Zondag 17/10/2021

InterviewA.F.Th. van der Heijden

‘Weinig is zo interessant als het vrouwelijk orgasme in al zijn stadia van intensiteit’

‘Mijn vrouw rekent op zes romans per jaar van mij, net als Simenon. Ik ben het ontwend geraakt om haar tegen te spreken’ Beeld Alek/Lumen
‘Mijn vrouw rekent op zes romans per jaar van mij, net als Simenon. Ik ben het ontwend geraakt om haar tegen te spreken’Beeld Alek/Lumen

De Fransen hebben Marcel Proust met A la recherche du temps perdu, wij hebben A.F.Th. van der Heijden met De tandeloze tijd: twee keer de hoogste trap van de schrijfkunst in cyclusvorm. 44 jaar geleden begon Van der Heijden aan zijn cyclus, vandaag is de verschijning van het achtste deel de literaire gebeurtenis van het voorjaar.

Stemvorken heet het achtste deel, en we treffen daarin Albert Egberts, Van der Heijdens alter ego, aan het eind van de vorige eeuw. Hij is een gerenommeerd toneelschrijver en woont met zijn vrouw Zwanet Vrauwdeunt in Amsterdam-Zuid. Als hij haar een ontmoeting voorstelt met een vriendin van hem, Corinne Suwijn, komt het tussen de twee vrouwen tot een lesbische liefde hors catégorie. Tekst en uitleg van de meester zelve, in een schriftelijk interview.

Een man die tot in de vleselijkste details de vrouwenliefde beschrijft: dat kan een provocatie lijken in tijden waarin stemmen opgaan dat schrijvers zich de ervaringen van mensen van een andere sekse of kleur niet mogen toe-eigenen. Zegt u daar met Stemvorken foert tegen?

“Als ik een verhaal over een groep Eskimo’s op een ijsschots laat spelen, dan heet het tegenwoordig algauw: ‘Foei! Culturele toe-eigening!’ Zo zal er straks ongetwijfeld een ambtenaar van de identiteitspolitie voor mijn deur staan met een exemplaar van ‘Stemvorken’ in de hand, roepend: ‘Foei! Geslachtelijke toe-eigening!’ Ik wil tegenover dat ‘foei’ graag het oer-Vlaamse woord ‘foert’ stellen. Rot op met je ongefundeerde fatsoensrakkerij! Als de literatuur het rijk van de vrijheid is, dan kan er met alle mogelijke materiaal aan voortgebouwd worden.”

Uitgerekend een schrijver moet in het hoofd durven te kruipen van om het even wie, zo probeerde de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver die discussie te beslechten: de schrijver is per definitie een voyeur, een kleptomaan, een aanmatigende mens. Daarmee is alles gezegd?

“De schrijver als voyeur en kleptomaan: ik ben het helemaal eens met Lionel Shriver, en ik zou haar graag bespieden om te controleren of ze zich aan haar uitgangspunt houdt. In ‘Stemvorken’ voer ik Albert Egberts op, veelzeggend genoeg, als iemand die zich in het sleutelgat van zijn eigen echtelijke slaapkamer genesteld heeft. Wij, schrijvers, zijn parasieten: we zuigen ons vol met het bloed van de personen die we voor ons werk uitverkoren hebben. Niet wij, maar onze modellen lopen de ziekte van Lyme op. Denk aan de uitspraak van Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz: ‘Als er in een familietje een schrijver opstaat, dan is het gedaan met dat familietje.’ Beschaamd erken ik zijn gelijk.”

Uw nieuwsgierigheid inzake de vrouwelijke seksualiteit komt niet uit de lucht vallen. Een kwarteeuw geleden al zei u in Humo: ‘Er zijn weinig dingen die ik zo interessant vind als het vrouwelijk orgasme – in al zijn verschijningsvormen.’

“Ik zou het nu iets anders willen formuleren: weinig dingen zijn zo interessant als het vrouwelijk orgasme in al zijn stadia van intensiteit.”

“Op televisie zag ik een fragment uit een Vlaamse aflevering van ‘De slimste mens’. De presentator vroeg aan een deelnemer, een cartoonist, geloof ik: ‘Stel, u mag voor één dag een vrouw zijn, wat zou u doen?’ Zonder blikken of blozen antwoordde de aangesprokene: ‘Masturberen.’ Daar gaat het om. Wij, mannen, kennen de lust en het genot van een vrouw niet. In ‘Stemvorken’ probeer ik, door de verbeeldingskracht in te schakelen, mijn onwetendheid zoveel mogelijk te overbruggen. Een verdienstelijke poging misschien, maar bij het onzegbare houd ik noodgedwongen halt. Onder mijn pen kan ik hooguit Zwanet en Corinne heel dicht bij elkaar brengen. Zij proberen elkaars orgasme te ervaren met een bijna onmenselijk inlevingsvermogen, maar ze stuiten toch op een grens: tot hier en niet verder.”

‘Mijn lichaam heeft me na de dood van Tonio schandelijk in de steek gelaten. Ik moest altijd al op mijn lijn letten, maar die klap heeft me wat die strijd betreft passief gemaakt.’ Beeld Alek/Lumen
‘Mijn lichaam heeft me na de dood van Tonio schandelijk in de steek gelaten. Ik moest altijd al op mijn lijn letten, maar die klap heeft me wat die strijd betreft passief gemaakt.’Beeld Alek/Lumen

In een vorig deel van de cyclus mocht Ernst Quispel beweren dat het vrouwelijk orgasme een fantoompijn zou kunnen zijn, zoals je nog een pijnscheut kunt voelen in een afgezet been. Quispel krijgt nu wel flink lik op stuk met een zo omvangrijke roman die een loflied op het vrouwelijk orgasme is?

“Ernst Quispel ken ik inmiddels een beetje, en ik denk dat hij doelt op de clitoris als een reststompje in vergelijking met de majestueuze fallus van de man, die op zijn beurt totaal overbodige tepels heeft. Vandaar de fantoompijn bij de vrouw. Een fraai staaltje minachting van die kwartaaldrinker. Maar ja, Quispel huldigt ook de theorie over Salome dat zij de Dans van de Zeven Sluiers uitvoerde, niet zozeer om het hoofd van Johannes de Doper op een zilveren schaal aangereikt te krijgen, maar vooral de tong in dat hoofd. Het is haar droom, volgens Quispel, om die afgehouwen kop onder haar jurk met zich mee te dragen. Voor haar eigen genot.”

“Ik kan niet garanderen dat ik Stemvorken uitsluitend heb geschreven om Ernst Quispel in het ongelijk te stellen, al is zoiets altijd mooi meegenomen.”

TWEE ZUIGNAPPEN

Als Zwanet het verhaal van haar liefde met Corinne wil vertellen, vindt ze geen voorbeelden in onze literatuur: nergens is de lesbische erotiek ‘echt tot in het hart van de zaak bezongen’.

“Als het gaat om erotiek in de Nederlandse literatuur, komt iedereen altijd met Wolkers en Cremer aanzetten. Ja, die zouden de preutse mufheid van de jaren 50 pas echt verjaagd hebben! Nou, dat vind ik helemaal niet. De mysterieuze ‘flipstand’ van de jonge Cremer: heel geestig, maar met erotiek heeft het niets vandoen. En hij zegt nog wel dat hij voor Nederland het neuken heeft uitgevonden. Nou, daar had hij dan wel een bijsluiter bij mogen leveren, want over onbekende genietingen lees ik niets.”

“Als ik aan Wolkers denk, zie ik een man met woeste krullen op het televisiescherm, die de indruk wekt ons eens goed de les te lezen. Waarom zou je je, zegt hij, bij geslachtsorganen van Latijnse termen bedienen, als er genoeg platte uitdrukkingen van de straat voor bestaan? Dat is zijn goed recht, maar waarom die zendelingenhouding van: ‘Ik zal Nederland weleens even uit de kluisters van een benepen seksuele moraal bevrijden!’ In zijn boek ‘Turks fruit’ worden schaamlippen vergeleken met de klapdeurtjes van een saloon, over erotische vervoering gesproken. ‘Met slijmdraden tussen pik en kut’ treden de geliefden aan het raam – ík word daar niet warm of koud van. Wat is erop tegen om de lezer tot in al zijn vezels te laten voelen wat daar plaatsgrijpt?”

“In 2019, toen Turks fruit vijftig jaar oud was, werden aan boek en film documentaires gewijd. Bijna een heiligverklaring. Matthijs van Nieuwkerk riep het in ‘De wereld draait door’ uit tot ‘één van de grote romans’ van de vorige eeuw. Met aangedane stem herinnerde hij zich hoe hij als puber ‘naar beneden sloop’ om in het exemplaar van zijn ouders naar de erotische passages te bladeren. Als dat boek ons erotiek moest bijbrengen, dan was het in Nederland inderdaad een muffe bedoening, niet zoveel verschillend van de jaren 50.”

“Zwanet bezingt in Stemvorken het vrouwenlichaam als een te ontdekken landschap. Het volstaat niet om het heuvelachtig te noemen, want dat is een aanduiding, geen beschrijving. Zoom eens in op de details, de nuances, de structuur, de flora, de valkuilen.”

Zwanet haalt de roman Twee vrouwen van Harry Mulisch aan. Die behandelt een lesbische liefde, maar dan zonder één enkele ‘in vrouwelijke sappen gedrenkte liefdesscène’. Een terecht verwijt aan het adres van de romancier?

“Ik beoordeel die korte roman niet zo streng als Zwanet kennelijk doet. Ik vind het een gave kleine tragedie. Zwanet is in de boeken die ze leest op zoek naar beelden en een taal waar ze iets van kan leren om haar liefde met Corinne in weer te geven. ‘Twee vrouwen’ stelt haar in dat opzicht teleur. De schrijver van het boek heeft zelf bij herhaling beweerd dat hij bijvoorbeeld Don Quichot leest om zichzelf in de dolende ridder te herkennen, zijn eigen gevecht tegen de windmolens.”

‘Het is te laat om mezelf een verkeerde keuze te verwijten. Er rest me op mijn 69ste niets anders dan door te gaan op de ingeslagen weg.’
 Beeld Alek/Lumen
‘Het is te laat om mezelf een verkeerde keuze te verwijten. Er rest me op mijn 69ste niets anders dan door te gaan op de ingeslagen weg.’Beeld Alek/Lumen

De titel van de roman verwijst naar de ‘stemvorkligging’, het favoriete standje van de twee geliefden, waarbij ze hun bekkens haaks in elkaar schroeven. Ze borduren daar verder op de fantasie van Hans Krop, de man van Corinne, die zich bij lesbische seks twee zuignappen voorstelt. Hebben we het hier over een originele bijdrage aan de lesbische Kamasutra?

“In mijn Nijmeegse studententijd, bijna een halve eeuw geleden, luisterde ik op een avond naar een gesprek tussen een medestudent en zijn nieuwe vriendinnetje. Bij de daad van twee mannen, zei hij, kon hij zich nog wel iets voorstellen, maar die tussen twee vrouwen... Nee, daar liep zijn fantasie op stuk. ‘Twee zuignappen die naar elkaar happen,’ grinnikte hij. ‘Meer zie ik niet voor me.’ Het meisje glimlachte opgelaten en hielp hem niet uit de droom. Ik heb haar daarna nooit meer in zijn gezelschap gezien. Wat bij mij van het gesprek bleef hangen, was dat laatdunkende ‘twee zuignappen die...’ Ik heb nooit nagevraagd of daar een bestaande liefdestechniek aan beantwoordde.”

“De term ‘stemvorkligging’ heb ik zelf bedacht. Het is de titel van een boekje dat net verschenen is ter aankondiging van de roman, en als reactie heeft een man mij geschreven dat hij inderdaad twee vrouwen weleens zo’n houding had zien aannemen in zijn aanwezigheid. Ik voel niet de behoefte er verder onderzoek naar te doen.”

GEZONDE MANNENHAAT

Zwanet en Corinne vieren de lesbische lusten op allerlei manieren. Leverde het u schrijfplezier op om elke kleine variatie toch weer op papier te krijgen?

“Schrijfplezier is niet het juiste woord, maar ik ervoer wel ongekende tintelingen als ik bij hun erotische samenkomsten mocht toekijken – net als Albert in het sleutelgat van hun kamer genesteld. Je wilt natuurlijk weten of ik mezelf naar een staat van lichamelijke opwinding toe schrijf.”

Niet echt, maar vertel maar.

“Zo werkt het in ieder geval niet. Ik noteer wat ik voor me zie, en keur dan of het geschrevene ook overtuigingskracht heeft. Ik werk niet vanuit wat ik weet, of denk te weten, over de vrouwenliefde, maar ik probeer die wereld al schrijvende te leren kennen.”

Een eerder deel van De tandeloze tijd ontlokte decennia geleden op tv al eens iemand het commentaar: ‘Welbespraakte smerigheid.’ Zou dat vandaag nog mogelijk zijn?

“Ik vermoed dat u met dat televisieprogramma een aflevering van Zeeman met boeken bedoelt, in het najaar van 1996. Die karakterisering kwam voor rekening van een weldenkende mevrouw, een hoogleraar Romaanse talen. Wie ben ik om zo iemand tegen te spreken? Ik hoorde later van een panellid dat Michaël Zeeman, die mij ten val wilde brengen, de deelnemers terdege had geïnstrueerd om ‘De tandeloze tijd 3’ af te kammen. Als hij zich niet zo had laten vergiftigen door zijn eigen jaloezie, had hij mogelijk nog geleefd.”

“En wat Stemvorken betreft... Ik heb naar hartenlust poëzie proberen te maken van het wonderschone landschap dat een vrouwenlichaam is. Daar hoort ook het aarzelende biggelen van een dauwdrop uit de vulva bij. Wie daar nog van ‘welbespraakte smerigheid’ zou durven te spreken, heeft zelf een verdorven brein, het kan niet anders.”

Ik zat te denken dat de lesbische liefde nog niet door iedereen aanvaard is, en een beschrijving daarom nog aanstootgevend zou kunnen zijn.

“Als dat zo is, dan hebben we het waarschijnlijk over mannen à la de seksist Hans Krop, die zich vernederd voelen door vrouwen die elkaar beminnen. Maar pas op, van die afkeer zijn we nog niet af. Ik weet ook niet of Stemvorken een bijdrage ten goede of ten kwade zou kunnen leveren.”

Hoe voelde het om haast negenhonderd pagina’s lang een vrouw als verteller een stem te geven?

“De cyclus De tandeloze tijd was van meet af aan bedoeld als een meerstemmige romanreeks, waarin verschillende karakters elkaar zouden afwisselen. Het eerste deel dat ik aanpakte, in 1977, was het latere deel drie, en het verscheen pas in 1996, nadat ik eerst de personages Albert Egberts en Ernst Quispel had uitgediept. ‘De tandeloze tijd 3’ is bij uitstek een polyfone roman, waarin ook al de nog jonge Zwanet als zelfstandig karakter voorkomt. Het heeft nog een kwarteeuw geduurd eer ik haar de vertelstem van een omvangrijke roman durfde toe te vertrouwen. Dat werd dus ‘Stemvorken’. En ja, toen stond ik haar toe om, samen met Corinne, alle registers open te trekken, ook die van hun gezonde mannenhaat. Het gaf mij als schrijver de gelegenheid om verbale oorvijgen van vrouwen te incasseren. Het houdt een manspersoon bij de les.”

Corinne Suwijn is een ex-model. Uw jeugdjaren blijven een onuitputtelijke bron van inspiratie: was Apollonia van Ravenstein, net als u afkomstig uit Geldrop, een model voor dat personage? In de jaren 70 vergaarde ze even wereldroem als model en actrice: een interview door Warhol, een cover van Playboy, onenightstands met beroemde pikken… Allicht hebt u in uw jonge jaren die schoonheid in de gaten gekregen?

“In Geldrop is men het erover eens dat de reputatie van het dorp buiten de bebouwde kom gebaseerd is op vier beroemdheden: voormalig premier Dries van Agt, ex-model Apollonia van Ravenstein, zwemkampioen Pieter van den Hoogenband en schrijver A.F.Th. van der Heijden. Dat zijn de vier pijlers die de negorij tegen de vergetelheid stutten, en meer is ook niet nodig. Welzeker heb ik de schoonheid Apollonia gekend, zij het op afstand. Ik heb haar begin jaren 60 als fee of sprookjesprinses in een toneelstuk mogen aanschouwen: het oogverblindende De gouden grens‚ opgevoerd in de Geldropse zaal Adelaars. Ook heb ik haar weleens gadegeslagen in de schoenwinkel van haar vader, wanneer ze haar internationale carrière onderbrak om de klanten nieuwe schoenen aan te meten.”

“Maar ik moet u teleurstellen: voor Corinne Suwijn stond een schoonheid uit het Noord-Brabantse Son en Breugel model, die ik in 1969 leerde kennen: ze was mooi genoeg voor een modellencarrière, maar die is in haar geval nooit van de grond gekomen.”

‘Wij, schrijvers, zijn parasieten: we zuigen ons vol met het bloed van de personen die we voor ons werk uitverkoren hebben.’ Beeld CREDIT LINE MUST READ 'KOEN BROO
‘Wij, schrijvers, zijn parasieten: we zuigen ons vol met het bloed van de personen die we voor ons werk uitverkoren hebben.’Beeld CREDIT LINE MUST READ 'KOEN BROO

PLEERAT

Enkele personages uit Homo duplex, die andere grote cyclus waar u aan bouwt, maken in Stemvorken de oversteek naar De tandeloze tijd, onder wie Tibbolt Satink. Was die kruising vooraf beraamd?

“Dat de beide cycli elkaar vonden, was een volstrekt organisch proces, waar ik nauwelijks grip op had. Toen ik dat onder mijn pen zag gebeuren, raakte ik bijna in paniek. Ik probeerde die onvoorziene en aanvankelijk ongewenste ontwikkeling nog uit alle macht tegen te houden, maar mijn pogingen waren als wrijven in een inktvlek. Ik gaf me gewonnen.”

Wat hier gebeurt met de kruising van twee cycli, lijkt op de droom die Zwanet haar man Albert toeschrijft: hij zou zo graag simultaan schaken met al zijn manuscripten in aanbouw.

“Ja, dat is zo’n passage waarin Zwanet zich nogal meesmuilend uitlaat over haar echtgenoot. Hij is niet alleen een ‘pleerat’, dus een playwright, hij schrijft ook proza. Hij wil volgens haar de wereld tonen wat hij waard is, hoe veelzijdig hij is. Ik proef uit uw vraag dat u weleens wilt weten hoe dat bij mij zit. Mirjam (Rotenstreich, zijn echtgenote, red.) liet zich een poos geleden zoiets ontvallen als: ‘Nu het toch te laat is om met een karig, klein maar fijn oeuvre te komen, kun je misschien maar beter laten zien wat je nog meer op de plank hebt. Ik reken op zes romans per jaar, net als Simenon.’ Ik ben het ontwend geraakt om mijn vrouw tegen te spreken.”

In een tekst in de krant in het covidjaar 2020 had u het over ‘dat vermaledijde cyclusverband’. Drukt het weleens op het gemoed dat uw projecten altijd weer dreigen uit te deinen? U hebt het wel vaker over een zelfdestructieve trek van uzelf gehad.

“Wie zelfstandige romans of novellen van een gewone omvang publiceert, heeft meer kans dat er een klassieker tussen zit – met natuurlijk het gevaar dat men voortleeft als de schrijver van dat ene boek. Wat ík maak, zoekt vaak een groter geheel, een breder raam. De roman als sequel of prequel. Het is in mijn geval vaak eerder de auteur dan de hoofdpersoon die aan het slot voor cliffhanger speelt – overigens altijd nog een ultieme manier om de zelfdestructie het hoofd te bieden.”

“Er zijn schrijvers die al vanaf hun debuut weten dat ze min of meer hetzelfde boek zullen schrijven, tot in lengte van dagen. Om zich daartegen te verzetten zullen ze proberen hun achtereenvolgende werken zo divers mogelijk te maken. Aan het slot van hun leven ontdekken ze dat het allemaal bouwstenen waren van dat ene boek: hun oeuvre. Weer andere schrijvers, waartoe ik mezelf reken, voorzien al in de jeugd dat hun geschriften uiteindelijk één geheel zullen vormen. Dus streven ze van meet af aan naar die eenheid. Bij mij is dat de cyclusvorm. We hebben zelfs geconcludeerd dat de twee cycli die ik mezelf jaren geleden toestond, elkaar zoeken als gescheiden tweelingbroeders en zich opmaken voor hun hereniging.”

De tandeloze tijd moet inmiddels zo’n zesduizend pagina’s bestrijken.

“Ik heb het niet nagezocht, maar de cyclus van Marcel Proust, A la recherche du temps perdu, schijnt in het Guinness Book of Records voor te komen als omvangrijkste roman aller tijden. Om Proust te verslaan zou ik De tandeloze tijd naar voren moeten schuiven als één grote roman, bestaande uit een aantal deeltitels. Ja, dan komen we wel aan zesduizend pagina’s: bijna het dubbele van Proust. Sorry, Marcel, aardig geprobeerd, jongen.”

Behoudt u zelf makkelijk het overzicht over de plotlijnen en personages van de cyclus? Of is het wel makkelijk eens te spieken in het boekje Groepsportret. Wie is wie in De tandeloze tijd, dat in 2016 is samengesteld?

“Het is míjn trots om het overzicht te behouden over alle karakters en plotlijnen. Zonder het soort geheugen waar ik mee gezegend ben, zou ik me dergelijke wijdvertakte romancycli niet kunnen permitteren. Ik beschouw dat werkgeheugen als een noodzakelijk stuk gereedschap, naast pen, papier en typemachine. Nee, ik heb nog nooit Groepsportret hoeven te raadplegen, dat is er ten gerieve van de lezer. Dat betekent niet dat ik nooit een vergissing bega. Mijn redacteur Rop Zweedijk wijst me geregeld op continuïteitsfouten en andere tegenstrijdigheden. Het zijn de spaanders.”

In het geval van Stemvorken blijft veel nog in raadsels gehuld als men het boek dichtslaat: een vervolg wordt aangekondigd. Dan vertrouwt u wel op het voortbestaan van lezers met een lange adem. Precies een kwarteeuw geleden interviewde ik u voor het eerst en zei u me al: ‘Er hoeft maar één generatie te komen die niet meer leest, en het is gedaan met de literatuur. Je weet nooit of je niet een verkeerde keuze maakt door zoveel energie en tijd in je geschriften te stoppen.’

“Het zou mooi zijn als de cyclusschrijver zo verrot goed is dat hij die lezers met een lange adem aan zich kan binden – desnoods via een ongeneeslijke leesverslaving. Maar zo draait de aardkloot meestal niet. Sinds u mij in 1996 interviewde, heeft de ‘ontlezing’ (sorry voor het spuuglelijke woord) alleen maar doorgezet – al worden tijdens de pandemie weer meer mensen met een boek gezien, schijnt het. Daarnaast wordt de spoeling van het aanbod ook wel erg dun. Iedereen schrijft een boek... Of liever, iedereen wil een boek geschreven hébben. Het staat zo goed op de cv’s van Bekende Nederlanders: ‘Acteur, televisiepersoonlijkheid en schrijver.’ Je hoeft er geen brevet of diploma voor te hebben, en elke computer heeft tegenwoordig een spellingcorrector.”

“Het is te laat om mezelf een verkeerde keuze te verwijten. Er rest me op mijn 69ste niets anders dan door te gaan op de ingeslagen weg, en te proberen mijn werk zo goed mogelijk af te maken. Er ligt nog heel veel wat een laatste hand behoeft. Misschien kan ik een persklaar voorraadje nalaten, waaruit mijn toekomstige weduwe dan maar een greep hoeft te doen om mijn oeuvre levend te houden. Of er aan dat laatste behoefte zal zijn, zelfs daaraan twijfel ik weleens.”

KROM ZWAARD

Een tweede belangrijke verhaallijn van Stemvorken heeft te maken met Pijkel Niggebrugge, die lijdt aan zoantropie, de waan dat men in een dier verandert. Pijkel, ex-dompteur in een circus, gedraagt zich als een tijger. In juli 2020 stond in de krant dat onderzoekers van de Leuvense universiteit een vrouw behandelden die dacht dat ze een kip was. Mag ik het me zo voorstellen dat op basis van dat bericht de zoantropie, toch een zeer zeldzame psychische aandoening, in uw plot belandde?

“Toch niet. Ik vind het nogal een neerbuigende visie als u denkt dat ik maar wat zit te googelen om aan stof voor mijn romans te komen. Tot lering en vermaak zal ik hier uit de doeken doen hoe ik aan de tijgerplot ben gekomen. Ik weet de datum nog: op 25 november 1975 leerde ik op een studentenfeest in Utrecht een jonge vrouw kennen die herstellende was van een ernstig auto-ongeluk in Spanje. Chirurgen hadden haar via een eindeloze reeks operaties letterlijk opgelapt. Hoe ze er werkelijk aan toe was, ontdekte ik pas toen ik met haar na afloop van het feest de nacht doorbracht in een rommelkamer van het studentenhuis die net zo was ingericht als de Verscheurde Kamer in de roman. Het ontwrichte meubilair vormde een navrant beeld van hoe kapot de vrouw was. Die ene nacht kreeg nooit een vervolg, maar de ontmoeting is decennialang door mijn hoofd blijven spoken.”

“Toen ik in 2002 De Movo Tapes schreef, waarin de moeder van Tibbolt Satink een ernstig verkeersongeluk krijgt, drong de verscheurde Utrechtse vrouw zich weer op. In dezelfde tijd las ik over een dompteuse die in een Italiaans circus bijna door haar tijgers was verscheurd. De Utrechtse vrouw werd een dompteuse. In Homo duplex kreeg zij, als ‘lappenvrouw’, de rol toebedeeld om Tibbolt van de obsessie voor zijn ‘lappenmoeder’ te genezen. Haar verhaal heeft De Movo Tapes niet gehaald, maar wél Stemvorken, compleet met Verscheurde Kamer.”

De man van Corinne Suwijn, Hans Krop, alweer een jeugdvriend van Albert, lijdt aan de ziekte van Peyronie, waarbij het mannelijk zwaard zo krom trekt dat seks onmogelijk wordt: één op de duizend mannen overkomt het. U bent toch geen hypochonder geworden die vreselijke zeldzame ziektes zit te googelen?

“Nu wekt u de indruk dat u degene bent die aan het googelen is geslagen. Ik werk niet met een computer, en de enige zoekmachine die ik hanteer, is mijn geheugen. Hans Krop is een seksistische womanizer, die door zijn bewonderaarsters in zijn jeugd ‘Zijne Grootgeschapenheid’ werd genoemd. Ik vind het niet meer dan een daad van cynische rechtvaardigheid dat Zwanet hem als lijder aan fallische scheefgroei identificeert.”

“Dat u daaruit concludeert dat de schrijver zelf misschien wel een hypochonder is die ‘vreselijke zeldzame ziektes’ googelt, bevreemdt mij. Alsof u met een rondje surfen op het internet wilt laten zien: kijk maar, hier staat het allemaal, zo’n roman stelt niks voor. Trouwens, onderschat de hypochonder niet, hij krijgt op het einde altijd gelijk.”

In het al geciteerde krantenstuk uit 2020 schreef u ook: ‘Ik heb nooit de illusie gekoesterd dat literatuur de wereld kan veranderen, maar de wereld verandert wel de literatuur.’ Het ging er dan over dat het coronavirus ook in romans kan kruipen. Is dat in Stemvorken enigszins het geval geweest?

“Tijdens de pandemie een roman als Stemvorken schrijven was mijn meest vervreemdende ervaring tot nog toe. Van alle literaire genres is de roman bij uitstek het voertuig van de intimiteit tussen personages. Ik heb het dan niet alleen over liefde en seks, maar ook over moord en doodslag. Ook om iemand een mes tussen de schouderbladen te steken is nabijheid nodig, om maar iets te noemen.”

“Ik raakte met Stemvorken op stoom tijdens het hoogtepunt, of dieptepunt, van de eerste lockdown. Mensen bewaarden angstvallig anderhalve meter afstand tot elkaar, ze werkten thuis, kinderen konden niet naar school – en het was nog maar de vraag of die collectieve quarantaine ooit kon worden opgeheven. Onder zulke omstandigheden moest ik twee vrouwen op de intiemst denkbare manier in liefde samenbrengen. Was ik een historische roman aan het schrijven over een tijdvak dat niet meer bestond, of juist een utopische toestand van herwonnen intimiteit die zich hopelijk ooit zou aandienen? Wat ik niet beschreef, was de situatie van het moment.”

“In die zin, door met een virus het schrijfproces binnen te dringen, bleek de wereld zeer wel in staat om de literatuur te veranderen. En misschien wel te vernietigen, voeg ik er malicieus aan toe, want wat is de literatuur, met name de romankunst, zonder de mogelijkheid dat karakters zich verstrengelen? ‘Stemvorken’ is misschien wel de vrucht van mijn geestelijke verzet tegen de pandemie.”

Zwanet vertelt het verhaal van haar liefde met Corinne twee decennia later, in 2019: ze gaat inmiddels naar de 70 toe. Het ‘drama van de veroudering’ moet ook wel even ter sprake komen. Beleeft u zelf de ouderdom als een drama?

“Het drama van het ouder worden is voor de twee vrouwen van midden 40 een ander dan voor Albert Egberts. Zwanet en Corinne zijn nog net vruchtbaar, maar de menopauze nadert met rasse schreden. Uit het vervolgdeel Venus van Mierlo zal blijken dat ze nog een laatste wanhopige poging doen om een nieuw gezin te stichten, voordat de onvruchtbaarheid toeslaat.”

“Albert heeft als eindveertiger zijn fysieke ongemakken, maar verkeert creatief in blakende gezondheid. We maken hem ook nog mee als eindzestiger, in 2019, wanneer hij met zijn oude vriendin Corinne inscheept voor een cruise naar de Noordkaap. Ik hoef me niet te forceren om hem daar met mijn eigen kwalen van 69-jarige op te zadelen. Ik klaag niet, want nog steeds staan al mijn geestelijke faciliteiten op scherp: mijn geheugen, mijn taaleigen, mijn verbeeldingskracht, mijn inlevingsvermogen. Mijn werkkracht verzandt wat eerder dan vroeger in een milde vermoeidheid, maar dat schaadt de productie vooralsnog niet.”

“Wel moet ik concluderen dat mijn lichaam me na de dood van Tonio (zijn in 2010 verongelukte zoon, red.) schandelijk in de steek heeft gelaten. Ik moest altijd al op mijn lijn letten, en ik bestreed het overgewicht met wisselend succes. De klap van Tonio’s dood heeft me wat die strijd betreft passief gemaakt. Door een gedegenereerde ruggenwervel lijd ik aan ischias, waardoor ik geen vijftig meter over straat kan zonder mijn toevlucht te nemen tot de stoep in een portiek. Ik krijg dus weinig beweging, en dat is er met mijn vrijwillige quarantaine tijdens de pandemie niet beter op geworden. Maar nogmaals, ik klaag niet: mijn kwalen belemmeren me voorlopig niet in de uitoefening van mijn ambacht, dat mijn grote hartstocht is.”

De recente Philip Roth-biografie herinnert er nog eens aan dat Roth, toen hij een eindje in de 70 was, de ingewikkelde draden van een roman niet meer kon samenhouden en alleen nog novelles aankon. Schrikt die mogelijkheid u af?

“Ik heb nog zeker vijf vervolgdelen voor De tandeloze tijd liggen, allemaal voor gemiddeld driekwart voltooid. Dat laatste geldt ook voor het grote kerndeel van Homo duplex en de MH17-roman met als werktitel MX17. Het betekent dat de ‘ingewikkelde draden’ die Roth ‘niet meer kon samenhouden’ in bedoelde romans al veilig hun verknooptheid hebben gekregen. Een onbewuste voorzorgsmaatregel met het oog op de ouderdom? Zou kunnen, ik heb daar nooit zo over nagedacht. Er wordt veel te makkelijk van uitgegaan dat schrijvers boven een bepaalde leeftijd hun creatieve vermogens zien inzakken. Proefondervindelijk lezen wijst nogal eens in die richting, maar is er ook hard bewijs voor?”

Als late zeventiger hield Roth helemaal op met schrijven. Zijn biograaf citeert een brief waarin hij het heeft over ‘de tirannie van schrijven en de tirannie van seks die overwonnen zijn’: ‘Het leven is weer zoals toen ik 10 was!’ Back to Geldrop 1961! Iets om naar uit te kijken?

“Niet helemaal kennelijk, anders was die fraaie brief over de overwonnen tirannie van schrijven en seks er niet geweest. Bescheidenheid verbiedt me om mezelf al te nadrukkelijk met de grote Roth te vergelijken, maar ik heb het schrijven nooit als tiranniek ervaren, evenmin als seks. Terug naar het Geldrop van 1961 verlang ik al helemaal niet. Dan zou ik als oudste van het gezin weer de weekendterreur van mijn vader moeten bestrijden, die met drank zijn in Nederlands-Indië opgelopen trauma probeerde te cureren. Nee, laat mij maar doorgaan tot de pen mijn hand ontvalt, inkt lekkend op de beddensprei die vanaf dat moment mijn lijkwade vormt.”

Mag ik u ten slotte nu al een gelukkige 70ste verjaardag wensen? Viert u hem op 15 oktober het liefst onder een groot aantal gevaccineerde genodigden, of toch maar gewoon thuis?

“Ik vier het kroonjaar met een ruime selectie uit mijn narrigste brieven en met de verschijning van mijn bibliografie, die ook een soort biografie is, maar dan van mijn oeuvre. Jan Brands, de samensteller van Groepsportret, tekent ervoor. Ik vier mijn verjaardag het liefst met alleen Mirjam op onze doorgezakte huiskamerbank, zoals we dat al elf jaar gewend zijn, sinds Tonio ons is ontvallen. Zij heeft de neiging om af en toe een slok ijskoude wodka met haar lippen in mijn mond te sprietsen – een volstrekt legitieme manier van kussen.”

A.F.Th. van der Heijden, ‘Stemvorken’, Querido Beeld RV
A.F.Th. van der Heijden, ‘Stemvorken’, QueridoBeeld RV

© HUMO

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234