Zondag 26/09/2021

Welke van de vier ooms was het?

Een van de thema's die theatermaker Stijn Devillé (28) in mei van vorig jaar in zijn stuk La dissection d'un homme armé behandelde, was de moord op Julien Lahaut. Wat hij er toen bewust niet bij vertelde, was dat een van zijn eigen ooms op 18 augustus 1950 deel uitmaakte van het moordcommando. 'Na al die jaren ben ik er nog steeds niet achter welke nonkel het was.'

Douglas De Coninck

Het laatste waarvan Stijn Devillé beschuldigd wou worden, was dat hij munt zou willen slaan uit de geschiedenis van zijn familie. Dat risico leek er aanvankelijk niet in te zitten, want toen La dissection d'un homme armé op 16 mei van vorig jaar in Leuven in première ging, was het aantal Belgen dat de naam van de moordenaar kende te tellen op de vingers van een hand; althans, als je een kleine generatie hoogbejaarden in Halle buiten beschouwing liet.

Nadat historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen al in 1985 in hun boek De moord op Lahaut hadden onthuld dat de aanvoerder van het moordcommando een zekere 'Adolphe uit Halle' was, gaf VLD-senator Vincent Van Quickenborne hem net voor Kerstmis een naam: de in 1977 overleden ex-verzetsstrijder François Goossens. Vorige zaterdag kon De Morgen via gesprekken met de mogelijke opdrachtgever André Moyen (88) en Goossens' zoon de door 's lands justitie altijd als onoplosbaar gepresenteerde puzzel aanvullen. De twee handlangers waarmee Goossens zich die bewuste vrijdagavond in 1950 naar de rue de la Vecquée 65 te Seraing begaf om er de meest evidente politieke moord uit de Belgische geschiedenis te plegen, zouden twee zonen zijn geweest van de toenmalige CVP-burgemeester van Halle, Jan-Nikolaas Devillé.

"Mijn grootvader dus", zegt Stijn Devillé. "Of ik het wist? Ja en neen. Mijn broer is historicus en deed in 1989 op het Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog opzoekingen voor zijn eindwerk. Rudi Van Doorslaer is verbonden aan dat centrum. Hij sprak mijn broer aan: 'Ben jij familie van Jan-Nikolaas Devillé?' Ja, zei mijn broer. Zo het begonnen. Pas daarna zijn wij navraag beginnen te doen."

En?

"Inmiddels staan we nog geen stap verder. Binnen onze familie deed men altijd erg discreet over alles wat met de oorlog te maken heeft. Mijn broer en ik hebben er vader meer dan eens over aangesproken. 'Ik weet niet welke van mijn broers het was', zei hij, 'maar als ik het zou weten, zou ik het jullie niet zeggen'. Tja. Het weinige wat mijn vader erover weet, weet hij doordat hij als tiener wel eens op het verkeerde moment aanschoof aan de keukentafel. 'Ssst', zeiden zijn oudere broers dan, 'Mieleken is daar.' Het enige wat mijn vader kwijt wou, was dat het zeker niet nonkel Alex was. Want dat was de naam die Rudi Van Doorslaer had laten vallen als zijnde de chauffeur."

Weten wie het niet is, vergemakkelijkt soms je verdere zoektocht. Niet zo bij de nazaten van de in 1965 overleden burgemeester Devillé. Hij zette zestien kinderen op de wereld, van wie er drie op jonge leeftijd stierven. Zoon Isidoor werd in september 1944 op zijn achttiende neergekogeld tijdens een vuurgevecht met de Duitsers. In 1950 leefden er nog twaalf kinderen: negen zonen en drie dochters. "Er zat een serieus leeftijdsverschil tussen de vier oudsten en de generatie van mijn vader", legt Stijn Devillé uit. "De vier ouderen, dat waren nonkel Joris, nonkel Alex, nonkel Joseph en nonkel Hendrik. Ze zijn intussen allevier dood."

Het is niet zeker of François Goossens zich liet assisteren door één Devillé of twee. "Er zat een van de zonen van Devillé bij", verklapte Joseph Goossens, zoon van de hoofddader, vorige week. Nee, zei Van Doorslaer: "De twee anderen, dat waren twee broers." Klopt, zei Moyen: twee zonen van burgemeester Devillé. (Om zichzelf wat later weer te corrigeren: "Ik heb mijn contacten nog eens aangesproken en men zegt mij dat er één Devillé bij was.") Ook Stijn Devillé heeft altijd gedacht dat hij slechts één oom hoefde te zoeken: "Maar nu weet ik het ook niet meer."

De beschrijving die de weduwe van de voorzitter van de Communistische Partij gaf van de twee mannen voor wie ze die avond de deur opende, zou een aanknopingspunt kunnen zijn. Zij zag een grote en een kleine man. De getuigenis van Géraldine Lahaut sloot naadloos aan bij de verklaringen van buurtbewoners die de twee mannen traagjes naar het huis zagen stappen, gevolgd door de Vanguard van François Goossens. De auto werd bestuurd door een derde man. Twee daders dus - een grote en een kleine - en een chauffeur.

De kleine, dat zou François Goossens geweest kunnen zijn. Die mat amper 1,70 meter, terwijl Géraldine Lahaut de tweede man 1,80 meter gaf. "Dat maakt het er ook niet eenvoudiger op", zegt Stijn Devillé. "Onze hele familie is ook klein van gestalte. Nonkel Alex was 1,65 meter groot, de anderen waren niet veel groter. Ik ben geneigd te denken dat mijn oom - welke het ook is - chauffeur was en de derde dader effectief iemand van buiten mijn familie was."

Er is nog een aanknopingspunt. Zowel Moyen als Goossens junior poneerden vorige week cryptisch dat één mededader "al een jaar of tien dood is" en dat de andere "een paar jaar geleden stierf". Dat kan dan weer van 'nonkel Joris' de verdachte maken. Joris Devillé was de oudste zoon van Jan-Nikolaas Devillé. Hij had de reputatie opvliegend te zijn, en mensen in Halle die François Goossens gekend hebben, situeren hem als een "trouwe pion" in diens groepje van ex-verzetsstrijders. "Nonkel Joris is anderhalf jaar geleden gestorven", zegt Stijn Devillé. "Dat komt in de buurt. Toch kan ik het mij moeilijk voorstellen. Als kind beschouwden wij hem als onze tofste nonkel. Hij kwam altijd heel grappig uit de hoek. Hij baatte een café uit in Dworp."

Een andere mogelijke verdachte is oom Joseph, die in 1998 overleed. Ook dat gaat in de richting van "een paar jaar geleden". Joseph was loodgieter en stond binnen de familie bekend als de zachtmoedigheid zelve. "Bij hem kan ik me nog het minst zoiets voorstellen", zucht Stijn Devillé. "Nonkel Alex, die zeven jaar geleden overleed, was duidelijk degene met de meeste 'heldendaden' op zijn actief. Dus heb ik ook lang zitten te praten met mijn tante. Zij was in 1950 al een aantal jaren met nonkel Alex getrouwd. Zij weet van niets, echt van niets. En ik denk ook niet dat mijn vader loog toen hij ons op het hart drukte dat het niet nonkel Alex was." Er is ook nog oom Eugène, een hoogbejaarde zeventiger. Mogelijk is hij de laatste levende Devillé die het familiegeheim kent. "Hij is potdoof", zegt Stijn Devillé. "Zéker als je hem daarover zou aanspreken (lacht). Toen we het erover hadden met Van Doorslaer, zei die: 'Lees ons boek nog eens, en denk goed na over de codenaam die we de tweede dader gaven.' Ik heb die passage intussen een keer of tien herlezen. Er is niets aan de daarin genoemde 'Marc' dat ik kan verbinden met een van de nonkels."

"Maar heeft het belang te weten wie François Goossens vergezelde? Ik weet het zo niet. Hoe komt een mens in zo'n situatie terecht? Dát was wat mij intrigeerde bij het schrijven van het theaterstuk. Mijn opa en mijn nonkels waren verzetshelden, droegen hun hele leven dezelfde waarden uit: solidariteit, sociale bewogenheid, gelijke rechten voor iedereen. In de winter van 1942 leed heel Halle honger. Een van mijn ooms kreeg op school van een vriendje wat aardappelen. 'Terugsturen', beval mijn opa, 'die mensen hebben dat even hard nodig als wij.' Typisch de Devillés. Het gezin was ook erg artistiek. Nonkel Jan, een van de jongere broers, werd een bekende muzikant.

"En dan vraag ik mij af: hoe kan het dat één of enkelen onder hen zich op sleeptouw lieten nemen door zo'n Goossens? Is de toen heersende haat tegen de communisten te vergelijken met hoe het Westen vandaag tegen Osama bin Laden aankijkt? Het is die verwondering die me inspireerde voor La dissection d'un homme armé, waarin ik trouwens discreet omsprong met mijn kennis over de zaak. Vorige zomer heb ik het uitroeiingskamp van Mauthausen bezocht, waar Lahaut in 1944 zat. Die gruwel heeft hij dan overleefd, om een paar jaar later voor zijn eigen deur te worden afgeknald door drie mannen uit Halle. Ik vind het verhaal blijk geven van een onwaarschijnlijke tragiek."

Nogal wat kenners van het dossier-Lahaut, en ook Stijn Devillé, fronsten de wenkbrauwen toen ze vorige week in deze krant lazen hoe André Moyen bij hoog en bij laag blijft zweren dat het ging allemaal om "een impulsieve daad van François", omdat die als overtuigd Leopoldist dacht dat het Lahaut was geweest die een week eerder bij de eedaflegging van koning Boudewijn in het parlement 'Vive la République!' had geroepen.

Stijn Devillé: "Die uitleg doet volgens mij nog meer vragen rijzen over de rol van Moyen als toenmalige agent van de militaire inlichtingendienst. Komaan, wie gelooft dat nu nog, dat de moord op Lahaut een reactie was op die kreet in het parlement? Al in 1948 bestonden in Leopoldistische kringen plannen om hem te vermoorden. Men heeft dat incident aangegrepen om dat oude plan uit te voeren. Waarom bellen Goossens en de anderen die avond eerst aan op het foute adres? Niet omdat ze in de Senaat Lahauts adres zijn gaan opzoeken, zoals Moyen beweert. Omdat ze op pad gestuurd zijn met gegevens uit 1948. Lahaut woonde al bijna twee jaar niet meer op dat adres."

Maar wat was dan het nut van de moord?

"Destabilisatie van de communistische partij. Speculeren op een gewelddadige tegenreactie, zodat de partij in een volgend stadium buiten de wet kon worden gesteld. Ik ben er zeker van dat Goossens een opdrachtgever had. Wat de rol van mijn oom of ooms is geweest? Kijk naar de leeftijden. Goossens was veertig jaar oud, mijn nonkels waren allemaal twintigers."

Waren zij eigenlijk Leopoldisten?

"Ook weer zoiets. Neen, dat waren ze helemaal niet. Grootvader Jan-Nikolaas ook niet. Hij is niet uit de Halse politiek gestapt vanwege een of andere schimmige vorm van chantage met de zaak-Lahaut. Hij is in 1965 overleden en was toen nog burgemeester. Waarom is geen van zijn zonen in zijn electorale voetsporen getreden? Simpel, de familie was veeleer Vlaamsgezind en ging zich aansluiten bij de Volksunie."

Terwijl nu blijkt dat François Goossens ook betrokken was bij het opblazen van de IJzertoren in 1946.

"Ja, maar daar waren mijn ooms niet bij. Dat strookte totaal niet met hun overtuiging."

Volgens Moyen was het niet Goossens, maar een van die twee anderen die het fatale schot loste.

"Heb ik ook gelezen, ja. Wat mij dan wel verbaast, is dat in het onderzoek van de kogelhulzen nooit sprake is geweest van meer dan één wapen. Ik zie hier dus ook hier een aanwijzing in dat Moyen bewust mist spuit, wat mij nogmaals sterkt in mijn overtuiging dat hij er heel wel meer over weet en na meer dan een halve eeuw nog steeds redenen ziet om de waarheid te verkrachten. Nu, het kan natuurlijk, hé. Toch is het niet dat wat mij bezighoudt. De vraag naar 'welke nonkel' kan relevant zijn als ze ertoe kan bijdragen dat je het groepje rond Goossens beter in kaart kan brengen, dat je verder kunt onderzoeken met wie zij in contact stonden. En van wie de opdracht kan zijn gekomen. Ik hoop echt dat er zo'n parlementaire onderzoekscommissie komt. Wat het grote mysterie blijft natuurlijk hoe het komt dat een zo makkelijk op te helderen misdrijf onopgehelderd bleef."

Wie La dissection d'un homme armé miste, hoeft niet te treuren. Het stuk wordt volgend seizoen hernomen. Data en locaties zijn nog niet bekend.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234