Woensdag 22/09/2021

Weg met de stilistische grenswachters!

Zangeres Sandy Dillon nestelt zich comfortabel tussen Waits en Beefheart

Sandy Dillon

East Overshoe, One Little Indian/Virgin.

Victoria Williams

Water to Drink, Atlantic import.

Marl Olson & The Original Harmony Ridge Creek Dippers

My Own Jo Ellen, Glitterhouse/Munich.

Centro-Matic

All The Falsest Hearts Can Try, Munich Records.

Songs: Ohia

Ghost Tropic, Secretly Canadian/Konkurrent.

Wie altijd een zwak heeft gehad voor de grillige blueskronkels van Captain Beefheart, de gestoorde humor van Screaming Jay Hawkins of de gedeukte vuilnisbakritmen van Tom Waits, mag onder geen beding voorbijgaan aan de muziek van Sandy Dillon. Deze uit Boston afkomstige maar tegenwoordig vanuit Londen opererende zangeres is haar tijd altijd al vooruit geweest, en zoals bekend is dat in de logge muziekbusiness vaker een vloek dan een zegen. Dillon maakte tijdens de jaren tachtig twee langspelers voor Atlantic die nooit werden uitgebracht, en debuteerde uiteindelijk met Skating, een plaat die grandioos de mist inging en nergens meer te krijgen is. Net voor de artieste ten prooi dreigde te vallen aan moedeloosheid, kreeg ze gelukkig een wigwam aangeboden door het Britse One Little Indian-label, zodat ze ons vorig jaar alsnog kon verrassen met het intrigerende Electric Chair. Haar nieuwe plaat is zo mogelijk nog sterker, maar kort voor de release sloeg het noodlot opnieuw toe toen Sandy Dillons levensgezel Steve Bywater, die in haar band 'prepared guitar' en percussie speelde, plots overleed. Tragisch, want East Overshoe heeft zoveel potentieel dat je je meteen afvraagt hoe dit materiaal live zou hebben geklonken.

Hoewel de muziek, een gevaarlijke cocktail van blues, rock, gospel, negro spirituals en circusdeuntjes, nog altijd afgekloven klinkt, is ze tegelijk rijk en avontuurlijk geïnstrumenteerd. Een greep uit de gebruikte hulpmiddelen -'flat-back bouzouki', 'blown bottleneck', 'violectra', 'nail fiddle', 'musical saw'- maakt al duidelijk dat we hier niet met een doordeweeks gezelschap te maken hebben. Sandy Dillon en haar medeplichtigen creëren een rauw maar organisch geluid dat uit een ander tijdperk lijkt te stammen: fagot, accordeon, banjo, mandoline, hammond, diverse gitaren en percussiesnufjes worden zonder omhaal in het klankbeeld geïntegreerd, zonder dat het resultaat als gezocht overkomt. Stilistische grenswachters worden vierkant uitgelachen; de veiligheidsagenten van radio en industrie keurig om de tuin geleid. Maar zelfs wie last heeft van verroeste eustachiusbuizen kan nog horen dat 'Send Me A Dollar', 'I'm Just Blue', 'Mailbox' en het met PJ Harvey flirtende 'Rescue Me' roofdieren van songs zijn, die voor je er erg in hebt hun moordzuchtige klauwen in je vlees boren. Het enige buitenbeentje op de plaat is 'Exactitude', een op muziek gezet spoken word-nummer op tekst van Italo Calvino, dat misschien beter naar een b-kantje was verbannen. Voor het overige klinkt het nu eens speelse, dan weer huiveringwekkende gekras van Sandy Dillon impressionant als vanouds. East Overshoe: nu instappen graag.

De groten van de rockmuziek, van Lou Reed tot Eddie Vedder, hebben van hun appreciatie voor de aan MS lijdende folkzangeres Victoria Williams nooit een geheim gemaakt. Toch vindt Warner, haar platenlabel, het blijkbaar niet langer nodig haar werk in de Benelux uit te brengen. Wie benieuwd is naar Water to Drink, haar zesde langspeler, is dus op dure import aangewezen. De charme en de naïeve onschuld van de zingende Minnie Mouse zijn onaangetast gebleven, maar haar stem vertoont dezer dagen minder excentrieke trekjes dan vroeger. De liedjes zijn conventioneler gearrangeerd, al is dat geen bezwaar als je kunt beschikken over een Grote Meneer als Van Dyke Parks. Voeg daarbij een uitgelezen schare begeleiders, onder wie Greg Leisz, John Convertino, Petra Haden, Barrett Martin en Mark Olson, en je begrijpt dat er sowieso weinig fout kan gaan. Victoria Williams schrijft nog altijd veel over de gebeurtenissen in haar leven. Opvallend is echter dat haar nieuwe plaat ook enkele covers bevat, waaronder een vertaling van Tom Jobims bossanova-classic 'Agua de beber'. Maar haar versie van 'Until the Real Thing Comes Along', een swingbandnummer uit de jaren dertig van Andy Kirk & His Twelve Clouds, is minstens even mooi.

Williams' echtgenoot, voormalig Jayhawks-lid Mark Olson, houdt zijn solo-uitspattingen heel wat kleinschaliger. En wat wil de ironie? My Own Jo Ellen, de vierde langspeler van zijn Original Harmony Ridge Creek Dippers, is wèl vlot in ons land verkrijgbaar, wat nog maar eens bewijst dat een artiest geen majors nodig heeft om het publiek te bereiken. Olson, zijn vrouw en Mike Russell namen deze plaat gewoon op in hun huisstudio, nodigden enkele bevriende muzikanten uit en lieten zich inspireren door hun omgeving: de Joshua Tree-woestijn, waar ze al enkele jaren wonen. Het resultaat is een mooi uitgebalanceerd, rustiek geluid dat tussen folk en countryrock balanceert, maar waarin occasioneel ook gospel- en bluegrassaccenten worden aangebracht. Olsons stem doet denken aan die van Dan Stuart (van Green on Red), al zullen ook liefhebbers van Neil Young, Gram Parsons en The Band op deze plaat moeiteloos aan hun trekken komen.

De geest van Neil Young & Crazy Horse waart ook over de derde langspeler van Centro-Matic, een Texaans kwartet dat onder leiding staat van zanger, gitarist en songschrijver Will Johnson. All The Falsest Hearts Can Try bevat gruizige maar melodieuze lo-fi-rock waar alle scherpe kantjes nog aan zitten. Nu eens klinken de songs intimistisch en ingetogen, dan weer rauw en rafelig, maar ze verraden voldoende persoonlijkheid om de val van het epigonisme te ontwijken. Centro-Matic is op 7 december te zien in de Gentse Vooruit, als voorprogramma van J Mascis. Wie heimwee heeft naar teloorgegane groepen zoals The Replacements en Hüsker Dü, doet er dus goed aan op tijd te komen.

Na The Lioness is Ghost Tropic al de tweede cd dit jaar van Songs: Ohia, het alter-ego van zanger, liedjesschrijver en treurwilg par excellence Jason Molina. Wie hem al een poosje volgt, krijgt de indruk dan de man in een permanente rouwstemming verkeert: bij hem vergeleken was Joy Division destijds een vrolijk clubje. Net als Will Oldham kiest Molina voor minimale instrumentaties (gitaar, toetsen, behoedzame percussie), zich traag voortslepende ritmen en een ingetogen voordracht die dichter bij piekeren dan bij mijmeren staat. Zijn thema's zijn altijd dezelfde: eenzaamheid, wanhoop, verlies, een algeheel mal de vivre. Molina wringt zijn hart uit alsof het een spons betrof en dwaalt door zijn songs alsof hij net te horen heeft gekregen dan hij nog slechts twee dagen te leven heeft. Medemensen met een soortgelijke geestesgesteldheid zullen in de zanger misschien een bondgenoot zien en uit zijn melancholie enige troost putten. Wat ons betreft heeft desperate Jason zich lang genoeg in zijn eigen ellende gewenteld. Get a life, man.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234