Woensdag 30/11/2022

Welkom in Bagdad, bevrijd gebied

Het is gelukt. Na een veroordeling door een islamitische rechtbank in Iran en een omweg via Amman heeft onze verslaggever dan toch Bagdad bereikt, waar hij met GI's Eric en Dave een uit de villa van Tareq Aziz gejatte fles Johnny Walker soldaat kon maken. Deel vier van het oorlogsdagboek van Gert Van Langendonck.

Zaterdag 12 april

Vandaag ben ik veroordeeld door een islamitische rechtbank in Iran. Er is geen reden tot onrust: ik ben nog in het bezit van al mijn ledematen. Het is een hele ervaring, overgeleverd te worden aan deze chaos waarbij alles in het Farsi verloopt. Het heeft iets van 'De twaalf werken van Obelix', waarin Asterix en Obelix een stempeltje moeten halen in Het Gebouw Dat Gek Maakt. Ik heb geluk. Mijn rechter is de kwaadste nog niet. Ik ben dan wel een keer of tien van het ene kantoor naar het andere gestuurd om een onbegrijpelijke krabbel aan mijn dossier te laten toevoegen, maar alles is vrij vlot verlopen.

Een goede Engelstalige ziel heeft zich over mij ontfermd. De man was hier zelf om een vriend te begeleiden die veroordeeld moest worden. We zijn hem even goeiedag gaan zeggen terwijl hij werd uitgescholden door een roodaanlopende mullah. Die sprak geen Engels, en mijn nieuwe vriend nam de gelegenheid te baat om hardop te zeggen: "Wacht maar, volgend jaar komen de Amerikanen met jullie klootzakken afrekenen."

Het was precies zo'n boze mullah die fotograaf Karim had getroffen, mogelijk vanwege zijn Arabische naam. "Hij heeft mij een kwartier uitgescholden in het Farsi. Ik wist niet of ik veroordeeld was tot twaalf zweepslagen of levenslang of wat. Ik heb maar beleefd geknikt."

We zijn, zo blijkt, allebei veroordeeld wegens illegaal verblijf in Iran en zijn in het bezit van een bevel om binnen de 72 uur het land te verlaten. Karim vertrekt morgen naar Brussel en van daaruit naar Syrië. Ik wil nu eindelijk naar Bagdad.

Maandag 14 april

Via Dubai ben ik in Jordanië aangekomen. Amman is een verademing na anderhalve maand Noord-Irak en Iran. Proper en ultramodern. Amman is zo'n typisch buurland van een land in oorlog. Sinds de VN-sancties is de weg van Amman de voornaamste bevoorradingsroute voor Irak. Het is langs hier dat de zwarte markt van Bagdad van luxegoederen werd voorzien en in omgekeerde richting Iraakse olie in tankwagens werd afgevoerd. Nu zijn journalisten de voornaamste bron van inkomsten voor de chauffeurs van de Jimsi's, de lange GMC-terreinwagens die op het duizend kilometer lange traject naar Bagdad rijden.

Voor de oorlog kostte een enkeltje Amman-Bagdad 80 dollar tot de grens en nog eens 50 dollar tot Bagdad. Nu is dat 1.500 tot 2.000 dollar. Ik vind een zitplaats in de auto van de Griekse televisiezender Antena. Zoals dat hoort bij georganiseerde groepsreizen, maken de chauffeurs een ongevraagde stop van een paar uur in een stadje op 80 kilometer van de grens. Kwestie van de lokale middenstand te steunen. Een halve euro om te plassen, 4 euro voor een blikje bier.

Woensdag 15 april

"Oké, ik geef deze speech aan iedereen, dus jullie moeten je niet beledigd voelen", dreunt de Amerikaanse soldaat zijn ingestudeerd nummer af: "Anyone taking pictures of soldiers, I will personally pull over and keep his ass here all day. And believe me, it's not going to be a pleasant experience." De boodschap is bestemd voor de inzittenden van de meer dan twintig tv-auto's die staan aan te schuiven aan de grens met Irak. Welkom in bevrijd Irak. Als we nog twijfels hadden over wie het hier voor het zeggen heeft, dan zijn die bij deze weggenomen.

De reiziger die van Amman naar Bagdad gaat, wordt vooraf overstelpt met waarschuwingen. De Jimsi-chauffeurs rechtvaardigen hun woekerprijzen door op gevaren te wijzen. De Jordaanse autoriteiten laten ons in Amman nog een verklaring ondertekenen: 'De weg naar Bagdad is uitzonderlijk gevaarlijk en wij raden af om hem te gebruiken. Ondergetekende ontslaat de Jordaanse overheid van elke verantwoordelijkheid.'

Het valt een beetje tegen als op de weg naar Bagdad helemaal niets te beleven blijkt. De kraters van Amerikaanse bommen zijn het enige gevaar dat we moeten trotseren. Pas bij het binnenrijden van Bagdad zien we de eerste tekenen van gevechten. En ze kunnen tellen. De weg is bezaaid met tientallen uitgebrande tanks en particuliere voertuigen. De vangrails op de middenberm zijn om de tien meter platgereden door tanks die kriskras over de snelweg zijn gereden.

"Welkom in Bagdad", verwelkomt de soldaat bij het checkpoint: "Rechts is de rij voor het Sheraton-hotel, links is voor het Palestina-hotel." De Amerikaan zucht: "Ik sta hier zo al de hele dag politieman te spelen. Het houdt maar niet op." Toen hij naar Irak vertrok, had hij wellicht niet gedacht dat hij er het verkeer zou moeten regelen van de honderden journalisten die maar blijven komen. Alle hotels in het door de Amerikanen afgegrendelde gebied zitten proppensvol. In de Sheraton zou nog plaats zijn, vertelt een collega, maar je moet boven op de kamerprijs honderd dollar per dag neertellen om een bed te krijgen.

Fotograaf en vriend Teun is toevallig komen aanlopen. Hij zit hier al een paar dagen en heeft de inside-tips: het goedkope hotel, het eerste restaurant dat gisteren is opengegaan, waar geld te wisselen, welke de veilige buurten zijn. We laten de mediaopstopping voor wat ze is en trekken naar de Abu Nawaas. Geen luxehotel maar het voldoet aan de criteria: er is af en toe water, er is een generator voor de elektriciteit en er staan permanent Amerikaanse soldaten voor de deur. De prijs bedraagt honderd dollar, meer dan het dubbele van wat Teun drie dagen geleden moest betalen. Maar we kunnen de eigenaar overtuigen om een kamer te delen voor zeventig dollar. Het is de laatste kamer.

Donderdag 16 april

Zaid, onze chauffeur, brengt ons naar de brug vanwaar we de paleizen kunnen zien waar Saddam en zijn familieleden woonden. We hebben pech: voor de souvenirjacht hadden we vroeger moeten zijn. De Amerikanen hebben de presidentiële wijk afgesloten en de beste paleizen zijn nu off-limits. We moeten het doen met een paleisje van een neef van Saddam, en waar er iets te stelen viel, is het al weg. "Vroeger mocht je hier niet eens stoppen of je werd gearresteerd", zegt Zaid. Hij toont ons zijn eigen huis niet ver daar vandaan: het is zwartgeblakerd, getroffen door Amerikaanse Apache-helikopters die tanks van de Republikeinse Garde hadden willen raken. Gelukkig had Zaid zijn vrouw en kinderen de stad uitgestuurd.

We stoppen bij het spoorwegstation. De laatste keer dat hier een trein vertrok was op 18 maart. Daarna werd het gebouw ingenomen door het Iraakse leger dat luchtafweergeschut op het dak installeerde. Op perron vijf staan nu Amerikaanse Abraham-tanks in plaats van treinwagons. De Amerikanen zijn de munitie uit het gebouw aan het halen, kogels en mortiergranaten maar ook RPG's en SAM-raketten. In de trappenhal hebben de Irakezen grappige tekeningen aangebracht van heldhaftige luchtgevechten met de Amerikanen, en op de muur bij het luchtafweergeschut zijn afbeeldingen aangebracht van de verschillende types van Amerikaanse vliegtuigen. Een spoorwegbeambte wijst naar een wagon die op een verlaten spoor in de zon staat te blakeren. "Daar werden vijftien soldaten opgesloten die geprobeerd hadden om te deserteren."

In het bureau van de directeur-generaal is een vergadering aan de gang. Het zijn ingenieurs van de spoorwegen die zich opnieuw voor het werk hebben aangemeld. De directeur-generaal zelf is gaan lopen. "Veel kunnen we niet doen", zegt ingenieur Ali. "Het hele gebouw is geplunderd." Zijn collega Sani schat dat het zes maanden zal duren eer de treinen opnieuw kunnen rijden.

Het plunderen in Bagdad gaat door, maar het is niet meer het orgie van de eerste dagen. We stoppen bij het gebouw van de burgerbescherming. Het staat in brand vanaf de eerste verdieping maar op de benedenverdieping zijn plunderaars nog druk in de weer om het laatste bruikbare materiaal weg te halen, in dit geval twee tl-lampen. Een personeelslid van de burgerbescherming staat hoofdschuddend toe te kijken: "Het is een ramp", zegt hij. "Dit zijn de dossiers van zevenduizend werknemers over heel Irak die daar in rook opgaan. Hoe zullen die mensen ooit nog hun pensioen krijgen?"

Het plunderen is systematisch geworden op het oude vliegveld van Bagdad. Hier werd tot vlak voor de oorlog met man en macht gewerkt aan de Great Saddam Mosque. Het moest de grootste moskee ter wereld worden, met een kunstmatig meer in het midden, Saddams manier om zich op te werpen als de beschermer van de islam. Het vliegveld, dat diende om het bouwmateriaal op te slagen, is door de Amerikanen platgebombardeerd. Nu is het een kerkhof van gloednieuwe pick-ups en materiaal allerhande en duizenden Irakezen zijn bezig met de restanten te plunderen. Een plunderaar heet in Bagdad een 'Ali Baba'.

"Alleen heeft hij deze keer geen veertig maar een miljoen rovers meegebracht", zegt Zaid schamper. Dit is professioneel plunderen: de loodgieters komen waterpijpen halen, de bouwvakkers aluminiumplaten om daken mee te herstellen."

We stoppen bij de broodbakkerij van de Republikeinse Garde. Ze werkt nog. Het personeel is na het ineenstorten van het regime naar de fabriek gekomen en heeft de installaties beschermd. Nu wordt er opnieuw brood gebakken, en elke ochtend komen duizenden mensen hier aanschuiven. Het brood is niet gratis maar wel heel goedkoop. Het probleem is er nog maar voor twee dagen graanvoorraad is.

Wat je op de televisie niet meekrijgt is de geur. Soldaten, ook Amerikaanse, stinken uren in de wind. Eric uit Californië en Dave uit Indiana zitten op onze kamer om er een douche te nemen. De M16's staan achteloos tegen de muur, hun schoenen hebben we op de gang gezet vanwege de ondraaglijke stank. Dit mag dan het modernste leger ter wereld zijn, maar van mobiele douches hebben ze nog nooit gehoord. Het is anderhalve maand geleden dat Steve en Dave zich nog eens goed gewassen hebben. Ze voelen zich na afloop als herboren.

"Het eerste wat ik doe als ik terug thuis ben, is een manicure en een pedicure halen", zegt Eric. "De gasten moesten je horen", lacht Dave. Het eerste wat Dave gaat doen zodra hij thuis is, is een dikke joint roken. "We hebben er hier nog geen gevonden. Maar als we er hadden, dan zouden we allemaal stoned zijn, neem dat van mij aan." Het mag natuurlijk niet, en wie betrapt wordt op drugsgebruik wordt onmiddellijk uit het marinekorps getrapt. "Maar we hebben daar zo onze methodes voor", zegt Dave. "Er bestaat een vermageringsmiddel dat de sporen van marihuana in de urine doet verdwijnen."

Zo verneem je nog eens wat over de Amerikaanse strijdkrachten.

Eric en Dave maken deel uit van het platoon dat 's nachts de wacht optrekt voor ons hotel. We zijn met hen aan de praat geraakt en hebben ze gelukkig gemaakt door ze op de satelliettelefoon naar hun vrouw en hun ouders te laten bellen. Het was de eerste keer sinds ze in Irak zijn dat ze naar huis konden bellen. "Ik kreeg mijn tante aan de lijn", zegt Eric. "Ze bleef maar roepen: 'Omygod! It's Eric. He's alive!' Ik kreeg er geen woord tussen."

Op de kamer bekijken we de foto's van de afgelopen dag op de Macintosh van Jeroen, een Nederlandse freelance fotograaf. "De mensen haten ons hier, hé?", zegt Dave triest. Het is de eerste keer dat ik een Amerikaan zo hoor praten. Veel van de soldaten lopen hier nog rond met de bloemen die ze van Iraakse kinderen hebben gekregen tijdens de intrede in Bagdad. Dave gelooft niet meer in het sprookje. "Natuurlijk zien de kinderen ons graag. Daar zijn het kinderen voor. Maar de volwassenen... Zelfs als ze vriendelijk naar ons zwaaien bij een checkpoint zie ik in hun ogen dat ze ons haten. Ik kan het ze niet kwalijk nemen. Ik zou het ook niet leuk vinden als iemand ongevraagd mijn land binnenviel."

De Amerikanen in Irak denken lang niet allemaal zo. De platoon commander heeft net in de hotelloby een stukje Al-Jazeera-tv gezien en hij is voorstander om onmiddellijk een bom van twee megaton op het Al-Jazeera-hoofdkwartier in Qatar te droppen. Maar achter de bravoure van de mariniers schuilt veel onzekerheid. Eric schept aanvankelijk op over de Irakezen die hij heeft doodgeschoten: "Drie waar ik zeker van ben. Het doet mij even weinig als een hert doodschieten." Later op de avond zegt hij op vertrouwelijke toon: "Ik weet echt niet hoe ik mij voel, hoe ik mij zal voelen wanneer ik terug thuis ben. Ik weet alleen dat ik levend terug thuis wil komen. En daar is maar een manier voor: zorgen dat je als eerste schiet."

Het is voor Dave en Eric hun eerste en waarschijnlijk hun enige oorlog. Ze zullen niet bijtekenen als hun vier dienstjaren erop zitten. Eric wil vaker bij zijn vrouw zijn en Dave wil geschiedenis gaan studeren. Bij nader inzien vinden ze oorlog toch maar niets. Naarmate het peil van de whiskyfles daalt, beginnen ze te vertellen over de eerste doden die ze zagen, hoe hun ogen nog openstonden. "Ik heb dingen gezien die ik nooit had willen zien", zegt Eric. En Dave herinnert zich hoe ze met hun pantservoertuig over een lijk zijn gereden. "We hadden geen keuze, want we reden in konvooi en we mochten niet van onze weg afwijken. Maar er stonden kinderen op te kijken."

De whisky smaakt goed: het is een fles Johnny Walker Black Label die Eric en Dave hebben gejat uit de villa van Tareq Aziz. Het hele peloton heeft zich bij de minister van Buitenlandse Zaken bevoorraad met souvenirs: een das hier, wat juwelen daar, iemand heeft zelfs de g-string van een dochter van Aziz mee. Geef het nog een paar maanden en we kunnen op eBay zien wat de Amerikanen allemaal hebben meegenomen uit de paleizen van Saddam.

'De mensen haten ons hier, hé?", zegt Dave triest. Het is de eerste keer dat ik een Amerikaan zo hoor praten. Veel van de soldaten lopen hier nog rond met de bloemen die ze van Iraakse kinderen hebben gekregen. Dave gelooft niet meer in het sprookje. 'Natuurlijk zien de kinderen ons graag. Daar zijn het kinderen voor'Donderdag. Op de benedenverdieping van het gebouw van de burgerbescherming zijn plunderaars nog druk in de weer. Een personeelslid staat hoofdschuddend toe te kijken: 'Het is een ramp. Dit zijn de dossiers van zevenduizend werknemers. Hoe zullen die mensen ooit nog hun pensioen krijgen?'

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234