorehotel was tijdens de Libanese burgeroorlog en is vandaag opnieuw de plek waar journalisten met grote onkostenrekeningen bij voorkeur hun koffers neerzetten. Het soort hotel, zo tekende de Amerikaanse schrijver PJ O'Rourke op tijdens zijn eigen toeristische rondreis in het Libanon van 1984, "waar men desgevraagd de barrekening omzet in de wasserijrekening".

Zestien jaar relatieve vrede hebben die typisch Libanese mentaliteit niet aangetast, zo blijkt. "U bent in principe niet verzekerd als er een Israëlische bom op uw auto valt", zegt de man aan de balie. "Maar wij zijn bereid om gebeurlijke oorlogsschade aan de verzekering aan te geven als accidentele schade."

Het zicht over de Bekaavallei is adembenemend. Libanon is een klein maar bijzonder divers land. De vochtige hitte van Beiroet maakt in de bergen heel snel plaats voor een koele bries, om in de Bekaavallei, die geklemd zit tussen het Libanongebergte en het anti-Libanongebergte, te veranderen in een bijna-woestijnklimaat. Toen de Amerikaanse schrijver PJ O'Rourke hier in 1984 voorbijreed op een 'toeristische' rondreis door Libanon in volle burgeroorlog beschreef hij hoe "de marihuanavelden zich langs beide kanten van de weg uitstrekken zover het oog reikt". De hasjteelt is naar het schijnt niet helemaal verdwenen, maar ze gebeurt niet langer open en bloot. Wat niet veranderd is sinds PJ O'Rourkes tijd zijn de portretten van de gewezen Iraanse leider Ayatollah Khomeini; al moet hij dezer dagen wel het onderspit delven voor de posters van Hassan Nasrallah, de leider van Hezbollah.

In 1984 had nog nauwelijks iemand gehoord van Hezbollah. Baalbek werd toen gecontroleerd door Islamic Amal, een radicale, pro-Iraanse afsplitsing van de sjiitische Amalmilitie die het licht zag tijdens de Israëlische bezetting van Libanon van 1982-2000. Midden-Oostenkenner Robert Fisk vertelt in zijn boek Pity the Nation hoe hij tijdens een bezoek aan Baalbek in oktober 1983 voor het eerst over Islamic Amal hoort spreken als Hezbil Allah, de partij van God. Vandaag kan er geen enkele twijfel over bestaan wie de Bekaavallei en Baalbek controleert. De bezoeker moet er rekening mee houden dat hij op elk moment staande kan worden gehouden door onvriendelijk kijkende mannen - in burgerkleren maar gewapend met walkietalkies -, die zijn paspoort aan een kritische blik zullen onderwerpen. Hier, zoals in Zuid-Libanon en in de zuidelijke buitenwijken van Beiroet, is het Hezbollah en niet de Libanese regering die het voor het zeggen heeft.

"Ook in Baalbek vinden we zonder probleem een eenzame oude gids bereid om ons rond te leiden, namen en cijfers te spuien en ons te wijzen op bijzonder grote of bijzonder merkwaardige zaken", schrijft PJ O'Rourke. Dat is anno 2006 niet anders. Nauwelijks komt de auto tot stilstand in het centrum van Baalbek of we worden aangesproken door Khalil Abbas. Abbas (51), een magere, grijzende man die vlekkeloos Frans spreekt, is al dertig jaar lang toeristische gids in Baalbek, waar de ruïnes van de grootste en best bewaarde Romeinse tempels in de hele wereld staan. Hij wil ons die wat graag tonen.

Maar eerst is Abbas verplicht om gids te spelen voor Hezbollah. Zichtbaar bevend van de zenuwen leidt hij ons rond langs de nieuwste ruïnes van Baalbek. "Hier stonden een supermarkt en een school. Gelukkig zijn er geen doden gevallen." Een zeldzame omwonende, Haji Ghazi Taha, zegt heldhaftig: "Wij zijn niet bang voor de Israëlische vliegtuigen. We gaan ze uit de lucht schieten als vogels."

Om de hoek is een ander gebouw tot puin herleid. Een kantoorgebouw was het, zegt Abbas. Maar helemaal bovenaan, op wat de derde verdieping moet zijn geweest, hangen drie knalrode kinderjasjes op een rij aan een kapstok. Ze zijn merkwaardig genoeg gevrijwaard van het stof dat de hele omgeving bedekt. Het is een staaltje van wat president George W. Bush "de geweldige propagandamachine van Hezbollah" heeft genoemd.

Khalil Abbas herademt als we na een beleefdheidsbezoek aan burgemeester Mohsen Al-Jamal - "We zijn nu allemaal Hezbollah" - eindelijk naar zijn geliefde ruïnes kunnen. Aan de voet van de imposante tempel van Bacchus zit een handvol bewakers thee te drinken. De tempels zijn officieel gesloten maar nog steeds wordt elke avond de buitenverlichting aangestoken. Hezbollah zelf komt hier ook af en toe, zegt Abbas, omdat ze weten dat Israël wel twee keer zal nadenken alvorens een stuk werelderfgoed te bombarderen.

"De bouw van de tempels heeft drie eeuwen geduurd. Ze zijn nooit voltooid omdat de Romeinen zich tegen die tijd tot het christendom hadden bekeerd." Abbas spreekt met de luide stem van iemand die het gewoon is om grote groepen toeristen toe te spreken. Zijn woorden weergalmen tegen de lege tempels, waar alles nog in gereedheid staat voor het internationaal kunstenfestival, dat op 12 juli, de eerste dag van de oorlog, officieel van start ging. Deep Purple was dit jaar de grote attractie. Traditiegetrouw werd op de eerste dag een voorstelling gegeven exclusief voor de inwoners van Baalbek. Die voorstelling, een musical, ging gewoon door voor een publiek van 5.000 mensen. De volgende dag werd het festival geannuleerd.

"Ik wou dat ik 2.000 jaar geleden was geboren", zucht Abbas, als Israëlische vliegtuigen zijn uiteenzetting verstoren. Hij wijst op de scheur in de tempel van Bacchus die door een recent bombardement is veroorzaakt. "Tweeduizend jaar en vijf aardbevingen hebben de tempels overleefd. En nu dit." Wanneer de vliegtuigen in de buurt hun bommen afgooien, verliest Abbas zijn kalmte. "Putain de merde!", vloekt hij in het Frans. "Vijfentwintig jaar burgeroorlog hebben we achter de rug! En nu begint alles opnieuw. Wij willen leven!", roept hij naar de vliegtuigen, "gewoon leven!"

Daags nadien, op zaterdag 10 augustus, bombardeert de Israëlische luchtmacht Baalbek opnieuw. Volgens AFP wordt daarbij een tienjarig jongetje gedood. In de tempel van Bacchus is een nieuwe barst verschenen.

'Shop till you drop.' De slogan op het reclamebord bij het Printaniahotel in Broummana, gevolgd door een rits dure merknamen, dateert niet van voor de Israëlische bombardementen. Nee, de hal en conferentiezalen van het - volzette - vijfsterrenhotel zijn pas de voorbije weken ingepalmd door de duurste modezaken van Beiroet. Die zijn bij het begin van de oorlog hun cliënteel gevolgd naar de koelte en de veiligheid van de bergen waar de rijke Beiroeti's 's zomers sowieso hun intrek nemen. Ook het trendy openluchtrestaurant speelt op verplaatsing: het is met meubilair en al van Beiroet naar Broummana verhuisd. "Men kan zeggen dat dit allemaal vluchtelingen zijn", zegt Michel Ashkar, eigenaar van het Printaniahotel. "Er zitten vluchtelingen in de vijfsterrenhotels, net zo goed als er vluchtelingen in de scholen zitten."

Bij de ingang van het hotel komen om de haverklap dure terreinwagens aangereden, die nieuwe ladingen opgedirkte dames afzetten. Gewapend met grote winkeltassen slenteren ze zo traag mogelijk voorbij de volle tafels, op en neer. Het zijn vooral christenen die hier graag vertoeven, al zijn er ook enkele moslimfamilies. De dames zijn gekleed in strakke jeans, sexy topjes, hoge hakken en grote zonnebrillen. Als het jonge moeders zijn, worden ze gevolgd door Filippijnse nanny's, die zich om hun kinderen bekommeren. Niemand slaat acht op de beelden van de bombardementen op Zuid-Beiroet die op het grote televisiescherm voorbij flitsen.

"Dit is voor ons heel gewoon", zegt Michel Ashkar. "We hebben allemaal de burgeroorlog meegemaakt, en we zijn het gewend in moeilijke omstandigheden te werken. Oorlog of niet, de economie moet draaien." Ashkar is behalve hoteleigenaar ook burgemeester van Broummana en voorzitter van de Libanese hotelfederatie. Hij en zijn collega's hebben de voorbije weken niet stilgezeten. Hoog in de bergen werken ze aan een "aanvalsplan" voor de heropbouw van Libanon.

"De zakenwereld is in het verleden te afwezig geweest in het beleid. We hebben het altijd aan de politici overgelaten. Dat moet veranderen: wij willen dat de politiek ten dienste komt te staan van de economie in plaats van omgekeerd. Er moet nu een politieke oplossing komen die stabiliteit garandeert op de lange termijn." Over het hoe en wat is Ashkars economische denktank nog druk aan het brainstormen. "Maar over één ding is iedereen het eens: we gaan deze keer niet aan de zijlijn blijven staan."

De burgemeester staat erop dat we ook een kijkje gaan nemen bij de arme vluchtelingen die in zijn gemeente onderdak hebben gekregen. We krijgen een politie-escorte mee. Alvast de christelijke vluchtelingen in het Maison St. Vincent de Paul, een klooster van de orde van Les Filles de la Charité (Meisjes van Barmhartigheid) lijken weinig problemen te hebben met het contrast tussen arm en rijk in Libanon. "Iedereen vlucht op zijn eigen manier", zegt een man die zijn huis nabij Beiroet is ontvlucht gelaten.

Soeur Jeanne, de moeder-overste, legt uit dat hier 22 families zijn ondergebracht, een zeventigtal personen in totaal. Het klooster ademt de sfeer van een bijzonder welgemanierd vakantiekamp. In een hoek zitten mannen te kaarten, elders spelen tienerjongens en -meisjes tafelvoetbal. Maar de oorlog is nooit ver weg. Sinds twee dagen werd hier gewacht op vijftig families die uit Marjayoun, een christelijk stadje in het zuiden, geëvacueerd zouden worden. Het konvooi had garanties gekregen maar werd toch bestookt door Israëlische vliegtuigen; er vielen minstens vier doden. Een zichtbaar oversture man komt het klooster binnengelopen; hij en zijn familie hebben de aanval overleefd. Hij beseft het zelf niet maar hij heeft een T-shirt aan van het tv-programma Survivor.

In de christelijke school waar Broummana de moslimvluchtelingen heeft ondergebracht gaat het er chaotischer aan toe. Hier zitten zo'n driehonderd vluchtelingen uit de buurt van Bint Jbeil, waar zwaar is gevochten. Ze zweren allemaal trouw aan Hezbollah. Moeders duwen hun kinderen naar voren en zeggen dat ze bereid zijn om zichzelf en hun kroost op te offeren voor de zaak zodra Nasrallah daarom vraagt.

De familie Hamede heeft een zware prijs betaald. Vader Yussef en zoon Hussain waren vanuit Broummana teruggekeerd naar het zuiden om achtergebleven kinderen op te halen. Ze hebben het niet overleefd. Maar uitgerekend Nasir Zaki Hamede, die vader en broer heeft verloren, zegt dat wat hem betreft de oorlog mag ophouden als Israël zich terugtrekt uit Libanon. "Er zijn andere manieren om onze eisen (de vrijlating van de Hezbollahgevangenen in Israël en de ontruiming van de door Israël bezette Sheeba Farms, GVL) te doen inwilligen."

Bij het buiten rijden van Broummana heeft men langs de kant van de weg een schitterend uitzicht op Beiroet. Twee jongens zitten een jointje te roken in een BMW. Een familie heeft zich geïnstalleerd met een picknickmand en een narguila (waterpijp). Ze zitten hier niet voor het uitzicht op de Middellandse Zee; ze kijken naar de rookpluimen die de locaties van de Israëlische bombardementen op de Hezbollahwijken van Zuid-Beiroet verraden.

"Sidon, makkelijk te bezoeken op een dagtrip vanuit Beiroet, mag niet ontbreken op de 'must see'-lijst van elke toerist die Libanon bezoekt", zegt de Lonely Planet-reisgids. Bij het binnenrijden van de stad, zo'n 40 kilometer ten zuiden van de hoofdstad, is er plots opschudding. Boven onze hoofden dwarrelen honderden pamfletten, gedropt door een Israëlisch vliegtuig. Omdat die pamfletten doorgaans waarschuwingen bevatten voor een nakend bombardement werpen de omstanders zich op de papiertjes als waren het dollarbiljetten. Het is vals alarm. Op de pamfletten staat in het Arabisch: "Hezbollah beweert dat het geen verliezen heeft geleden. Dat is een leugen", gevolgd door tientallen namen van gesneuvelde Hezbollahstrijders.

Op het zeekasteel uit de kruisvaardersperiode, de voornaamste attractie van Saïda, hangt een groot slot. Er worden voorlopig geen toeristen verwacht. Maar het prachtig gerenoveerde boetiekhotel Al-Qualla, pal tegenover het zeekasteel, is 'open for business'. De familie Kaddoura nam welgeteld twee dagen voor de oorlog een lease met koopoptie op het hotel. De enige gasten nu zijn tv-ploegen, die van hieruit de oorlog in het zuiden verslaan. "We waren volgeboekt voor de rest van de zomer toen de oorlog begon", zegt Omran, de zeventienjarige zoon van uitbater Talal Kaddoura. Maar de familie maakt zich weinig zorgen. "Vader wil het hotel nog altijd kopen. Op een dag houdt deze oorlog op en dan gaan we veel toeristen over de vloer krijgen, die zullen willen zien wat er gebeurd is in het zuiden."

De volgende dag bombardeert Israël de elektriciteitscentrale van Saïda en wordt de stad in het donker gezet.

Langs verlaten wegen gaat het in zuidelijke richting verder tot Nabatiye. In het zwaar beschadigde centrum zitten enkele mannen op plastic stoelen te keuvelen. Ze zijn te oud of te arm om te vertrekken of ze hadden geen zin om in een vluchtelingencentrum te belanden. Israëlische vliegtuigen - niet te zien, wel te horen - voeren in de buurt een bombardement uit. Ook in Nabatiye is de pr-dienst van Hezbollah langs geweest. Bovenop een ruïne staat een geelblauw kinderfietsje te pronken alsof het recht uit de doos komt.

We willen hier nog één attractie bezoeken: het Beaufortkasteel. Daterend uit de kruisvaardersperiode deed het kasteel, dat uitkijkt over de Litanirivier, in de jaren zeventig en tachtig dienst als militair hoofdkwartier van de PLO. Nadat de Palestijnen uit Libanon waren verjaagd werd het kasteel ingepalmd door de Israëli's, tot die zich in 2000 op hun beurt terugtrokken uit wat een uitzichtloze guerrillaoorlog tegen Hezbollah was geworden. We geraken tot op zichtafstand van het kasteel, de hele tijd in de gaten gehouden door een 'MK', een Israëlisch onbemand maar bewapend vliegtuig dat boven onze hoofden zoemt als een vervelende mug.

Verder gaan is gevaarlijk, op enkele dagen voor het staakt-het-vuren. Dat is jammer, want verderop ligt Khiam, een plek die volgens de Lonely Planet-gids "niet te missen is: het absolute hoogtepunt van een bezoek aan het zuiden". Khiam is waar zich tijdens de Israëlische bezetting van Zuid-Libanon de beruchte gevangenis bevond waar vermeende Hezbollahleden ondervraagd en soms gefolterd werden door de Israëli's en hun lokale bondgenoten, het Zuid-Libanese leger (SLA). Na het vertrek van de Israëli's maakte Hezbollah er een museum van, compleet met een souvenirwinkeltje waar toeristen sleutelhangers met het portret van Nasrallah en andere Hezbollahprullaria konden kopen. Volgens de laatste berichten heeft Israël de ex-gevangenis van Khiam, het Hezbollahsouvenirwinkeltje incluis, tot puin herleid.

Drie dagen later gaat het staakt-het-vuren in. In Zuid-Beiroet komen bewoners de schade inspecteren, en de wegen naar het zuiden van het land zijn één grote verkeersopstopping van terugkerende vluchtelingen. Op het eerste gezicht lijkt er helemaal niets geregeld. De gekidnapte Israëlische soldaten zijn niet vrijgelaten, en er is geen akkoord over de Sheeba Farms of de Hezbollahgevangenen in Israël. De internationale troepenmacht bestaat alleen op papier. Wat meer is: Hezbollah is wel akkoord gegaan met de ontplooiing van het Libanese leger in het zuiden, maar lijkt terughoudend om ook de eigen wapens in te leveren. Het is niet meteen wat toerismeminister Joseph Sarkis voor ogen had als "een oplossing voor de lange termijn". Maar tot ieders verbazing lijkt het staakt-het-vuren voorlopig stand te houden. En Sarkis is hoopvol: "Ik zie voor het eerst een consensus groeien over de ontwapening van Hezbollah. Dat zou ik een maand geleden niet voor mogelijk hebben gehouden."

Wie daar niet rouwig om zal zijn is Rabih, de eigenaar van de 'super night club' Babes in Jounieh. Zaterdagavond had hij nog hoopvol gevraagd of het maandag nu echt vrede zou worden. Zijn bestaan als stripclubeigenaar hing ervan af, zei hij. Jounieh is de minder fraaie kant van het toerisme in Libanon. Jounieh is patser-ville. Tijdens de burgeroorlog groeide het vroegere vissersplaatsje uit tot het nieuwe uitgaanscentrum van christelijk Beiroet, nadat het centrum van de hoofdstad frontlijn was geworden. Vandaag wordt het gedomineerd door het Casino du Liban en door de super night clubs, striptenten annex bordelen waar Golf-Arabieren veel geld uitgeven voor het gezelschap van Russische en Oekraïense meisjes.

Maar op zaterdagavond zitten de zeven meisjes van Babes, twee Marokkaanse en vijf Oost-Europese, werkloos op een rij, wachtend op klanten die voorlopig niet zullen komen. Rabih had 35 zulke meisjes maar de meeste zijn vertrokken. Vanavond is een goeie avond: een buurtbewoner heeft een fles whisky besteld. Sommige avonden komt er helemaal niemand, zegt Rabih. Toch is hij behalve de eerste dag van de oorlog elke dag open geweest. "Dat heeft mij al zo'n 45.000 dollar gekost", zegt hij, "maar ik wil dat de klanten weten dat ze hier terecht kunnen."

Elena, uit Oekraïne, wil wel weg. "Maar wie gaat er dan voor mijn moeder zorgen?" Ze stuurt, ondanks de oorlog, nog altijd geld op naar Oekraïne met Western Union. "Thuis is er geen geld te verdienen", zegt ze. En dus zit Elena geduldig te wachten aan de bar van Babes in Jounieh. Tot de Golf-Arabieren terugkomen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234