Vrijdag 18/10/2019

Weg van Penny Lane, op naar Strawberry Field

Omdat zijn vader het geluk liever op zee zocht dan thuis en zijn moeder het flirten te weinig kon laten, werd de kleine John Lennon door zijn kleinburgerlijke tante Mimi opgevoed. Hoezeer deze ook haar best deed om van hem een saaie jongeman te maken, toch ging Lennon zijn eigen weg. Hij richtte de skiffleband The Quarrymen op en vond in een snotter van vijftien die naar de naam Paul McCartney luisterde zijn ultieme zangmaatje.Het beste wat ze ooit hadden gezien, schreef de Dublin Times, en de Limerick Chronicle noemde hen wereldberoemde meesters. Toen John Lennon niet veel later in Amerika was en er zijn streepjesbroek en buitensporig grote kraag aantrok, speelde een glimlach om zijn mond. Hij keek naar zijn met een verbrande kurk zwart gemaakte gezicht en zijn flink wit aangezette lippen en bereidde zich voor op het optreden, waarbij hij sentimentele liedjes zou zingen over de Swanee River, en over darkies en coons, wat we met enig mededogen zouden kunnen vertalen als zwartjes en roetmoppen. Nee, we hebben het hier niet over de John Lennon die ‘Woman is The Nigger of The World’ zou zingen en daarmee nog maar eens zou bewijzen het geweten van de rock te zijn, maar wel over diens grootvader, de in 1855 geboren en van Ierland naar Liverpool geëmigreerde John O’Leannain of O’Lonain. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw ging hij zijn geluk zoeken in de nieuwe wereld, belandde in New York en in plaats van arbeider of politieagent te worden zoals zo veel van zijn lotgenoten, sloot hij zich aan bij de Andrew Roberton’s Coloured Operatic Kentucky Minstrels. In tegenstelling tot zijn kleinzoon beschouwde de oude John muziek meer als een hobby dan als een beroep en toen de eeuw ten einde liep, gaf hij het zingen op om terug te keren naar Liverpool, zijn job als klerk bij een scheepvaartmaatschappij weer op te nemen en een gezin te stichten. Hij trouwde met zijn twintig jaar jongere huishoudster Mary Maguire en samen kregen zij acht kinderen. Het loon van John was echter niet groot genoeg om het gezin te voeden. Veel meer dan brood, margarine, sterke thee en een stoofpot van wat karig vlees en vooral veel biscuit kwam er niet op tafel, een maaltje met een groot gebrek aan bepaalde voedingsstoffen. Alfred, de vierde zoon van John en Mary, werd daardoor als peuter getroffen door het toen vaak voorkomende rachitis, waardoor de groei van zijn benen achterbleef, hij met ijzeren beugels moest lopen en niet groter werd dan een meter zestig. Alfred compenseerde die kleine handicap echter met een knap gezicht, een flinke bos haar en een muzikaal gevoel dat dit van zijn vader nog overtrof. Hij kon alle variété- en operettenummers zingen die tijdens de Eerste Wereldoorlog populair waren en liep ooit van school weg om zich aan te sluiten bij de Will Murray’s Gang, een groep zingende en dansende jongelui die hij in het Lime Theatre had zien optreden. Maar uiteindelijk riep, zoals voor zoveel jonge Liverpudlians, de zee harder dan het theater. Hij begon als piccolo op een passagiersschip, klom al gauw op tot restaurantkelner en zou de rest van zijn leven als een jojo op en neer gaan in de maritieme hiërarchie, tot hij een paar decennia later volstrekt berooid weer aanspoelde in Liverpool om daar te eindigen als “gentleman of the road”, zoals hij zijn landlopersleven noemde.

Zeeman-dandy-vader

Maar dat betekent niet dat Alf altijd op zee was. Af en toe kwam hij terug naar zijn geboortestad om er even te pauzeren en het was tijdens zo’n pauze dat hij de liefde van zijn leven ontmoette. Terwijl hij door Sefton Park struinde, met zijn nieuwe pak aan, een overmaatse bolhoed op het hoofd en een goedkope sigaret als een echte dandy in een pijpje tussen de vingers, merkte hij een meisje op dat als een jonge Marlène Dietrich mooi zat te wezen op een bankje aan een toverachtige vijver. Een zeeman zal altijd een zeeman zijn, en Alf begon onmiddellijk met haar te flirten, wat hem op heel wat gegiechel kwam te staan. Die reusachtige bolhoed was de oorzaak van haar spot, zo merkte hij, en met een zwaai nam hij het ding af en gooide het vervolgens de vijver in. Het was het begin van een lange en moeizame relatie met Julia Stanley.Het koppel bleek een gemeenschappelijke liefde voor de muziek te delen. Julia kon immers niet alleen goed zingen, zij speelde ook banjo, ukelele en accordeon. Wanneer ze gingen dansen leken ze Fred Astaire en Ginger Rogers wel, zo goed pasten ze bij elkaar, al dacht vader Stanley daar helemaal anders over. Hij had voor zijn dochter wel een betere partij op het oog dan die klaploper van een Alf, zo kreeg Julia te horen en van een huwelijk kon dan ook geen sprake zijn. De jongelui waren het daar echter niet mee eens en dachten dat ze ‘Pop’, zoals vader George door zijn naasten werd genoemd, dus maar beter voor een voldongen feit konden stellen. Op 3 december 1938 verliet Julia ’s ochtends het ouderlijke huis en voegde zich bij Alf die op haar wachtte bij de burgerlijke stand. Ze trouwden in het geniep, maakten er een leuk dagje van en toen Julia die avond naar huis ging, smeet ze de huwelijksakte op tafel en zei uitdagend: “Zo, ik heb het gedaan. Ik ben met hem getrouwd.” Nadat Pop als een vulkaan uit het dak was gegaan, kalmeerde zijn vrouw Annie hem en uiteindelijk kreeg deze hem zelfs zo ver dat het pas getrouwde koppel bij hen mocht intrekken. “Negentig procent van alle mensen van mijn generatie is verwekt na een fles whisky op een zaterdagavond”, zei John Lennon ooit. “Ze wilden helemaal geen kinderen. Ik was niet echt gewenst.” En misschien was daar wel iets van aan ook, want John werd verwekt een maand na het huwelijk van zijn ouders, terwijl het heel goed denkbaar is dat ze eerst nog wel wat van elkaar hadden willen genieten alvorens over te gaan tot het maken van een kroost. John werd geboren op 9 oktober 1940, tussen twee luchtbombardementen in. Hij woog 3400 gram en over zijn naam werd nooit getwijfeld. Julia stelde die voor, Alf zag er een eerbetoon aan zijn grootvader in en Pop vond het een traditionele Britse middenklassenaam die de eigenschappen uitstraalde waar de Stanleys voor stonden: oprechtheid, stabiliteit en doorzichtigheid. Dat Julia het uk als tweede naam Winston meegaf, naar de man die het op dat moment opnam tegen de Duitsers, was natuurlijk helemaal meegenomen.En opnieuw riep de zee. Alf kon zijn korte zeebeentjes niet in bedwang houden en hij werd saloon steward op een Amerikavaarder en tijdens zijn vrije uren entertainde hij het publiek met zijn imitaties van Al Jolston en Adolf Hitler. Julia bleef achter in Liverpool, weidde zich de eerste maanden plichtsgetrouw aan het verzorgen van de baby, maar parkeerde die daarna al gauw bij een van haar zussen om op de lappen te gaan. Ze flirtte er wat op los, had hier en daar een scharrel en diende Alf tijdens een van zijn schaarse momenten thuis op te biechten dat ze zwanger was van een of andere militair die ze nooit meer wou zien. Er werd geslagen en gestompt, er volgden bloedneuzen en huilbuien en de Stanleys waren het er familiaal over eens dat dit geen omgeving was om een peuter in groot te brengen. De kleine John werd opgehaald door tante Mimi en zou bij haar blijven wonen tot hij volwassen was, in een mooi burgerhuis in de buitenwijk Woolton, met belletjes in de keuken die de meid verklapten waar ze gewenst was. Mimi was immers met ene George getrouwd, een goed boerende melkveehouder die haar bezorgde bekrompenheid om het lot van de kleine John compenseerde met een flinke dosis relativeringsvermogen, en kilo’s snoep en stapels bioscooptickets natuurlijk.

Weg van Penny Lane

John trok dus weg van Penny Lane, waar Julia vlakbij woonde en werd een kleine buurjongen van Strawberry Field, het grote onheilspellende landhuis dat niet ver van Mimi’s woonst lag en door het Leger des Heils werd gebruikt als opvangtehuis voor weesmeisjes. Iedere zomer werd er een feest gehouden, en dan viel het John op hoe het huis, met de tonen van het muziekkorps van het Leger des Heils op de achtergrond, op een sprookjespaleis leek. Dit muziekkorps vormde trouwens niet de enige bron van muziek in zijn jonge leven. Op zijn zevende ontdekte hij de mondharmonica. Wanneer hij van Liverpool met de bus naar zijn tante in Edinburgh reisde, zat hij de zes uur die de rit duurde onophoudelijk te spelen. Hij werd zelfs zo bekend bij de busmaatschappij dat hij op een dag van een van de chauffeurs een chromatische Hohner kreeg die iemand op de bus had achtergelaten, een prachtinstrument dat hem zijn hele verdere leven vergezelde en dat hij gebruikte bij de opnames van zijn latere platen. En ook de zondagschool die hij volgde leverde heel wat muzikale mogelijkheden op. Zo trad hij toe tot het lokale kerkkoor, wat per eredienst een halve crown opleverde, en hem de mogelijkheid bood om nadien over het kerkhof te zwerven, waar hij keer op keer bleef steken bij de grafsteen van Eleanor Rigby.Op school was zijn grote liefde de literatuur. Op zijn zevende schreef en tekende hij een heel tijdschrift bij elkaar, de Speed and Sport Illustrated, dat bestond uit portretten van voetballers in actie, stripverhalen en het begin van een avonturenverhaal. Creatief was John dus zeker en dat uitte zich op meer dan een vlak. Zo was hij uiterst behendig in winkeldiefstallen van snoep en speelgoed en maakte hij er een gewoonte van om de portemonnee van Mimi regelmatig een klein beetje lichter te maken. Later, op Quarry Bank High School, waar hij met zijn makker Pete Shotton het vervaarlijke duo Shennon and Lotton vormde, gingen deze streken van kwaad tot erger en hij kreeg dan ook meermaals lijfstraffen opgelegd. Regelmatig moesten de twee jongens nablijven om strafregels te schrijven of kleine werkjes uit te voeren. Zo gebeurde het dat ze op een dag bij het vegen van de speelplaats in de vuilnisbak drie enveloppen met gebruikte etensbonnetjes vonden. Alleen was het er niet aan te zien dat ze al gebruikt waren en konden ze best nog een keertje ingediend worden. Zo’n bonnetje kostte een shilling per stuk. Shennon en Lotton verkochten ze voor de helft van de prijs en hun totale winst bedroeg 75 pond, wat vandaag ongeveer 1.000 pond zou zijn.

Verwoed rukkersduo

De jaren vijftig staan bekend om de bevrijding die ze brachten, en ook John, inmiddels een tiener, ervoer die aan den lijve, zowel lichamelijk als geestelijk. Pete en John geloofden bijvoorbeeld niet dat je van masturbatie gek werd of haar op je handpalmen kreeg. Integendeel, ze vormden een verwoed rukkersduo en hielden soms wedstrijden waarbij ze probeerden om het tien keer per dag te doen - wat John trouwens nooit lukte, hij bleef steken bij negen. Een grote stimulans daarbij was natuurlijk de film, waarin opeens veel meer kon, en dan vooral Doctor at Sea, waarin Brigitte Bardot in 1955 een uitstapje over het Kanaal maakte en daarbij een heuse seksuele revolutie ontketende in de Britse cinema. Het is ook rond die tijd dat John bij zijn moeder op bezoek ging en haar slapend aantrof op bed. Lang nadien wist hij nog wat ze toen droeg: “Een zwart angora truitje met korte mouwen, niet heel pluizig; misschien was het wel dat andere spul, kasjmier, zachte wol in elk geval. En volgens mij die strakke, groen met geel gespikkelde rok.” Hij ging naast haar liggen, raakte per ongeluk haar borst aan. “Ik vroeg me af of ik nog iets anders moest doen. Het was een vreemd moment, omdat ik helemaal weg was van een meisje uit de lagere klassen dat aan de overkant woonde. Ik denk nog steeds dat ik iets had moeten doen. Misschien had ze het wel goed gevonden.”Ook de geestelijke bevrijding kwam deels via de film. In The Wild One, over een klein stadje dat geterroriseerd wordt door een motorbende, vraagt een vrouw aan de jonge Marlon Brando, de leider van de bende: “What are you rebelling against?” “Whaddaya got?” is zijn antwoord. Wat ons natuurlijk bij James Dean brengt, de Rebel Without a Cause, immer gekleed in zijn loop-naar-de-maan-uniform bestaande uit een T-shirt en een slordige spijkerbroek. Hij werd gekweld door dezelfde onzekerheid en overgevoeligheid waar alle tieners toen last van hadden, en hij praatte op de korzelige of gereserveerde manier die iedereen zich eigen wou maken. En dan waren er natuurlijk de muzikale goden, zoals Elvis Presley, Bill Haley, Chuck Berry en Little Richard, waar John ’s avonds onder de lakens stiekem naar luisterde, zijn draagbare radio afgestemd op Radio Luxembourg. Vanaf toen speelde er nog maar een ding door zijn hoofd: hij wou een gitaar, en omdat Julia alles deed om haar zoon gelukkig te maken kreeg hij er eentje van haar, een spotgoedkoop in Zuid-Afrika gemaakt exemplaar met stalen snaren. En omdat hij geen notenleer wilde leren, stemde ze het instrument voor hem zoals een banjo, waarbij de twee bassnaren buiten gebruik werden gesteld. In Groot-Brittannië werd rock-‘n’-roll al te veel met Amerika geassocieerd en daarom bedachten John en zijn tijdgenoten er een eigen versie van, de skiffle, die vooral dreef op gitaren, een wasbord en een eensnarige bas gemaakt van een oude theekist. De bandjes schoten als paddestoelen uit de grond. De Nomads, de Ramblers en de Hoboes zagen toen het daglicht, en ook Shennon and Lotton vonden dat het tijd werd om hun stempel op de geschiedenis te drukken. Samen met een paar andere jongens van school richtten ze de Blackjacks op, een naam die een week later veranderd werd in The Quarrymen, daarbij handig verwijzend naar de school die hen verbond.

Jonge snotter Paul

The Quarrymen speelden songs van Lonnie Donegan, het bluesoeuvre van Huddie Ledbetter en af en toe ook een countrynummer van Hank Williams. Slechts een ding ontbrak, zo vond John na een tijdje, en dat was een zangmaatje. Hij bewonderde de samenzang van The Everly Brothers zoals hij die bijvoorbeeld uit Bye Bye Love kende, maar The Quarrymen hadden niemand die naast hem kon staan vooraan op het podium. Daar stond hij altijd alleen, iets gebogen en met de benen enigszins uit elkaar, het hoofd naar voren en zijn ogen half dichtgeknepen, wat door veel mensen als een uitdagende en agressieve pose werd ervaren, maar die veroorzaakt werd door de extreme bijziendheid waar John al sinds zijn kindertijd aan leed. Zijn ziekenfondsbrilletje wou hij absoluut niet dragen op het podium, Zijn ‘pose’ was niet meer dan zijn poging om toch nog iets te zien. Op een avond werd hij na een optreden voorgesteld aan ene Paul McCartney, volgens een gemeenschappelijke vriend een kei van een zanger en gitarist. John stond aanvankelijk nogal weigerachtig tegenover de jongen, maar nadat hij een staaltje van zijn kunnen had gekregen, was hij meteen dolenthousiast. Hij zag in Paul de Everly Brother waar hij naar op zoek was en vanaf 18 oktober 1957 vormden zij de voorhoede van de Quarrymen. John was toen net 17, Paul 15, maar het was wel die jonge snotter die voorstelde om niet langer covers te spelen en hun eigen nummers te gaan schrijven. “Ik doe dat al lang”, zei hij, waarna hij een embryonale versie van When I’m 64 speelde. Van dat moment af gingen John en Paul regelmatig samen zitten om nieuwe songs te schrijven, recht over elkaar, allebei met een gitaar op schoot. De een speelde wat, de andere varieerde of antwoordde, en zo pingpongden ze de ene wereldhit na de andere bij elkaar.

Philip Norman, John Lennon, De definitieve biografie, VIP Uitgevers, 859 p., 34,95 euro.Maandag deel 2: De grote doorbraak

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234